Sla de springlinks over en ga naar de sitenavigatie

U bent hier: Regelingen » Beleidsregels Individuele verstrekkingen in het kader van de Wmo » 18-11-2010

Sla de hoofdinhoud over en ga naar de voetregel »

Beleidsregels Individuele verstrekkingen in het kader van de Wmo

Deze regeling is in werking getreden op 18-11-2010.

Wetstechnische informatie verbergen van Beleidsregels Individuele verstrekkingen in het kader van de Wmo

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie gemeente Pijnacker-Nootdorp
Officiële naam van de regeling Beleidsregels Individuele verstrekkingen in het kader van de Wmo
Citeertitel Beleidsregels Individuele verstrekkingen in het kader van de Wmo
Deze versie is geldig tot
(als de vervaldatum is vastgesteld)
Vastgesteld door college van burgemeester en wethouders
Onderwerp maatschappelijke zorg en welzijn

Opmerkingen m.b.t. de regeling

De beleidsregels worden van kracht per 18-11-2010. Het verstrekkingenboek Voorzieningen gehandicapten 2005 komt per die datum te vervallen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Verordening individuele verstrekkingen in het kader van maatschappelijke ondersteuning gemeente Pijnacker-Nootdorp 2006
  2. Algemene wet bestuursrecht, art. 1:3 externe site

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum
inwerkingtreding
Terugwerkende
kracht t/m
Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
18-11-2010 nieuwe regeling 09-11-2010
Telstar, 17-11-2010
2010.15344

Inleiding

De beleidsregels ‘Individuele verstrekkingen in het kader van de Wmo’ geven nadere richtlijnen over de uitvoering van de regels in de gemeentelijke Verordening. De wettelijke basis hiervoor ligt in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht externe site.

Invoering Wmo

Op 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning externe site (hierna: Wmo) van kracht geworden. De gemeenteraad heeft op grond van artikel 5 lid 1 Wmo externe site in september 2006 de Verordening Individuele verstrekkingen in het kader van maatschappelijke ondersteuning 2006 gemeente Pijnacker-Nootdorp (hierna: Verordening) vastgesteld. Met deze Verordening zijn regels vastgesteld over individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder voorzieningen verstrekt kunnen worden. Het college heeft vervolgens in november 2006 in het Uitvoeringsbesluit Individuele verstrekkingen in het kader van maatschappelijke ondersteuning gemeente Pijnacker-Nootdorp 2006 (hierna: Uitvoeringsbesluit) nadere regels gesteld over de uitvoering.

Afgezien van kleine wijzigingen is de Verordening uit 2006 nog van kracht. In 2008 en 2010 is een nieuw Uitvoeringsbesluit vastgesteld.

Met de invoering van de Wmo externe site zijn de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) en de Welzijnswet vervallen. De huishoudelijke hulp uit de AWBZ externe site is overgeheveld naar de Wmo externe site en werd daarmee de verantwoordelijkheid van de gemeente. Inhoudelijk is het beleid in het verstrekken van voorzieningen per 1-1-2007 niet gewijzigd.

Beleidsregels Wmo

In dit document staan algemene regels voor de afweging van belangen, het vaststellen van feiten en de uitleg van wettelijk voorschriften, ten aanzien van het compenseren van beperkingen in het dagelijkse leven en maatschappelijke verkeer, van individuele personen die vallen onder de doelgroepen van de Wmo. Voor zover dit past bij individueel maatwerk dienen beleidsregels de eenduidigheid in het afhandelen van aanvragen te verbeteren. Daarnaast biedt het document de betrokkene achtergrondinformatie.

Deze beleidsregels vervangen het verstrekkingenboek voorzieningen gehandicapten 2005 (hierna: verstrekkingenboek), en de AWBZ externe site protocollen Gebruikelijke zorg en Indicatieadvisering voor hulp bij het huishouden. Het herschrijven heeft als doel omzetten naar de Wmo en samenvoegen van richtlijnen uit de Wvg en AWBZ externe site. Er is geen sprake van een wijziging in beleid. Overlap met voorliggende naslagwerken met algemene regels en gemeentelijke regelgeving is zoveel mogelijk voorkomen, voor zover dat een logische opbouw en leesbaarheid van de beleidsregels niet in de weg staat. Algemene regels zijn te vinden in de Wmo externe site zelf, de Algemene Wet Bestuursrecht externe site, en in de jurisprudentie zoals weergegeven in het Handboek Wmo van Schulinck. Daarnaast zijn delen uit het oude verstrekkingenboek en de AWBZ externe site protocollen ondergebracht in werkinstructies.

Opbouw van de beleidsregels

Het document is wat hoofdstukken betreft opgebouwd analoog aan de Verordening. De onderwerpen komen per hoofdstuk aan de orde gekoppeld aan de opbouw van de Verordening. Niet alle artikelen uit de Verordening worden toegelicht in deze beleidsregels.

Het eerste hoofdstuk betreft algemene bepalingen. Hoofdstuk 2 gaat over algemene bepalingen bij het verstrekken van voorzieningen. Hoofdstuk 3 tot en met 6 gaan over onderdelen van het compensatiebeginsel, namelijk hulp bij het huishouden, woonvoorzieningen, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en verplaatsen in en rond de woning.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft informatie over algemene regels in de Verordening.

Algemene voorzieningen (Art. 1:1 lid i)

Algemene voorzieningen zijn standaard voorzieningen die voor meerdere personen met vergelijkbare beperkingen een adequate oplossing bieden (begripsomschrijving in de Verordening).

Behalve in de begripsomschrijving komt de algemene voorziening als begrip nog niet voor in de Verordening van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. De vraag is of de algemene voorziening wel een plek verdient in de Verordening aangezien het niet gaat om individueel te verlenen voorzieningen die aan de behoefte van het individu zijn aangepast. Een voorbeeld van algemene Wmo voorzieningen in Pijnacker-Nootdorp is de maaltijdvoorziening en de hulp bij thuisadministratie die de Stichting Welzijn Ouderen Pijnacker-Nootdorp verstrekt gesubsidieerd door de gemeente Pijnacker-Nootdorp.

Individuele voorzieningen (art. 1:2 lid 1c)

Individuele voorzieningen zijn aan de persoonlijke behoefte van het individu aangepast. Door onderzoek te doen naar de persoonlijke situatie van de aanvrager kun je de adequate oplossing op maat voor de individuele beperkingen bieden.

Individuele voorzieningen met een algemeen gebruikskarakter (art. 1:2 lid 2)

In de basis zijn individuele voorzieningen bedoeld voor een individu. Door de wijze van verstrekken kunnen ze ook door meerdere personen worden gebruikt. Een voorbeeld is een automatische deuropener in een gemeenschappelijke ruimte (bv. de hal van een flat). Deze wordt aan een inwoner verstrekt op basis van diens individuele problemen, maar alle bewoners van de flat kunnen hem gebruiken. In hoofdstuk 4 wordt het aanbrengen van voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten besproken.

Daarnaast zijn er ook voorzieningen die altijd collectief- voor meerdere personen- worden georganiseerd, omdat het anders niet efficiënt zou zijn. Een voorbeeld daarvan is collectief vervoer.

De Wmo verplicht gemeenten om inwoners de keuze te bieden tussen een voorziening in natura en een Pgb (persoons gebonden budget). Uit jurisprudentie is echter gebleken dat het gemeenten is toegestaan hierop een uitzondering te maken bij vervoerskosten. Collectief vervoer mag als primaat worden gehanteerd op een individueel Pgb voor vervoerskosten, om het collectief vervoer rendabel te houden.

Algemeen gebruikelijk (art. 1:2 lid 3a)

In de toelichting op de Verordening, art. 1:2 lid 3a is kort beschreven wat algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn: “voorzieningen waarover een met de aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken”.

Of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening kan worden getoetst aan de hand van uitgangspunten, afkomstig uit de jurisprudentie:

  • 1. Is het middel niet speciaal voor mensen met een beperking ontwikkeld, zou belanghebbende over de voorziening hebben kunnen beschikken als hij niet beperkt was geweest?
    • a. Is het normaal in de handel verkrijgbaar?
    • b. Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?

Conclusie: Het aan te schaffen object kan voor een niet-beperkte persoon in een financieel vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon worden gerekend.

Als deze vraag met ‘ja’ wordt beantwoord, is er meestal sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening. Bij elke aanvraag staat echter overeind dat je onderzoek moet verrichten naar de vraag in hoeverre de aangevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is voor deze persoon als aanvrager.

Zoals in de Verordening aangestipt zijn er 2 uitzonderingssituaties waarin een algemeen gebruikelijk product toch kan worden verstrekt als individuele Wmo voorziening:

  • i. als het gaat om een acute vervanging van een recent (=afgelopen 12 maanden) aangeschaft product. Iemand heeft bijvoorbeeld net kranen met draaiknop aangeschaft en door een acute niet-herstelbare aandoening moeten de kranen worden vervangen.
  • ii. als de aanvrager een inkomen heeft op minimumniveau of bijstandsniveau en aantoonbaar hoge noodzakelijke kosten, die direct verband houden met de beperking. De aanschaf van de aangevraagde individuele verstrekking vormt een dusdanig zware belasting voor het inkomen en vermogen dat dit onredelijk hard is. Of de noodzakelijke kosten redelijk zijn ten opzichte van de financiële situatie van de aanvrager wordt vastgesteld met behulp van de normering zoals gehanteerd wordt bij de Wet werk en bijstand externe site, de draagkrachtberekening.

Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn een centrale verwarming, verhoogde toiletpotten, fiets met hulpmotor.

Algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen

Een aantal voorzieningen zijn voorliggend; dat wil zeggen dat wanneer een adequate oplossing wordt geboden door gebruik te maken van deze voorzieningen, deze optie voorgaat op een Wmo-voorziening.

Er zijn voorliggende voorzieningen buiten de Wmo externe site. De Wmo externe site kent echter ook algemene voorzieningen waarvan je kunt zeggen dat ze voorliggend zijn op hulp bij het huishouden.

Voorliggende diensten

Tot de algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen buiten de Wmo externe site behoren (niet limitatieve lijst):

kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school);

voor- en naschoolse opvang;

oppascentrale;

hondenuitlaatservice;

Algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen binnen de Wmo externe site zijn:

boodschappendienst;

maaltijddienst;

hulp bij thuisadministratie.

De voorliggende voorziening moet beschikbaar en passend zijn. Als dit niet het geval is, dan is er geen sprake van een voorliggende voorziening. De Wmo consulent moet de sociale kaart goed in beeld hebben, zodat beoordeeld kan worden of een voorliggende voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en een adequate compensatie biedt. Daarnaast moet de voorliggende voorziening ook financieel gedragen kunnen worden door belanghebbende.

Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening.

Technische hulpmiddelen en woonvoorzieningen

Er is geen positief advies voor hulp bij het huishouden als de problemen van de cliënt afdoende kunnen worden opgelost met technische hulpmiddelen of woonvoorzieningen.

Hulpmiddelen kunnen bestaan uit algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur, zoals een wasmachine of stofzuiger. Deze hulpmiddelen dienen uit oogpunt van verantwoorde werkomstandigheden ook voor een helpende aanwezig te zijn. Daarnaast kan gebruik gemaakt worden van al aanwezige hulpmiddelen, zoals een droogtrommel of een afwasmachine. Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn maar wel een adequate oplossing zouden bieden voor het probleem, is de aanschaf van deze hulpmiddelen voorliggend op het inzetten van hulp.

Woonvoorzieningen kunnen bijvoorbeeld keukenaanpassingen of het plaatsen van een verhoging voor een droger/wasmachine betreffen maar ook woningsanering.

Afschrijvingstermijn (Art. 1:2 lid 3g)

Bij het verstrekken van een voorziening in eigendom wordt rekening gehouden met de afschrijvingstermijn. De regels die hiervoor gehanteerd worden zijn afhankelijk van de voorziening.

Voorliggende en aangrenzende wettelijke regelingen en voorzieningen (art. 1:2 lid 3h)

De Wmo externe site stelt dat geen recht bestaat op een voorziening als er een andere (wettelijke of privaatrechtelijke) regeling is die voorziet in een oplossing. De begrenzing met andere regelingen kan vooral gevonden worden in het beantwoorden van de vraag welk probleem opgelost wordt: gaat het om beperkingen in het dagelijks functioneren , onderwijs, werk, therapeutische doeleinden of is er een inkomensprobleem? Hieronder volgt een beknopt overzicht van wet- en regelgeving die voorgaat op de Wmo externe site of aangrenzend is aan de Wmo externe site. Uitgebreide informatie is te vinden bij andere regelingen van deze gemeente of andere organisaties die deze regelingen uitvoeren, en in de folder ‘ik heb wat, krijg ik ook wat? Uitgegeven door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Overigens is deze materie sterk aan verandering onderhevig. Tussen de Zorgverzekeringswet externe site, AWBZ externe site en Wmo externe site vinden steeds verschuivingen plaats, of voorzieningen komen helemaal niet meer in aanmerking voor vergoeding.

ADL-clusters ofwel Focusprojecten

Collectieve woningaanpassingen

ADL-clusters zijn groepjes van 12-24 bij elkaar horende rolstoeldoorgankelijke ADL-woningen (ook wel bekend als Fokuswoningen) voor mensen met een zware lichamelijke beperking, die zijn aangewezen op hulp bij de algemene dagelijke levensverrichtingen (ADL-assistentie) vanuit een centraal gelegen unit. Een ADL-woning is een (gelijkvloerse) sociale huurwoning die bij de bouw al is aangepast. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid voor het verstrekken van individuele voorzieningen aan bewoners van ADL-woningen. Voor collectieve woningaanpassingen en natuurlijk voor de ADL-assistentie zijn de aanbieders van ADL-assistentie (meestal stichting Fokus) verantwoordelijk Deze aanbieders worden gefinancierd vanuit de AWBZ externe site.

AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten)

Hulp bij het huishouden, begeleiding, (tijdelijke) hulpmiddelen, woningaanpassingen

Iedereen kan door ziekte of een handicap afhankelijk worden van langdurige zorg en ondersteuning. Voor die zorg, thuis of in een zorginstelling, hebben alle Nederlanders automatisch een verzekering: de AWBZ externe site. De AWBZ externe site dekt medische kosten die niet onder de zorgverzekering vallen en die bijna niemand zelf kan betalen.

Hulp bij het huishouden

In geval van een ZZP (AWBZ-indicatie voor een Zorg Zwaarte Pakket) is de gemeente ALTIJD verantwoordelijk voor hulp bij huishouden (dus bij Pgb, overbruggingszorg, geen wens om opgenomen te worden), behalve bij:

  • - een opname in een AWBZ-instelling
  • - een VPT (Volledig Pakket Thuis): iemand is dan niet in een AWBZ-instelling opgenomen maar ontvangt alle zorg van een AWBZ-instelling in de thuissituatie. Bewijsstuk van het VPT kan bij de zorgaanbieder worden opgevraagd.

Alleen in deze twee situaties betaalt het zorgkantoor voor verblijfskosten aan de zorgaanbieder. De hulp bij het huishouden valt dan onder de verblijfskosten.

AWBZ-begeleiding

Vanuit de AWBZ externe site wordt begeleiding geboden die aangrenzend kan zijn aan hulp bij het huishouden binnen de Wmo externe site. Hulp bij het huishouden onder de Wmo externe site is gericht op motiveren, aansturen, instrueren en zo nodig het overnemen van het huishouden, actief signaleren van veranderingen in de gezondheids- en sociale situatie, adviseren en/of verwijzen, zo mogelijk activeren en actief handelen naar aanleiding van signalen.

Begeleiding uit de AWBZ externe site is aan de orde wanneer iemand wel in staat is om het huishoudelijk werk te doen, maar alleen onder (structurele) begeleiding. Vaak zijn er dan regieproblemen op meerder terreinen van het dagelijks leven.

Tijdelijke hulpmiddelen

De AWBZ externe site is aangrenzend als het om hulpmiddelen gaat. Via de AWBZ-regeling Thuiszorg worden tijdelijke hulpmiddelen (max. 2 x 3 maanden) uitgeleend.

Woningaanpassingen

Met het VPT kunnen verzekerden thuis dezelfde zorg krijgen die ze in een instelling zouden krijgen (Art. 14 Besluit Zorgaanspraken externe site). Voor woningaanpassingen moet de verzekerde een beroep doen op de Wmo externe site.

Rolstoelen

Indien iemand een AWBZ-indicatie voor Behandeling heeft, en deze ontvangt in de instelling waar hij woont, dan wordt de rolstoel vergoed vanuit de instelling. In alle andere gevallen verstrekt de gemeente de rolstoel. Zie ook hoofdstuk 6.

Belastingaftrek vervoerskosten ernstig verstandelijk beperkten

De belastingdienst kent een speciale regeling voor het weekendbezoek met betrekking tot vervoerskosten voor het halen en brengen van gehandicapte personen van 27 jaar en ouder, die in een AWBZ instelling wonen. Deze ‘meerkosten’ zijn aftrekbaar als ‘uitgaven voor weekendbezoek’ van ernstig verstandelijk beperkten. Dit is voorliggend op vervoerskosten voor weekendbezoek in het kader van de Wmo externe site.

Bijzondere bijstand

Vergoeding van uit bijzondere omstandigheden noodzakelijke kosten

Bijzondere bijstand is een gemeentelijke regeling. Afhankelijk van de draagkracht die inwoners hebben op grond van hun uitkering, inkomen en vermogen kunnen ze in aanmerking komen voor een vergoeding van bepaalde uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, op grond van de richtlijnen Bijzondere Bijstand. Een voorbeeld van een vergoeding vanuit de Bijzondere Bijstand die aangrenzend is aan de Wmo externe site, zijn de meerkosten voor een maaltijdvoorziening van de Stichting welzijn ouderen Pijnacker-Nootdorp, die een inwoner onder bepaalde voorwaarden vergoed kan krijgen.

Focusprojecten

Zie ADL-clusters

Kinderopvang

Er is een gemeentelijke regeling voor vergoeding voor kinderopvang op medische indicatie. Daarnaast is er de Tegemoetkoming kinderopvang die werknemers kunnen aanvragen bij hun werkgever, en er is onder bepaalde voorwaarden teruggaaf mogelijk via de belastingdienst.

Leerlingenvervoer

Vervoer van en naar school, ook voor kinderen met een beperking

Leerlingenvervoer is een gemeentelijke regeling. Het leerlingenvervoer voorziet onder bepaalde voorwaarden in vervoer naar scholen, ook van kinderen met een beperking.

NS Begeleiderspas

De OV begeleiderskaart (aan te vragen bij de NS) maakt het mogelijk om gratis een begeleider mee te nemen bij het gebruik van openbaar vervoer (treinen, metro's, trams, bussen en Regiotaxi).

Valys

Aangepast vervoer vanaf 5 OV-zones

Valys is taxivervoer voor mensen met een mobiliteitsbeperking. Zij kunnen met Valys een dagje uit of op familiebezoek. Bij Valys gaat het om uitstapjes die verder weg zijn dan vijf OV-zones vanaf het woonadres. Voor dagelijks vervoer binnen vijf OV-zones is de gemeente verantwoordelijk.

UWV

Voorzieningen voor werk en onderwijs

Wie door ziekte of beperking langdurig is uitgevallen of wie het werk vanwege ziekte of beperking niet kan volhouden, kan te maken krijgen met een re-integratietraject vanuit het werk. Via het UWV kan begeleiding bij de re-integratie plaatsvinden en kunnen voorzieningen worden getroffen. Werkvoorzieningen zorgen ervoor dat iemand met een arbeidshandicap aan het werk kan blijven of weer aan het werk kan gaan. Voorbeelden van kosten die via het UWV worden verstrekt: vervoerskosten woon- en werkverkeer, werkstoelen, grootbeeldmonitoren, doventelefoon, jobcoach.

Onderwijsvoorzieningen zorgen ervoor dat een kind met een beperking naar school kan gaan. Het UWV vergoedt bepaalde onderwijsvoorzieningen te onderscheiden in vergoeding van vervoerskosten (incl. aangepast vervoersmiddel) of voorzieningen (leerhulpmiddelen, aangepast meubilair). Zowel kinderen als volwassenen kunnen voor onderwijsvoorzieningen in aanmerking komen. Vergoeding is afhankelijk van de school die bezocht wordt, en de voorziening die nodig is.

Wet Sociale werkvoorziening (Wsw)

Dit is een gemeentelijke regeling. Werknemers die onder deze regeling vallen, zijn voor het woon-werkverkeer aangewezen op de gemeente/de instantie die voor de gemeente de regeling uitvoert.

Zorgverzekeringswet (Zvw)

Hulpmiddelen, woningsanering en ziekenvervoer

Iedereen die in Nederland woont of werkt, heeft dezelfde basiszorgverzekering. Deze –verplichte- zorgverzekering vergoedt de kosten voor het grootste deel van de gezondheidszorg. De overheid bepaalt wat in het basispakket zit.

Hulpmiddelen

Het basispakket vergoedt ook hulpmiddelen. De begrenzing met de Wmo externe site is onduidelijk en aan verandering onderhevig. Aard- en nagelvast valt in elk geval altijd onder de Wmo externe site. Hulpmiddelen gericht op één specifieke beperking op met therapeutisch doel vallen onder de Zvw.

Woningsanering

Daarnaast kan bij woningsanering een afstemmingsvraagstuk ontstaan met de Wmo externe site omdat op grond van de Regeling zorgverzekering voorzieningen kunnen worden getroffen die noodzakelijk zijn als gevolg van luchtwegallergieën.

Ziekenvervoer

Ziekenvervoer wordt vanuit de zorgverzekeringswet externe site in elk geval vergoed voor de volgende doelgroepen:

Nierdialysepatiënten, radiotherapie- en chemokuurpatiënten, visueel gehandicapten en rolstoelgebruikers.

Voor het overige ziekenvervoer zijn mensen met beperkingen aangewezen op de Wmo externe site. De grens is echter niet altijd duidelijk te trekken: er is een hardheidsclausule binnen de Zorgverzekeringswet externe site die het mogelijk maakt dat iemand toch voor zittend ziekenvervoer in aanmerking komt, bv. wanneer iemand in verband met de behandeling van een langdurige ziekte of aandoening langdurig is aangewezen op vervoer en het niet verstrekken of vergoeden van dat vervoer zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (art. 2:14 lid 3 Besluit zorgverzekering externe site).

Niet adequaat gebruik (Art. 1:2 lid 3j)

Een voorziening wordt niet toegekend als deze niet adequaat gebruikt kan worden. Er moet sprake zijn van een deugdelijke en veilige voorziening. De gemeente moet een waarborg inbouwen ten aanzien van het adequaat gebruiken van voorzieningen. De waarborg betreft vooral de vervoersvoorzieningen. Onderzoekspunten hierbij zijn verkeersinzicht, motoriek, rijvaardigheid, etc. Deze punten maken onderdeel uit van het onderzoek bij de selectie van een voorziening. Mocht blijken dat iemand niet op adequate wijze gebruik kan maken van de gevraagde (vervoers-) voorziening, dan wordt de voorziening niet verstrekt.

Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen over voorzieningen (Art. 2:1)

Inleiding

Als personen aanspraak hebben op een individuele voorziening in het kader van de Wmo externe site, kunnen ze kiezen tussen een voorziening in natura, of een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget (hierna: Pgb).

Voorziening in natura verleend als persoonlijke dienstverlening (Art. 2:2 lid c)

Hulp bij het huishouden

Naast de verplichte wettelijke keus tussen een voorziening in natura en een Pgb, biedt de gemeente de inwoner van Pijnacker-Nootdorp in geval van een voorziening in natura ook de keus tussen meerdere aanbieders. Door het inschakelen van meerdere aanbieders is er minder kans op wachtlijsten. Bovendien hebben klanten een alternatief als ze om de een of andere reden niet tevreden zijn met de eerst gekozen aanbieder.

Omvang van het persoonsgebonden budget (Art. 2:3 lid b)

Er is onderscheid tussen een Pgb voor diensten zoals hulp bij het huishouden en een Pgb voor een voorziening zoals rolstoelen, vervoersvoorzieningen en hulpmiddelen.

Een Pgb voor hulp bij het huishouden

Een Pgb voor hulp bij het huishouden wordt gebaseerd op de uurprijs van huishoudelijke hulp, met een korting van 14% vanwege het ontbreken van de kosten voor overhead ten opzichte van Zorg in Natura. De precieze berekening van het Pgb voor hulp bij het huishouden met toelichting vindt u in het Uitvoeringsbesluit (art. 3:1).

Bij een Pgb voor hulp bij het huishouden betaal je de dienstverlening. In de Wmo externe site is bepaald dat het bedrag vergelijkbaar moet zijn met de voorziening in natura, en toereikend. Wat toereikend is hangt af van de individuele situatie. Basis is het minimumloon. Er zijn verschillende mogelijkheden voor de inkoop. Het bedrag dat verstrekt wordt dient op maat te zijn. Als de aanvrager bijvoorbeeld hulp wil inkopen bij een aanbieder betaalt hij/zij mogelijk hetzelfde als bij hulp in natura. In dat geval leidt korting vanwege een Pgb ertoe dat de compensatie onvoldoende is.

Een Pgb voor voorzieningen

Als een aanvrager kiest voor een Pgb voor een voorziening in de vorm van een hulpmiddel, krijgt hij een bedrag per maand om dit hulpmiddel te huren, te onderhouden en te repareren. Inwoners worden met dit bedrag in staat gesteld een gelijkwaardige voorziening aan te schaffen in vergelijking met een voorziening in natura. In geval van natura huurt de gemeente de voorziening ook per maand en geeft deze in bruikleen bij de inwoner. Hiervoor tekent de inwoner een bruikleenovereenkomst.

Voordeel van de Pgb-voorziening in huur per maand is dat wanneer de voorziening niet meer voldoet voor de afschrijvingstermijn is verstreken, de huur kan worden beëindigd. Er wordt vervolgens een andere voorziening verstrekt –al dan niet in de vorm van een Pgb- die wel voldoende compenseert. Een voorziening die is gekocht en niet meer voldoet voordat de afschrijvingstermijn is verstreken, leidt tot een extra kostenpost voor de gemeente, aangezien deze toch moet voldoen aan haar compensatieplicht door een nieuw middel (of Pgb daarvoor) te verstrekken. Als aanvragers toch een voorziening willen kopen in plaats van huren is dat mogelijk door zelf het aankoopbedrag voor te schieten.

Hfst 3 Hulp bij het huishouden

Inleiding

Hulp bij het huishouden valt onder wat in artikel 4 Wmo externe site benoemd wordt als “het voeren van een huishouden”. Om een huishouden te voeren is het nodig om een geschikte woning te hebben (zie hoofdstuk 4: woonvoorzieningen) en om die woning voor bewoning geschikt te houden. Wie niet in staat is om dit laatste zelf te doen, niet in staat is dit probleem zelf op te lossen, of geen mogelijkheid heeft dat huisgenoten dit oplossen, kan in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden.

Hulp bij het huishouden wordt in de wettekst van de Wmo externe site “huishoudelijke verzorging” genoemd en omschreven in artikel 1, lid 1 onder h als: “het ondersteunen bij of overnemen van activiteiten op het gebied van de verzorging van het huishouden van een persoon dan wel een leefeenheid waartoe een persoon behoort”.

Beperkingen bij het voeren van een huishouden kunnen zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing (gezondheidsrisico’s, persoonlijke verzorging, voeding en vocht) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt

De hulp bij het huishouden zal als resultaat hebben dat een aanvrager beschikt over een schoon huis dat leefbaar is voor hem en zijn gezinsgenoten. In bijzondere situaties kan ook het opvangen en verzorgen van kleine kinderen tot het huishouden behoren.

Bij alle activiteiten wordt uitgegaan van de dagelijkse gang van zaken, gebruik makend van algemeen gebruikelijke hulpmiddelen (zoals schoonmaakmiddelen, een (af)wasmachine of een droger), en van een gemiddeld via een systeem van normtijden vastgesteld niveau (zie werkinstructie hulp bij het huishouden).

Gebruikelijke zorg (Art. 3:2 lid 1)

De Verordening stelt (Art. 3:2 lid 1) dat een persoon als bedoeld in artikel 1, onder e van deze verordening niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden indien tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijke werk te verrichten.

Deze beperking heet ‘gebruikelijke zorg’ en is afkomstig uit de beleidsregels zoals die onder de AWBZ externe site werden gehanteerd voor o.a. hulp bij het huishouden.

Definitie

Gebruikelijke zorg is de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid gemeenschappelijk een woning bewonen en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden. De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden, met inbegrip van het bevorderen en in stand houden van gezondheid, levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Hulp bij het huishouden is er als aanvulling op gebruikelijke zorg en op de eigen mogelijkheden.

Gebruikelijke zorg is alleen aan de orde als er een leefeenheid is die gemeenschappelijk een woning bewoont. Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten.

Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles).

Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte.

Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over.

Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Opvang valt niet onder de hulp bij het huishouden. Verzorging van de kinderen kan zo nodig wel onder de hulp bij het huishouden vallen.

Bijdrage van kinderen aan het huishouden

In geval de leefeenheid van de hulpvrager mede bestaat uit kinderen, dan gaat de indicatiesteller ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.

Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.

Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.

Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

Echtscheiding

Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke zorg voor het huishouden en de onderlinge persoonlijke verzorging van partners. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder door te kijken naar de voor de rechtbank vastgelegde afspraken tussen de ex-echtgenoten. Voor die perioden dat de kinderen bij de verzorgende -uitgevallen- ouder zijn kan er een indicatie voor verzorging zijn. Als de zorgplicht door de niet-verzorgende ouder kennelijk niet wordt nagekomen, beschouwen we de situatie als een eenoudergezin.

Fysieke afwezigheid huisgenoot

Indien de huisgenoot van een zorgvrager vanwege werk fysiek niet aanwezig is wordt hiermee bij de indicatiestelling uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een eenpersoonshuishouden en geen gebruikelijke zorg.

Gezondheidsproblemen of (dreigende) overbelasting

Een Wmo externe site consulent kan besluiten dat een huisgenoot of partner geen gebruikelijke zorg kan leveren als deze zodanige gezondheidsproblemen heeft dat redelijkerwijs geconcludeerd moet worden dat de betreffende taken niet door hem uitgevoerd kunnen worden. Er moet altijd onderzocht worden of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke zorg, door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt.

Wanneer een partner of huisgenoot gezondheidsproblemen en beperkingen heeft of door de combinatie van een (volledige) werkkring of opleiding en het voeren van het huishouden overbelast dreigt te raken, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd. De Wmo consulent moet zich daar dan een geobjectiveerd oordeel over vormen. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke zorg en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke zorg voor.

Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om een indicatie te geven voor hulp bij het huishouden.

In geval de leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, kan een indicatie worden gesteld op de onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke zorg worden gerekend. In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.

Leeftijd

Leeftijd of het niet gewend zijn aan huishoudelijk werk kunnen invloed hebben op het vermogen van andere leden uit de leefeenheid om huishoudelijke taken over te nemen. Als dit noodzakelijk is door uitval van een van de leden kan aan de gezonde anderen een instructie worden gegeven voor het aanleren van vaardigheden op huishoudelijk gebied. Ook het trainen van huisgenoten om bepaalde huishoudelijke handelingen te verrichten of om te gaan met huishoudelijke hulpmiddelen valt als activiteit onder de hulp bij het huishouden: instructie. Het gaat dan om een kortdurende indicatie voor beperkte tijd, waarin de noodzakelijke huishoudelijke vaardigheden worden aangeleerd. Hier geldt een termijn van 6 weken voor instructie.

Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals bij ouderen op hoge leeftijd (> 75 jaar) kan, indien nodig, hulp voor die zwaar huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke zorg zouden worden gerekend.

Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet uitstelbaar

Er zijn uitstelbare en niet-uitstelbare taken:

Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen;

Wel-uitstelbare taken zijn boodschappen doen, wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen.

Bij de beoordeling welke taken in het kader van gebruikelijke zorg overgenomen kunnen worden door partners of huisgenoten, speelt dit een rol. Niet-uitstelbare taken kunnen immers niet op een ander tijdstip worden gedaan.

Kamerverhuur

Als er sprake is van kamerverhuur, rekenen we de huurder van de betreffende ruimte niet tot lid van een leefeenheid. Als mensen zelfstandig [1] samenwonen op een adres en gemeenschappelijke ruimten delen, veronderstellen we dat het aandeel in het schoonmaken van die gemeenschappelijke ruimten bij uitval van een van de bewoners wordt overgenomen door de andere bewoners. Het eventuele positieve advies voor hulp bij het huishouden betreft dan alleen de eigen woonruimte (kamers) van de zorgvrager en een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimten.

Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien men dit zelf niet meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn kunnen niet worden meegenomen in de omvang van de indicatie omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap

Mantelzorg, respijtzorg

Mantelzorg overstijgt de gebruikelijke zorg. De gemeente heeft op grond van de Wmo externe site de plicht om voorzieningen te treffen voor deze doelgroep. De gemeente Pijnacker-Nootdorp kent op dit moment geen individuele verstrekkingen aan mantelzorgers. Wel is het mogelijk in het kader van tijdelijke ontlasting zogenaamde respijtzorg te bieden. Respijtzorg is zorg die gericht is op het (tijdelijk) ontlasten van de mantelzorger, wanneer deze overbelast dreigt te raken, door overname van de zorg. In dat geval wordt hulp bij het huishouden geïndiceerd voor degene die geholpen wordt door de mantelzorger. In feite is het dan een voorziening voor de persoon met beperkingen, waarmee de mantelzorger ook geholpen wordt.

Taken van een 18-23 jarige

Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt.

Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren.

De huishoudelijke taken voor een eenpersoonshuishouden zijn:

schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en 1 kamer;

de was doen;

boodschappen doen;

maaltijd verzorgen;

afwassen en opruimen.

Te normeren naar 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week.

Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.

Uitval van ouder in eenoudergezin

Indien er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, of beide ouders ondervinden beperkingen in de opvang en verzorging van de kinderen, wordt er eerst nagegaan wat mantelzorg opvangt, en wat vrijwilligers als vervangende mantelzorg, voorliggende voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen opvangen.

Oppas en opvang van gezonde kinderen vallen in principe niet onder de Wmo externe site, daarvoor zijn andere, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen voorhanden. Wel is er een indicatie mogelijk voor de verzorging van de kinderen conform leeftijd.

Gebruik van kinderopvang/crèche als voorliggende voorziening voor oppas en opvang van gezonde kinderen tot 5 dagen per week is redelijk.

Indien de Wmo consulent zich ervan heeft vergewist dat de voorliggende algemeen gebruikelijke voorzieningen niet beschikbaar of niet adequaat zijn, zijn uitgeput of financieel niet haalbaar (denk aan voorliggende gemeentelijke regeling voor vergoeding kinderopvang op medische indicatie), is bij uitval van de ouder in een eenoudergezin afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind een indicatie voor hulp bij het huishouden mogelijk tot 40 uur per week voor oppas en opvang van gezonde kinderen. Een dergelijke indicatie is in principe van korte duur (maximaal 3 maanden), de periode waarin een eigen oplossing moet worden gevonden.

Terminale situaties

In terminale of andere chronische situaties waarin gebruikelijke verzorgers zwaar belast worden met zorgtaken kunnen de normeringen betreffende gebruikelijke zorg soepeler worden gehanteerd.

Voorkomen van crisis en ontwrichting

Zijn de mogelijkheden reeds maximaal gebruikt of afwezig, of is er slechts kortdurend (3 maanden ) overbrugging nodig in noodgevallen, dan kan hulp bij het huishouden worden ingezet.

Structurele opvang van kinderen valt niet onder de hulp bij het huishouden.

Niet-structurele opvang van kinderen kan alleen bij ontwrichting of calamiteiten tot een indicatie(advies) voor hulp bij het huishouden voor een beperkte tijd leiden.

Verzorging van de kinderen kan zo nodig wel een onder de hulp bij het huishouden vallen.

Zorgverlof

Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de voor hem/haar geldende regeling voor zorgverlof. De indicatiesteller onderzoekt, in geval er mantelzorg aanwezig is, wat in redelijkheid met mantelzorg kan worden opgevangen.

Is dit niet mogelijk dan dient de ouder gebruik te maken van (een combinatie van ) crèche, opvang op school, buitenschoolse opvang, gastouder ed. (de zogenaamde algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen). Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden voor kinderen is redelijk, onafhankelijk van de financiële omstandigheden.

Soort hulp bij het huishouden (Art. 3:3 lid 2)

Er is een onderverdeling in HV 1 en HV2. Deze onderverdeling is afkomstig uit het bestek voor de aanbesteding van hulp bij het huishouden in 2009.

HV 1: Huishoudelijke werkzaamheden.

  • schoonmaken van het huis, licht en zwaar;
  • wassen, drogen, vouwen en strijken;
  • opruimen van de kamers;
  • bedden opmaken, afhalen en verschonen;
  • beperkte verzorging van huisdieren en planten;
  • opruimen huishoudelijke afval;
  • actief signaleren of deze vorm van hulp bij het huishouden nog voldoet en contact hierover met de contactpersoon;
  • boodschappen doen voor het dagelijks leven;
  • maaltijdverzorging (brood- en / of warme maaltijd).

HV 2: Huishoudelijke werkzaamheden, aangevuld met de organisatie van het huishouden.

  • huishoudelijke werkzaamheden (zie onder HV 1);
  • dagelijkse organisatie van het huishouden;
  • gebruikelijke verzorging (helpen met zelfverzorging) voor inwonende kinderen (in relatie tot gebruikelijke zorg);
  • signaleren van veranderingen in de gezondheids- en sociale situatie;
  • adviseren en/of verwijzen – zo mogelijk activeren;
  • actief handelen naar aanleiding van signalen;
  • anderen helpen bij het bereiden van maaltijden (voorbereiden van maaltijden).

Veelgestelde vragen (en dilemma’s)

Afwijken van standaardnormen

Met hulp bij het huishouden wordt hygiënisch verantwoorde maar basale hulp geboden. Persoonlijke wensen / normen van cliënten of ideeën over hygiëne spelen daarbij geen rol. Met gegronde, gemotiveerde, (medisch) onderbouwde redenen (bv. gezondheidsproblematiek zoals allergieën) kan wel van de normtijden afgeweken worden.

Anti-revaliderende werking

Bij de behandelaar dient gecheckt te worden in hoeverre inzet van hulp een antirevaliderende werking kan hebben. Hulp bij het huishouden kan naast een te volgen behandeling of revalidatie worden geïndiceerd. Als het huishouden dreigt te ontsporen zonder zorg voor het huishouden terwijl cliënt wel (voornemens is) behandeling te ondergaan/revalideren, kan hulp bij het huishouden geïndiceerd worden, gedurende korte tijd.

Huisstofmijtallergie

Bij allergie voor huisstofmijt zal er advisering rond het saneren van de woning plaatsvinden door de daartoe bevoegde instanties, i.c. de CARA/COPD verpleegkundige. Een vraag naar hulp bij het huishouden is pas aan de orde wanneer sanering van de woning heeft plaatsgevonden. Zie ook Art. 4:2 lid c. in deze beleidsregels voor de voorwaarden waaronder de gemeente sanering van de woning vergoedt.

Voor het stofvrij houden van de woning kan extra tijd worden geïndiceerd.

Maaltijdverzorging en boodschappen doen in de Wmo

Maaltijdbereiding en boodschappen doen vindt niet structureel plaats binnen de hulp bij het huishouden. Cliënten moeten voor de maaltijdbereiding en boodschappen in eerste instantie een beroep doen op de eventueel aanwezige –meerderjarige, gezonde- huisgenoten (gebruikelijke zorg). Als deze door beperkingen in het zelfzorgvermogen de warme maaltijd niet kunnen verzorgen, moet worden nagegaan welke mogelijkheden mantelzorg, vrijwilligers en voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen bieden. Te denken valt aan kant en klaarmaaltijden, maaltijdvoorziening, boodschappendiensten of bezorging aan huis, diensten die geleverd worden door de stichting Welzijn Ouderen Pijnacker-Nootdorp. Indien met voorliggende voorzieningen niet tegemoet gekomen kan worden aan de eisen van een, door een arts voorgeschreven, dieet, kan maaltijdverzorging in de thuissituatie worden geadviseerd. In leefeenheden met jonge (<12 jr. ) kinderen kan in een crisissituatie voor een beperkte periode een indicatie gesteld worden voor maaltijdverzorging in combinatie met advies en instructie. Als de huisgenoten door onvoldoende kennis of vaardigheden niet in staat zijn om te koken, wordt hen aangeboden om het koken te leren. De geldigheidsduur is afhankelijk van de situatie maar maximaal 6 weken.

Medische info?

Behandeling gaat voor revalidatie, revalidatie gaat voor reorganisatie. Bij een vermoeden dat de onderliggende stoornis niet is (uit-) behandeld, bij een mogelijk antirevaliderend effect of bij een MMOA moet altijd medische informatie worden ingewonnen.

Meerdere indicaties binnen een leefeenheid

Als beide leden beperkingen hebben, dan voor één van beide aanvragers hulp bij het huishouden meenemen en vermelden dat de ander in principe ook een indicatie voor hulp bij het huishouden heeft, die echter niet gesteld wordt, omdat er voor de leefeenheid al een indicatie op naam van de een is gesteld.

Medisch moeilijk objectiveerbare aandoeningen (MMOA)

Wanneer huishoudelijke beperkingen veroorzaakt worden door aandoeningen die naar de mening van de arts nog behandeld kunnen worden, wordt alleen hulp bij het huishouden geadviseerd naast behandeling of revalidatie. Het gaat hierbij met name om MMOA en psychische aandoeningen. Hulp bij het huishouden kan in een dergelijke situatie immers antirevaliderend werken. Hierover is afstemming met de behandelaar nodig. Een dergelijke indicatie heeft dan in principe een korte geldigheidsduur, afgeleid van de duur van het behandel- of revalidatietraject.

Particuliere huishoudelijke hulp

Particuliere hulp kan bij een bepaald inkomen als voorliggende voorziening worden gezien. Indien cliënten al jaren particuliere hulp hebben, is er geen sprake van meerkosten als zij na het ontstaan van beperkingen hulp bij het huishouden aanvragen. Bovendien betaalt iemand met een hoger inkomen in eerste instantie de maximale eigen bijdrage, en dat benadert, komt overeen met of overschrijdt zelfs de kosten voor een particuliere hulp.

Er zijn de volgende varianten::

  • 1) Als een cliënt particuliere hulp heeft gehad en de reden van de aanvraag is gelegen in het feit dat het financieel niet meer haalbaar is, of er is een andere goede reden, dan wordt de particuliere hulp niet als algemeen gebruikelijk beschouwd;
  • 2) Als een cliënt particuliere hulp heeft en, op moment van de aanvraag, nog steeds hulp heeft die activiteiten overneemt (waarmee de cliënt bij het voeren van het huishouden problemen ondervindt) dan wordt de particuliere hulp als algemeen gebruikelijk beschouwd voor de overgenomen activiteiten en volgt er een negatieve indicatie;
  • 3) Als een cliënt particuliere hulp heeft en op moment van de aanvraag deze hulp niet alle activiteiten overneemt (waarmee de cliënt bij het voeren van het huishouden problemen ondervindt) dan kan er een indicatie komen voor de activiteiten die niet overgenomen worden.

Ruilzorg

Ruilzorg bestond in de tijd dat Huishoudelijke Verzorging onder de AWBZ externe site werd uitgevoerd.

Ruilzorg hield in dat de cliënt een indicatie had voor Persoonlijke Verzorging maar in de praktijk een andere vorm van AWBZ-zorg ontving, bijvoorbeeld HuishoudelijkeVerzorging. Dit had te maken met de wens dat de partner de Persoonlijke Verzorging uitvoerde.In plaats van Persoonlijke verzorging vond ondersteuning plaats met Huishoudelijke Verzorging.

Nu Hulp bij het Huishouden onder de Wmo externe site valt is er geen wettelijke basis meer voor uitruil met Persoonlijke verzorging, dat uit de AWBZ externe site wordt gefinancierd.

Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen

Inleiding

Ter compensatie van de beperkingen van een persoon treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren (Art. 4 Wmo). externe site Om een huishouden te voeren is het o.a. nodig om een geschikte woning te hebben.

Een woonvoorziening is een voorziening die de aanvrager in staat stelt om op een normale wijze te wonen. Als resultaatsverplichting geldt een woning waarin alle activiteiten van het dagelijks leven uitgevoerd kunnen worden.

Soorten individuele woonvoorzieningen (Art. 4:2)

Bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen (Art. 4:2 lid b)

Bij bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen gaat het om verbetering van de toegankelijkheid van de woning, de doorgankelijkheid en/of de bruikbaarheid van de woning. Voor de toegankelijkheid is het voldoende om de woning via één ingang (rolstoel-)toegankelijk te maken.

Voorbeelden van bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen zijn:

  • eenvoudige woningaanpassingen zoals douchezitjes, wandgrepen en opdruksteunen (sanitaire aanpassingen);
  • zogenaamde maatwerkaanpassingen, zoals keukenaanpassingen, trapliften en plafondliften;
  • toegankelijkheidbevorderende aanpassingen, zoals drempelhulpen, verbreedde deuren vanwege rolstoelgebruik en elektrische deuropeners.

De aanvrager komt in aanmerking voor een woonvoorziening als bouwkundige of woontechnische belemmeringen het normale gebruik van de woning aantoonbaar verhinderen. De belemmeringen moeten een gevolg zijn van de beperkingen van de gebruiker en dus niet veroorzaakt worden door de aard van de gebruikte materialen.

Keukenaanpassingen

Voor keukenaanpassingen geldt dat zij noodzakelijk moeten zijn voor degene die hoofdzakelijk gebruik maakt van de keuken zoals voor het bereiden van de maaltijd, en de afwas. Het is afhankelijk van de woningindeling en de beperkingen van de aanvrager of alle handelingen in de keuken plaatsvinden. Eenvoudige verrichtingen zoals koffie/thee zetten en brood klaarmaken kunnen ook in een andere, aangrenzende ruimte of aan een tafel worden uitgevoerd.

Voordat een keukenaanpassing wordt verstrekt, worden de volgende alternatieven eerst afgewogen;

Goedkopere oplossing realiseerbaar, bijvoorbeeld verplaatsen van meubelstukken, een tafeltje bijzetten, indeling van de kast of koelkast, etc.

Mate van gebruik keuken aanvrager en medebewoners.

Als uitgangspunt bij de verstrekking van een keukenaanpassing geldt dat de aanvrager in belangrijke mate gebruik moet kunnen maken van de keuken. De aanvrager kan zowel hoofdgebruiker als medegebruiker zijn. De rol van de aanvrager in het gezin en het zelfstandig functioneren spelen bij de beoordeling een belangrijke rol.

Uitvoering keuken

Bij het aanpassen of vervangen van een keuken wordt een nieuwe keuken geplaatst die voldoet aan de eisen van de sociale woningbouw, namelijk totaal vijf aanrecht- of bovenkasten. Alle wensen en/of extra’s die de persoon met beperkingen wenst komen niet voor vergoeding in aanmerking in het kader van de Wmo externe site. De meerkosten (inclusief plaatsingskosten) van extra voorzieningen komen voor rekening van de cliënt.

Renovatie

Als er aanpassingen nodig zijn in een keuken die toe is aan renovatie, worden alleen de meerkosten vergoed van de aanpassingen vanwege de beperkingen van de aanvrager. Hiervoor moet inzichtelijk worden gemaakt in hoeverre de keuken aan vervanging toe is als gevolg van gebruikslijtage e.d. (afschrijvingstermijn keuken gemiddeld 20 jaar).

Aanpassingen in natte cel

Met de natte cel wordt bedoeld de gebruiksruimte waar het wassen en dergelijke plaatsvindt, kortom badkamer of doucheruimte. Mensen met beperkingen, waaronder ouderen ondervinden veel hinder in het gebruik van deze ruimte bijvoorbeeld door gladde vloertegels tijdens het douchen (combinatie zeep, water en glad vloeroppervlak), een te laag toilet, instap in douchebak, staan voor de wastafel, staan tijdens het douchen. Hiervoor worden regelmatig sanitaire aanpassingen aangevraagd.

Een veelvoorkomend spanningsveld bij de toekenning van sanitaire aanpassingen in de natte cel, veelal in de huursector, is de reikwijdte van de te verstrekken voorziening. Ter illustratie een voorbeeld. Er bestaat een indicatie voor het verwijderen van het bad en het creëren van een douchehoek. De vraag hierbij is tot hoever de nieuwe betegeling vergoed dient te worden op grond van de Wmo externe site. De woningcorporaties vragen om een geheel nieuwe betegeling, terwijl op grond van de Wmo externe site de goedkoopst adequate oplossing gekozen wordt. Esthetische vraagstukken zijn geen criterium in het kader van de Wmo externe site.

De gemeente Pijnacker – Nootdorp hanteert in dergelijke situaties het volgende uitgangspunt.

Er wordt altijd gekozen voor de goedkoopst adequate oplossing.

Dit betekent dat de voorzieningen aangebracht dienen te worden zoals geïndiceerd.

Het aanbrengen van noodzakelijke tegels geschiedt tot een maximum afmeting zoals dit neergelegd is in het Bouwbesluit [2]. Indien de verhuurder, bewoner of eigenaar meer tegels wenst, valt dit onder diens verantwoordelijkheid. Deze meerkosten worden niet door de gemeente vergoed.

Uitgangspunt van de Wmo externe site is dat de minimale kosten worden vergoed die nodig zijn om een adequate situatie voor betrokkene te creëeren.

Niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorzieningen (Art. 4:2 lid c)

Deze voorzieningen zijn onderverdeeld in drie categorieën:

  • 1. Woningsanering;
  • 2. Vervangen gewone vloerbedekking door rolstoelvaste vloerbedekking in de woonkamer, slaapkamer en keuken;
  • 3. Losse woonvoorzieningen.

1. Woningsanering

Vocht en tocht komen in iedere woonruimte voor. Het wegnemen hiervan valt niet onder de Wmo externe site. Ook het opheffen van allergene factoren of andere problemen die hun oorzaak vinden in de aard van de in of aan de woonruimte gebruikte materialen valt niet onder de werking van de Wmo externe site.

Woningsanering vanwege huisstofmijt

Onder woningsanering in het kader van de Wmo externe site wordt verstaan vervanging van vloerbedekking.

Woningsanering kan worden vergoed wanneer er een plotselinge ernstige allergie voor huisstofmijt bij de aanvrager is ontstaan, waardoor de nog niet afgeschreven vloerbedekking , met name in de slaapkamer, moet worden vervangen door een gladde vloer. Mensen met COPD (=luchtwegaandoening) kunnen last hebben van kortademigheid wanneer zij in aanraking komen met huisstofmijt.

De vaststelling van een luchtwegaandoening op zich is niet voldoende. Bekeken moet worden in welke vorm de aandoening zich voordoet en welke nadelige gevolgen de patiënt ondervindt. Bovendien geldt dat er geen vergoeding wordt verstrekt indien de aanvrager bij aanschaf van het artikel had kunnen weten dat hij overgevoelig is voor de daarin verwerkte stoffen.

In het Uitvoeringsbesluit is de hoogte van het Pgb voor woningsanering geregeld. Een uitzondering wordt gemaakt indien de persoon met beperkingen een uiterst laag inkomen heeft (op of rond het minimuminkomen) en aantoonbaar veel kosten heeft die direct verband houden met de beperkingen. Door de extra kosten kan deze persoon onder het bestaansminimum terecht komen. Voor deze groep kan een volledige vergoeding worden gegeven. Hierbij moet onderzocht worden in hoeverre er geen eerdere vergoeding is verstrekt voor de inrichting via een andere regeling zoals Bijzondere Bijstand.

Er wordt geen vergoeding verstrekt voor woningsanering bij verhuizing. De woning wordt bij verhuizing opnieuw ingericht. Bij de aanschaf van nieuwe materialen kan rekening worden gehouden met de ondervonden klachten.

2. Financiële tegemoetkoming voor rolstoelgeschikte vloerbedekking

Evenals bij woningsanering geldt bij vervanging van rolstoel ongeschikte vloerbedekking door rolstoelgeschikte vloerbedekking dat er sprake moet zijn van kosten die medisch gezien dringend noodzakelijk zijn en niet te voorzien zijn. Te denken valt aan iemand die ten gevolge van een ongeval of een beroerte in een rolstoel terechtkomt. Er is geen sprake van een calamiteit als iemand door een langzaam verlopende progressieve ziekte (bijvoorbeeld multiple sclerose, reuma, diabetes) in een rolstoel terechtkomt. Evenmin als iemand door ouderdom in een rolstoel terechtkomt na bijvoorbeeld jaren een rollator of krukken te hebben gebruikt. Een Pgb voor rolstoelvaste vloerbedekking is dus geen automatisme bij een eerste rolstoelverstrekking.

3. Losse woonvoorzieningen

Of een aanvrager in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen.

Onder losse woonvoorzieningen vallen bijvoorbeeld bad-, douche- en toilethulpmiddelen en tilliften.

Bij de advisering van bad- en douchehulpmiddelen hanteert de gemeente Pijnacker - Nootdorp als uitgangspunt dat de aanvrager in staat moet worden gesteld om te douchen. Bij afwezigheid van een douche kan een bad met behulp van een badplank of badzitje worden omgebouwd tot een douchevoorziening.

Een uitraasruimte (Art. 4:2 lid d)

Onder een uitraaskamer wordt een verblijfsruimte verstaan waarin een persoon die vanwege een gedragstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Er moet aangetoond of aannemelijk zijn dat het gevaar voor lichamelijk letsel als gevolg van het gestoorde gedrag niet onder controle te krijgen is door het inschakelen van oppas of andere maatregelen. Vaak gaat het om gedrag dat van het ene op het andere moment vertoond wordt, waarvoor veiligheidsmaatregelen getroffen moeten worden. Er wordt altijd een medisch advies opgevraagd en een gedragswetenschapper ingeschakeld bij de indicatiestelling.

In tegenstelling tot overige woningaanpassingen, gaat het hier niet om belemmeringen in het normale gebruik van de woning maar om gedragsafwijkingen. Hoe een uitraasruimte er precies uit moet zien hangt af van de persoonlijke omstandigheden.

Onderhoud, keuring en reparatie woonvoorziening (Art. 4:2 lid e, Art. 4:13)

Een Pgb in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie kan worden verleend als:

  • de woonvoorziening in het kader van de Verordening in bruikleen is verleend dan wel in het kader van de Wvg, het Besluit Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten of de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten (oude regelingen), en;
  • de persoon met beperkingen ten tijde van het onderhoud, de keuring of reparatie de woon-ruimte als hoofdverblijf heeft, en;
  • het één van de volgende woonvoorzieningen betreft:
    • o stoelliften;
    • o rolstoel- of sta-plateauliften;
    • o woonhuisliften;
    • o hefplateauliften;
    • o balansliften;
    • o automatische elektromechanische openings- en sluitingsmechanismen van deuren.

De hoogte van het Pgb voor deze kosten worden geregeld in het Uitvoeringsbesluit, behalve daar waar het de mechanische inrichting voor een in hoogte verstelbaar keukenblok, en sanibroyeurs (faecaliën vermalers) betreft, aangezien dit niet zelden voorkomt.

Voor voorzieningen die in eigendom zijn verstrekt, wordt geen vergoeding voor onderhoud, keuring en reparatie vanuit de Wmo externe site verstrekt. De eigenaar is verantwoordelijk voor deze kosten.

Primaat van de verhuizing (Art. 4:4)

In de Verordening is vastgelegd dat het primaat bij het verstrekken voor woonvoorzieningen ligt bij verhuizen.

Er zijn situaties denkbaar dat een aanvrager niet wil verhuizen, terwijl de gemeente van mening is dat verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is. In dergelijke gevallen kan de gemeente het instrument “verhuisplicht” toepassen, het zogenaamde primaat verhuizen. De gemeente wil zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad omgaan. Primaat verhuizen is hier een instrument voor. Voorafgaand aan het opleggen van het primaat verhuizen wordt zorgvuldig onderzoek gedaan.

Het normale gebruik van de woning

Bij het verstrekken van een woonvoorziening in het kader van de Wmo externe site draait het om de problemen die de persoon met beperkingen ondervindt in het normale gebruik van de (huidige) woning. Bij het normale gebruik van de woning gaat het om

  • gebruik van woonruimten waar de normale basiswoonfuncties zoals slapen, eten, toiletgang en lichaamsreiniging plaatsvinden;
  • traplopen, om essentiële gebruiksruimten te bereiken. Tot het normale gebruik van de woning wordt twee tot drie maal daags traplopen bij een huishouden van twee of meer personen gerekend;
  • toegankelijk en bereikbaar zijn van relevante ruimten zoals slaapkamer, natte cel, toilet, woonkamer en keuken;
  • zinvol en daadwerkelijk gebruik. Een traplift naar zolder draagt niet bij aan vrij gebruik van de woning zoals bedoeld in het licht van de Wmo externe site, evenals de toegang tot een keuken voor iemand die (door bijvoorbeeld bedlegerigheid) in een keuken niets kan doen. Het gebruik van hobby-, werk- of recreatieruimten in de woning valt ook niet onder de begripsomschrijving ‘normaal gebruik’. De zogenaamde uitraasruimte is destijds wel onder zorgplicht van de Wvg gebracht (zie Art. 4.2 lid d).

Belemmerd zijn in het vrije gebruik van de woning, waar de activiteiten van het dagelijks leven vervuld worden, betekent dat de woning niet normaal gebruikt kan worden. De gemeente kiest voor de goedkoopst adequate oplossing. In redelijkheid mag er wat van de aanwezige huisgenoten verwacht worden, bijvoorbeeld het ophalen van de was van de bovenverdieping of het ledigen van de po op de bovenverdieping. Kortom, de gezinssituatie wordt meegenomen bij de beoordeling van de Wmo-aanvraag.

Indien iemand objectiveerbare belemmeringen ondervindt bij het traplopen, kan een traplift een oplossing zijn. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijk gebruik (frequentie) kunnen ook de tuin, het balkon of het terras toegankelijk gemaakt worden. Het wonen en eten verplaatst zich in de zomer immers vaak naar buiten.

Al met al blijft het een individuele vaststelling.

Verhuizen binnen redelijke termijn

Artikel 4:4 lid 2 van dit artikel geeft aan dat iemand voor een woningaanpassing in aanmerking komt, wanneer verhuizen niet binnen een redelijke termijn mogelijk is of niet de goedkoopst adequate oplossing is.

Ondergrens primaat verhuizen € 5.000,00

Indien de kosten van aanpassing lager zijn dan € 5.000,00 wordt primaat verhuizen niet opgelegd, tenzij er op grond van het onderzoek andere overwegingen zijn waarom verhuizen adequater is dan aanpassen.

Afweging aanpassen/verhuizen

Kortom, bij het afhandelen van een aanvraag voor een woonvoorziening, wordt rekening gehouden met een aantal belangrijke aspecten, met name bij het primaat verhuizen c.q. de wens om niet te verhuizen. Er moet een afweging gemaakt worden tussen de wens om niet te verhuizen, het aanpassen van de woning en het primaat verhuizen. In een situatie waarin iemand een aanvraag indient voor een woningaanpassing en de kosten van aanpassen oude woning hoger zijn dan de verhuiskostenvergoeding en eventuele aanpassingkosten van de nieuwe woning, kiest de gemeente voor een Pgb in de kosten van verhuizen en (her-) inrichten. Deze keuze wordt in dergelijke gevallen door de gemeente gezien als de goedkoopst adequate oplossing. Mocht de aanvrager om verschillende redenen niet willen verhuizen, dan kan de gemeente een Pgb verstrekken onder bepaalde voorwaarden ter hoogte van het hierboven genoemde grensbedrag. Voorwaarde hierbij is dat de aanvrager de huidige woning dusdanig moet aanpassen dat er een adequate woonsituatie ontstaat en dat de aanvrager kan hardmaken waarom hij niet wenst te verhuizen. Dit laatste wordt getoetst aan het hieronder beschreven wegingsmodel.

Wegingsmodel voor primaat verhuizen

Indien een persoon met beperkingen een aanvraag indient voor een woningaanpassing en niet wil verhuizen wordt in het kader van de goedkoopst adequate oplossing een afweging gemaakt tussen aanpassen en verhuizen, waarbij naast het kostenaspect ook rekening gehouden wordt met de onderstaande factoren om een verantwoorde afweging te maken.

Welke factoren van toepassing zijn is afhankelijk van de individuele situatie van de cliënt. De wens van de persoon met beperkingen om niet te verhuizen, is niet maatgevend bij de afweging.

Checklist afweging primaat verhuizen

A Aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woonruimte

De huursector in de gemeente Pijnacker - Nootdorp wordt gekenmerkt door een relatief laag aantal niet-adequate woningen. Hierdoor kan het voorkomen dat de gemeente eerder verplicht wordt om de bestaande woning aan te passen. Zie ook onder G.

B Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woning

Om inzicht te krijgen in wat de goedkoopst adequate oplossing is, moeten de kosten van de totale aanpassingen in de huidige woning in kaart worden gebracht. Deze kosten worden afgezet tegen een verhuissituatie, waarbij rekening gehouden moet worden met de volgende kosten:

  • het Pgb voor de verhuis- en inrichtingskosten;
  • kosten aanpassing nieuwe woning, inclusief evt. grondkosten;
  • kosten vrijmaken nieuwe woning;
  • huurderving (indien nieuwe woning leegstaat).

Is dit kostenverhaal moeilijk (feitelijk) inzichtelijk te maken, dan kan worden volstaan met een zo goed mogelijke benadering van de werkelijkheid (ervaringcijfers, aannames).

C Volkshuisvestelijke afwegingen

  • Ondoelmatigheid: het aanpassen van de oude (huidige) woning is ondoelmatig, als een reeds aangepaste woning beschikbaar is;
  • woningen kunnen een zogenaamde sloopnominatie hebben;
  • aantal kamers in relatie tot aantal bewoners.

D Termijn waarop het woonprobleem opgelost kan worden

Verhuizing naar een woonruimte die voor de aanvrager geschikt en betaalbaar is moet binnen een redelijke termijn te realiseren zijn. Uit jurisprudentie blijkt dat onder een redelijke termijn zes maanden wordt verstaan.

Verhuizen kan een snellere oplossing zijn dan aanpassen. Bijvoorbeeld wanneer het ontslag uit het ziekenhuis of de verpleeginrichting afhankelijk is van de woningaanpassing. De mate van de noodzaak tot verhuizen mag in relatie worden gebracht tot de termijn waarop iemand een woning kan betrekken. In een situatie waar blijkt dat de medische noodzaak voor een verhuizing niet groot is, kan de termijn van zes maanden worden verlengd. Eén en ander mag uiteraard niet leiden tot onverantwoorde situaties.

Naast de verplichting van de gemeente om een geschikte woning aan te bieden, mag van de cliënt zelf ook actie worden verwacht bij het zoeken naar een geschikte woning. Ook de Wmo consulent kan de cliënt begeleiden bij het zoeken naar een geschikte woning. Verder kan gebruik worden gemaakt van het Woonmarktsysteem om zelf een geschikte woning te vinden. Er kan voorrang verleend worden op basis van het Regionaal Urgentiemodel. Dit valt onder het regime van de Huisvestingsverordening Stadsgewest Haaglanden.

E Prognose wonen – zorg

In navolging van hetgeen genoemd staat onder D, moet eveneens rekening gehouden worden met de tijdsinschatting over de gebruiksduur van de aangevraagde woonvoorzieningen. Bij de afweging kan rekening gehouden worden met de prognose van het ziektebeeld, al of niet ingeschreven staan bij een verzorgingshuis of andere woonvorm, etc. Hierbij gaat het erom dat de investeringskosten in verhouding staan tot de duur van het gebruik van de geboden voorziening, waarbij het uitgangspunt is dat de gemeente een resultaatsverplichting heeft. Er zijn hier grijze gebieden voorstelbaar; de prognose wordt in dergelijke gevallen afgemeten aan de term “langdurig noodzakelijk”.

F Sociale omstandigheden

Verhuizing kan leiden tot aantasting van het sociale netwerk van de persoon met beperkingen. Als dit aan de orde is moet worden bekeken of dit leidt tot het wegvallen van de volgende aspecten van het sociale netwerk:

  • mantelzorg die nodig is voor het overwinnen van beperkingen in het normale gebruik van de woning;
  • mantelzorg die in belangrijke mate ondersteunt bij algemene dagelijkse levensactiviteiten (ADL);
  • buurtgebonden vrijwilligerswerk;
  • de aanwezige huisgenoten;
  • overige door de cliënt aangehaalde factoren.

G Integrale afweging verschillende Wmo-voorzieningen (wonen, vervoer, rolstoelen)

Afstemming met overige Wmo-voorzieningen is van belang om te komen tot een besluit op een aanvraag. Afstemming met vervoersvoorzieningen kan een belangrijke rol spelen. Criteria zijn de afstand tot openbaar vervoer haltes en de aanwezigheid van voorzieningen zoals winkelcentra. Als een woning dichtbij bovengenoemde voorzieningen ligt, kan het adequater zijn om de huidige woning aan te passen dan de betrokkene te laten verhuizen. De bereikbaarheid van de diverse voorzieningen is beter indien ze in de buurt liggen.

H Eigen woning

Verhuizen kan nog meer consequenties hebben wanneer de persoon met beperkingen eigenaar is van de woning. Er wordt nagegaan of betrokkene vermogensverlies lijdt bij gedwongen verkoop en er een schuld ontstaat als restant. Van ernstig vermogensverlies is sprake als 5% [3] of meer op de verwervingsprijs moet worden toegelegd. Ook voor de gemeente zijn er extra consequenties wanneer het een eigen woning betreft. Bij een aangepaste eigen woning is minder kans op hergebruik.

I Noodzaak tot verhuizen door inkomensachteruitgang

Iemand kan door zijn beperkingen aangewezen zijn op een (arbeidongeschiktheids-) uitkering, wanneer werken niet meer mogelijk is. Het hierdoor ontstane inkomensverlies kan ertoe leiden dat een cliënt de woonlasten van zijn huidige woning niet meer kan dragen waardoor verhuizen automatisch een adequatere oplossing is dan aanpassing van de huidige woning.

J Woonlastenstijging en draagkracht

Wanneer een woonruimte als niet betaalbaar wordt beschouwd hangt af van de individuele situatie. Een voorbeeld is een woning waarvan de huur boven de individuele huursubsidiegrens ligt terwijl betrokkene, gelet op de hoogte van zijn inkomen, wel voor huursubsidie in aanmerking zou komen.

Indien bij verhuizing de woonlastenstijging de draagkracht van cliënt te boven gaat, moet hiermee rekening worden gehouden. Bij een eventueel hogere huur moet dit binnen de draagkracht vallen, tenzij er voor betrokkene “onmiskenbaar sprake zou zijn van een daadwerkelijk substantiële verhoging van het woongenot”. Zie Wvg-journaal no:10 jaargang 4. (CRvB 18/08/1998 gepubliceerd in JSV 98/255)

Uitsluitingen (Artikel 4:6)

Het Besluit beheer sociale huursector (Bbsh) bepaalt in artikel 12, lid 2:”De toegelaten instelling bouwt zodanige woongelegenheden of treft zodanige voorzieningen aan haar woongelegenheden, dat lichamelijk gehandicapten voor wie hun woongelegenheden niet passend zijn volgens redelijke wensen kunnen worden gehuisvest”. De woningeigenaar heeft een plicht als het gaat om aanpassingen in wooncomplexen, bedoeld voor mensen met beperkingen en ouderen.

De gemeente Pijnacker-Nootdorp streeft ernaar met sociale verhuurders afspraken te maken over het aanbrengen van woningaanpassingen in bestaande bouw en nieuwbouw.

Hoofdverblijf (Art. 4:7 lid 1)

Er wordt slechts een Pgb verstrekt voor de gemaakte kosten, indien de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. Hierbij moet het gaan om een zelfstandige woonruimte, de persoon met beperkingen dient zelfstandig een huishouden te voeren (behalve als de aanvrager een kind is). Concreet betekent dit dat personen die in een AWBZ instelling verblijven geen aanspraak kunnen doen op woningaanpassingen. Uitzondering hierop is de reeds eerder genoemde regeling over het bezoekbaar maken.

Woonvormen en AWBZ-Pgb

Behalve in AWBZ externe site gefinancierde instellingen wonen mensen met lichamelijke, geestelijke of verstandelijke beperkingen ook bijeen in woonvormen. De bewoners van deze woonvormen sluiten zelfstandig een huurcontract af, en kopen de zorg in via Persoonsgebonden budgetten. De gemeente gaat ervan uit dat deze bewoners zelfstandig wonen [4]

Bij de beoordeling van een Wmo-aanvraag moet rekening worden gehouden met de belemmeringen die rechtstreeks voortvloeien uit de “eigen” keuze om in een specifieke woonvorm te gaan wonen. Alternatief is het wonen in een “normaal” huis. Er kan een aanvraag komen voor het aanbrengen van een traplift in de hoofdwoning, voor het bereiken van (bijvoorbeeld) de woonkamer op de eerste verdieping. De belemmering in het normale gebruik komt dan voort uit de indeling van het gebouw.

Co-ouderschap

Door co-ouderschap kan een kind met beperkingen twee hoofdverblijven hebben, waardoor voorzieningen nodig zijn voor twee woningen.

Inwoning en woningaanpassingen

Inwoning wordt gezien als een vorm van niet-zelfstandig wonen. Bij het verstrekken van een woningaanpassing aan iemand die inwoont (ouder bijvoorbeeld bij het kind) is er echter wel degelijk sprake van een aanpassing aan het hoofdverblijf, ondanks de gekozen samenlevingsvorm. Een woningaanpassing wordt bij inwoning als een “normale” situatie behandeld. Het doel is immers om mensen zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen, wat in dit geval betekent dat de aanvrager niet hoeft te verhuizen naar een zorginstelling.

Verblijf in het buitenland

Een aanvrager die een aantal maanden per jaar doorbrengt in het buitenland kan daarvoor geen beroep doen op een voorziening in het kader van de Wmo externe site. Het hoofdverblijf moet gelegen zijn in de gemeente waar de voorzieningen worden aangevraagd, en de voorzieningen zijn bedoeld voor maatschappelijke participatie in de naaste omgeving. En dat is niet aan de orde in Spanje.

Bezoekbaar maken van een woning (Artikel 4:7 lid 2-6)

Dit is een uitzondering op regel 4:7 lid 1. Bezoekbaar maken betekent:

  • het aanpassen van de toegang van de woning, zodat de woonkamer bereikbaar is voor de persoon met beperkingen;
  • het bereikbaar maken van één toiletvoorziening, het bruikbaar maken van een toiletvoorziening. Dit kan ook het verstrekken van een toiletstoel of een draaischijf betreffen.

De volgende toekenningscriteria gelden bij deze voorziening:

  • Belanghebbende ondervindt op medische gronden ergonomische belemmeringen en kan zonder de aanpassingen de te bezoeken woonruimte niet bereiken en het toilet niet gebruiken;
  • het moet gaan om bezoek en dus niet om overnachten;
  • de aanpassingen hebben betrekking op gelijkvloerse aanpassingen;
  • de persoon met beperkingen heeft zijn of haar hoofdverblijf in een AWBZ-instelling;
  • de gemeente waar de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft, verklaart dat haar niet bekend is dat ten behoeve van deze persoon reeds eerder een woning bezoekbaar is gemaakt;
  • indien ouders gescheiden zijn en het kind met beperkingen woont niet in een AWBZ-instelling, dan kan de hoofdwoning aangepast worden en de andere woning bezoekbaar gemaakt worden;
  • indien ouders gescheiden zijn en een wettelijk co-ouderschap is vastgesteld, kunnen beide woningen worden aangepast;
  • indien ouders gescheiden zijn, het kind woont in een AWBZ-instelling en er is wettelijk co-ouderschap vastgesteld, dan kunnen beide woningen bezoekbaar worden gemaakt.

De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend bij de gemeente waar de woning staat (dus niet bij de gemeente waar de persoon met beperkingen verblijft).

Verhuis- en (her-)inrichtingskosten (Artikel 4:8)

Iemand die belemmeringen ondervindt in het normale gebruik van de woning, kan in aanmerking komen voor een Pgb voor de verhuis- en (her-)inrichtingskosten. Uit jurisprudentie (Wvg) blijkt dat er dan een relatie dient te zijn tussen de medische problematiek en het woonprobleem. Een Pgb voor verhuis- en (her-)inrichtingskosten is mogelijk, als wordt verhuisd naar een aangepaste woonruimte of naar een woonruimte die gemakkelijker [5] is aan te passen dan het huidige huis. Eveneens moet het gaan om aantoonbare plotselinge en onvoorzienbare beperkingen. Ieder mens gaat op een bepaald moment in het leven verhuizen naar een ‘gemakkelijkere’ woning. Deze leeftijdsgerelateerde verhuizingen kennen een grote mate van voorspelbaarheid. Mensen met leeftijdsgebonden beperkingen kunnen anticiperen op een toekomstige verhuizing, daar waar mensen met plotselinge en onvoorziene beperkingen dit geheel niet kunnen. Dit geldt overigens ook voor mensen met beperkingen, waarvan de prognose is dat deze op termijn zullen toenemen, als gevolg van de medische aandoening die de beperkingen veroorzaakt. Mensen hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de toekomst en dienen te anticiperen op verergering van hun beperkingen met als gevolg grotere problemen bij het normale gebruik van hun huidige woning. Als verhuizen noodzakelijk is in het kader van de Wmo externe site kunnen eenvoudige aanpassingen worden toegekend in de huidige woning om de periode tot de verhuizing te overbruggen. Hierbij gaat het veelal om eenvoudige losse woonvoorzieningen.

Vrijmaken van een aangepaste woning

In het Huurrecht Burgerlijk Wetboek is vastgelegd, dat indien een woning niet meer wordt gebruikt door degene waarvoor de woning is aangepast, de woning onder bepaalde voorwaarden kan worden vrijgemaakt voor een andere persoon met beperkingen. Een van de voorwaarden is dat de woningcorporatie aan de niet-beperkte huurder passende vervangende woonruimte aanbiedt. Een andere voorwaarde is het aanbieden van een verhuiskostenvergoeding aan een niet-beperkte persoon die in een aangepaste woning woont.

Voorwaarden voor het verstrekken van verhuis- en herinrichtingskosten

Het Pgb voor verhuizing en inrichting is een bedrag dat onafhankelijk van de werkelijke kosten en onafhankelijk van het inkomen van de aanvrager wordt verstrekt.

Het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding heeft mede tot doel zo lang mogelijk zelfstandig wonen te stimuleren. Inwoning (kamerbewoning) wordt gezien als een onzelfstandige vorm van wonen, waardoor het niet mogelijk is om in dergelijke situaties aanspraak te maken op een verhuiskostenvergoeding in het kader van de Wmo externe site.

De toekomstige woning moet voor langere tijd geschikt zijn. Er moet inzichtelijk worden gemaakt in hoeverre de woning levensloopbestendig is en er geen sloopnominatie is. Er wordt uitgegaan van een afschrijvingstermijn van 7 jaar voor inrichting.

Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten (Artikel 4:11)

Bij uitzondering kunnen aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten worden gedaan. Het gaat dan meestal om (het verbeteren van de toegankelijkheid van) entrees en portieken. Artikel 4:11 geeft een (niet-limitatieve) opsomming van uitzonderingen. Voorwaarde bij het aanbrengen van deze voorzieningen is dat deze voor de persoon met beperkingen noodzakelijk zijn om de woning te kunnen bereiken en de normale woonfuncties uit te oefenen. Eveneens mogen deze voorzieningen geen overlast opleveren voor overige bewoners. Een belangrijke afweging bij het toekennen van voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, is de wijze van verstrekken: in bruikleen of in eigendom. De mate van investering en de daarbij behorende mate van beheersing van kosten speelt een rol.

Onderhoud, keuring en reparatie (Artikel 4:13)

Zie artikel 4:2 lid e, pagina 24 van deze beleidsregels.

Gronden voor weigering van een woonvoorziening (Artikel 4:19)

Er wordt geen Pgb verstrekt voor gemaakte kosten, wanneer deze het gevolg zijn van een verhuizing waarvoor geen noodzaak bestond vanwege de beperkingen van de persoon (zogenaamde wensverhuizing). De te verlaten woning was adequaat. De keuze om te gaan verhuizen naar aan niet-adequate woning, zonder dat daarvoor een noodzaak was, maakt dat er geen vergoeding plaats vindt op grond van de Wmo externe site. De verantwoording hiervoor ligt bij de aanvrager.

Hfst 5. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel

Inleiding

Personen die niet in staat zijn zich op de algemeen gebruikelijke wijzen te verplaatsen, met reguliere middelen, lopend, fietsend, met de stads- of streekbus, met een reguliere auto, dient de gemeente in staat te stellen zich toch te bewegen in de directe woon- en leefomgeving. Dat kan door

  • de voor iedereen beschikbare middelen ook voor deze personen toegankelijk en bruikbaar te maken, zoals door middel van lage vloerbussen;
  • door een speciaal systeem op te zetten, bijvoorbeeld door een collectief systeem dat van deur tot deur vervoer biedt;
  • of door specifieke voorzieningen beschikbaar te stellen, zoals auto aanpassingen of scootmobielen.

Iedereen heeft vervoerskosten. Een vervoersvoorziening in het kader van de Wmo externe site is bedoeld voor de meerkosten die een persoon met beperkingen heeft voor vervoer ten opzichte van een inwoner die geen beperkingen ervaart. Het resultaat is dat mensen met beperkingen zich, net als iedereen, lokaal kunnen verplaatsen. Onder lokaal wordt de directe woon- en leefomgeving verstaan: maximaal 15 kilometer vanaf het woonadres en 5 openbaar vervoerzones.

Vervoersbehoeften bestaan echter ook buiten de directe woon- en leefomgeving. Bij de resultaatsverplichting van de gemeente hoort daarom ook dat het lokale vervoer aansluiting biedt op systemen die boven-regionaal vervoer bieden. Voor wie daar (evt. onder begeleiding) gebruik van kan maken is dat het reguliere openbaar vervoer, zoals bijvoorbeeld de spoorwegen. Voor anderen die niet van de trein gebruik kunnen maken kan dat Valys zijn. Concreet betekent dit dat een station van NS met dienstverlening bereikbaar moet zijn en dat de omvang van het gemeentelijk systeem afgestemd moet zijn op de mogelijkheden van Valys. Zie hoofdstuk 1 voor meer informatie over Valys als aangrenzende voorziening voor bovenregionaal vervoer.

Het niet aanwezig zijn of slecht bereikbaar zijn van het openbaar vervoer vanuit de woning van belanghebbende is geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Men is immers vrij om te gaan wonen waar men wil.

Mobiliteitsbeperkingen

Mobiliteit kan een belangrijke voorwaarde zijn voor het participeren in de samenleving. Wanneer een persoon ten gevolge van beperkingen minder mogelijkheden heeft om zich te verplaatsen, wordt zijn mobiliteit minder. Of de mobiliteitsbeperking een probleem is voor deelname aan de samenleving hangt af van de verhouding tussen zijn verplaatsingsbehoefte en de verplaatsingsmogelijkheden van de persoon.

Bij psychische problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) is in eerste instantie een therapie voorliggend waardoor de angst/blokkade opgeheven kan worden. Indien het probleem therapeutisch echter niet opgelost kan worden kan een vervoersvoorziening verstrekt worden.

Verplaatsingsgedrag

De Wmo consulent, stelt vast op welke gebieden de belanghebbende problemen ondervindt in het vervullen van zijn vervoersbehoefte. Dit kan per persoon verschillen en wordt daarom individueel in kaart gebracht. Vervoersproblemen met alleen een sociale of financiële achtergrond én het ontbreken van openbaar vervoer, vallen niet onder de Wmo externe site. Het moet immers gaan om beperkingen bij het vervoer.

Om tot een juiste probleemstelling te komen zijn gegevens nodig over het verplaatsingsgedrag.

Het verplaatsingsgedrag kan omschreven worden door:

  • 1. het verplaatsingsmotief (waarom)
  • 2. de verplaatsingsbestemming (waarheen)
  • 3. de frequentie (hoe vaak)
  • 4. de wijze van verplaatsen (hoe verplaatst men zich)

De Wmo consulent stelt vast of het motief onder de compensatie van de gemeente valt en zo ja, op grond van de bestemming en frequentie, met welke wijze van verplaatsen, het probleem verminderd kan worden.

Bij het bepalen van de vervoersbehoefte gaat het niet om de vraag hoe vaak de cliënt een bepaalde bestemming wil kunnen bereiken, maar hoe vaak hij bestemmingen moet kunnen bereiken om deel te nemen aan het leven van alle dag en om de wezenlijke contacten die daarvan deel uit maken te kunnen onderhouden. Daarnaast is het van belang hoe belanghebbende zich tot nu toe heeft gered en wat hij daarbij als belemmeringen heeft ondervonden.

Er moet er altijd sprake zijn van een combinatie van bestemmingen. Het gaat om verplaatsingspatronen, niet om incidentele verplaatsingen. Bij het bepalen van de hoogte van het Pgb wordt rekening gehouden met onverwachte en incidentele verplaatsingen.

Vervoersbehoefte

De verstrekte (combinatie van) vervoersvoorziening (-en) dient de belanghebbende in staat te stellen in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden in de directe woon- en leefomgeving en deel te nemen aan het leven van alledag. Hoeveel kilometers dat zijn en hoe vaak iemand zich moet kunnen verplaatsen is onder andere afhankelijk van de lokale omstandigheden. Daarbij zijn van belang de aard en omvang van het gemeentelijke grondgebied, de omringende regio, de bereikbaarheid van winkels, sociale contacten en openbare en andere activiteiten en voorzieningen. Er moet eveneens rekening worden gehouden met het recreatief vervoer als onderdeel van het totale verplaatsingsgedrag.

De normale dagelijkse verplaatsingen zijn afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden. Ook bezoek aan huisarts, specialist of therapeut wordt meegenomen. Het gaat hier om regulier bezoek, dat als volgt wordt gedefinieerd:

  • Huisarts 4 maal per jaar
  • Fysiotherapie of andere therapie 9 maal per jaar

Specialistenbezoek 4 maal per jaar. Voor 4 doelgroepen is hier sprake van een voorliggende voorziening. Zie Afbakening met de Regeling Ziekenvervoer Ziekenfondswet.

Jurisprudentie schrijft voor dat de vervoersvoorziening minimaal 1500 km per jaar verplaatsing mogelijk moet maken, met een bandbreedte tot 2000 km in gemotiveerde gevallen. Dit kan ook gerealiseerd worden door een combinatie van vervoersvoorzieningen. Indien een persoon beschikt over een vervoersvoorziening waarmee de korte en middellange afstanden worden overbrugd, zoals een scootmobiel, kan daarmee de helft van de 1500 km worden afgelegd. Aanvullend op de scootmobiel kan een Pgb worden verstrekt voor het afleggen van de langere afstanden met ander vervoer zoals regiotaxi. Bij berekening van het Pgb wordt ook rekening gehouden met vervoer over de middellange afstanden bij slecht weer. Het gebruik van een voorziening als een scootmobiel is dan immers niet gebruikelijk en ook niet wenselijk vanwege de gevoeligheid van het apparaat voor vocht.

Rol partner en overige gezinsleden

Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening moet het rolpatroon van de aanvrager en zijn partner en overige gezinsleden meegenomen worden. Hoe is de verdeling van de taken nu, met welk doel wordt een vervoersvoorziening aangevraagd? Uitgangspunt is dat de cliënt zelfstandig kan functioneren en een zelfstandige vervoersbehoefte heeft. Met name bij het taxivervoer is dit van belang. Van een gezin mag bijvoorbeeld bij gelijke vervoersbestemmingen worden verlangd dat zij rekening houden met de beperkingen die dit vervoer met zich meebrengt.

Bezoek aan familie en kennissen

Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van de familie om de cliënt te bezoeken en met andere communicatiemogelijkheden. Het uitgangspunt is de situatie van de persoon met beperkingen. De frequentie van het bezoek is individueel bepaald, doch in beginsel niet bepalend voor de vervoersvoorziening.

Vrijwilligerswerk

In principe valt een vervoersvoorziening in verband met het uitoefenen van (georganiseerd) vrijwilligerswerk niet onder de Wmo externe site. In eerste instantie moet de instelling zelf voor een vergoeding in de vervoerskosten zorgen. Wanneer de instelling geen vergoeding geeft voor het werk of geen vervoerskosten vergoedt en men heeft een vervoersprobleem als gevolg van beperkingen, dan kan in uitzonderingsituaties een vervoersvoorziening worden toegekend.

Autovergoeding

Bij de beoordeling van een aanvraag voor een autovergoeding maakt de gemeente de afweging of het autogebruik voortkomt uit de activiteit of de beperking. Als de reden van de aanvraag gelegen is in de activiteit zoals bedoeld, kan de cliënt worden verwezen naar het gemeentelijk (bijzonder) bijstandsbeleid. Wanneer bijvoorbeeld het autogebruik voortkomt uit de beperkingen van de cliënt, moet het belang van het gebruik van de auto worden afgewogen. Wat is de mate van ingrijpen in het sociale leven van de betrokkene, wanneer deze niet meer over een auto kan beschikken en zich anderszins bijvoorbeeld met de regiotaxi gaat verplaatsen. Ook hier speelt de combinatie van bestemmingen een rol.

Bewoners van een AWBZ-instelling

Bewoners van een AWBZ-instelling hebben in de regel een kleinere zelfstandige vervoersbehoefte voor het ‘leven van alledag’ dan andere inwoners van de gemeente. Er worden bijvoorbeeld minder boodschappen gedaan indien men gebruik maakt van maaltijdvoorziening van de instelling. Op het instellingsterrein kunnen voorzieningen aanwezig zijn zoals de kapper en mogelijkheden voor recreatie. Mensen met verstandelijke beperkingen (en ook inwoners van de gemeente met een zzp- of vpt-indicatie om een andere reden dan een verstandelijke beperking) wonen echter in toenemende mate in ‘gewone’ wijken in de gemeente. Daarnaast kan het boodschappen doen elders dan bij de winkel op het instellingsterrein een functie hebben in de zin van sociale contacten. Dat maakt dat de verplaatsingen van deze groep inwoners in het kader van het leven van alledag de laatste jaren is toegenomen.

Sociale contacten Verstandelijk beperkte inwoners

Verstandelijk beperkte inwoners kunnen een specifieke vervoersbehoefte hebben waar het bezoek aan ouders, familie en kennissen betreft. In principe vergoedt de gemeente alleen lokaal vervoer. Bij een aanvraag voor een vervoersvoorziening waarbij geldt dat het hoofdverblijf en de directe woonomgeving zijn gelegen bij de woonvorm, valt het vervoer buiten deze regio (dus ook het zogenaamde weekendvervoer naar het ouderlijk huis) in principe niet onder de compensatieplicht van de gemeente tenzij

  • er sprake is van dusdanig wezenlijke -uitsluitend door persoonlijk bezoek te onderhouden- contacten, dat zonder die contacten een sociaal isolement ontstaat;
  • er bijzondere omstandigheden zijn waardoor ouders hun kind niet kunnen bezoeken, zoals een slechte gezondheid waardoor men moeilijk of niet kan reizen. In sommige gevallen kan de ouder een vervoerskostenvoorziening aanvragen bij de eigen gemeente. Daarnaast is Valys voorliggend als het om bovenregionale vervoer gaat (zie in Hoofdstuk 1 bij Voorliggende voorzieningen).

Bepalend voor het beoordelen van de aanvraag is de psychosociale betekenis van het weekendbezoek aan ouders en familie. Wanneer dit de betekenis heeft van naar huis gaan, dient dit anders gewogen te worden dan wanneer het ervaren wordt als op bezoek gaan. Er dient ook te worden onderzocht in hoeverre ouders invloed hadden op de vestigingsplaats van het kind.

Als de ouders naar het kind kunnen komen, en dit bezoek aan de instelling is een gelijkwaardig alternatief (denk bijvoorbeeld aan privacy), dan hoeft met een bovenregionale vervoersbehoefte in beginsel geen rekening te worden gehouden. Er dreigt dan immers geen vereenzaming.

Voor wat betreft de frequentie van bezoek aan ouders wordt uitgegaan van 12-18 keer per jaar. De andere weken kunnen de ouders het kind bezoeken.

Er is een voorliggende voorziening namelijk belastingaftrek mogelijk voor vervoerskosten voor het halen

en brengen van ernstig verstandelijk beperkten. Zie hoofdstuk 1 bij ‘Voorliggende voorzieningen’.

Recreatie vanaf het ouderlijk huis

Recreatief vervoer van verstandelijk beperkte mensen vanuit het ouderlijke huis valt niet onder de Wmo externe site. Kosten voor vakantievervoer maakt iedereen. Bovendien is dit bovenregionaal vervoer.

Begeleiding

Begeleiding bij maatschappelijke participatie is sinds 1-1-2009 totaal ondergebracht in de Wmo externe site.

Het is op zich gebruikelijk dat ouders kosten hebben voor vervoer naar hun kinderen. De NS geeft een OV begeleiderskaart uit op naam van degene die begeleiding nodig heeft. Zie ook hoofdstuk 1 ‘Voorliggende voorzieningen’. Of er extra vervoerskosten voor begeleiding worden gemaakt hangt af van de begeleider. Maakt een begeleider twee keer dezelfde reis met retour om een cliënt te brengen en later weer op te halen, dan is er wel sprake van meerkosten. De helft van deze reizen kan immers geen gebruik worden gemaakt van de begeleiderspas.

Daarnaast kan het vervoersprobleem ook bestaan uit (gebrek aan) fysieke begeleiding bij gebruik van het openbaar vervoer. Dit wordt bij voorkeur opgelost door gebruik te maken van familie, mantelzorg of door een vrijwilliger in te zetten. Mogelijk kan in deze gevallen wel zelfstandig gebruik worden gemaakt van de Regiotaxi.

Vormen van vervoersvoorzieningen (Artikel 5:1)

Een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening (Art. 5:1 lid a)

Regiotaxi

Een belangrijke oorzaak van mobiliteitsproblemen is dat het reguliere openbaar vervoer onvoldoende toegankelijk of niet bereikbaar is voor mensen met beperkingen. De afstand tot een bushalte of treinstation is veelal te groot (aanvrager kan niet verder lopen dan 800 meter in 20 minuten. De afstand van 800 meter is gebaseerd op de haltedichtheid van het openbaar vervoer in stedelijk gebied) of de instap en het gebruik van de bus of trein levert problemen op.

Het reguliere openbaar vervoer wordt steeds beter toegankelijk voor mensen met beperkingen door haltes en bussen aan te passen. De regiotaxi biedt een oplossing voor die mensen die gezien de toegankelijkheid en bereikbaarheid geen gebruik kunnen maken van het gewone openbaar vervoer voor de langere afstanden.

De Regiotaxi is een collectieve vervoersvoorziening, dat wil zeggen collectief georganiseerd. De Regiotaxi wordt wel op individuele basis toegekend. Regiotaxi Haaglanden is een vorm van openbaar vervoer binnen het stadsgewest Haaglanden, voor iedereen beschikbaar, maar speciaal ingericht voor reizigers met een mobiliteitsbeperking. De voertuigen zijn toegankelijk voor rolstoelen, scootmobielen, en rollators. De Regiotaxi Haaglanden vervoert van deur tot deur. De prijs ligt tussen die van het gewone openbaar vervoer en de taxi.

Soorten individuele vervoersvoorzieningen in natura (Artikel 5:2 )

Er kunnen een aantal andere verplaatsingsmiddelen voor de korte en middellange afstand verstrekt worden al dan niet in combinatie met een Pgb voor het gebruik van een vervoermiddel.

Een al dan niet aangepaste bruikleenauto (Artikel 5:2 lid a)

De bruikleenauto wordt alleen verstrekt indien een auto voor de persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk is en geen enkele andere vervoersvoorziening (bijvoorbeeld inzetten van een huurauto) een oplossing biedt voor het vervoersprobleem voor het dagelijkse leven.

Hierbij kan gedacht worden aan mensen, die:

  • tijdens het reizen specifieke zorg nodig hebben van personen en/of apparatuur, die niet verstrekt kan worden tijdens het collectief vervoer; of
  • door een taxichauffeur in redelijkheid geweigerd zouden kunnen worden; of
  • door zodanig ernstige zitproblemen niet in een (rolstoel)taxi plaats kunnen nemen.

Een auto wordt in bruikleen verstrekt inclusief de bijbehorende verzekeringen en noodzakelijke aanpassingen. Bij de verstrekking van een bruikleenauto uitgegaan van het normbedrag referentieauto (aanschafbedrag incl. BTW) in de regeling Normbedragen arbeidsongeschiktheidswetten.

Dit normbedrag is inclusief de als algemeen gebruikelijk geachte faciliteiten in een auto en exclusief de individuele aanpassingen. De keuze van aanschaf is, naast hetgeen staat vermeld in het programma van eisen, vrij voor de gebruiker.

Een al dan niet aangepaste gesloten motorische buitenwagen (Art. 5: 2 lid b)

Een gesloten buitenwagen is een specifiek invalidenvoertuig. Het moet op grond van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV, 1990) aan bepaalde eisen voldoen.

De gesloten buitenwagen kan een adequate voorziening zijn indien een scootmobiel dan wel een Pgb voor het gebruik van de eigen auto c.q. taxi niet of onvoldoende adequaat is.

Een open motorische buitenwagen dan wel een scootermobiel (Art. 5:2 lid c)

In de regel wordt een scootmobiel verstrekt als de mogelijkheid tot verplaatsen, ook met het gebruik van een loophulpmiddel (wandelstok, rollator), een (handbewogen) rolstoel, of een fiets (met hulpmotor) of brommer beperkt is tot korte afstanden.

Scootmobielstalling

De gemeente moet een verantwoorde voorziening verstrekken. Dit betekent dat naast het adequaat gebruik van een scootmobiel, ook de stalling op een adequate wijze moet plaatsvinden. Als er geen stallingmogelijkheden zijn en niet tegen reële kosten gerealiseerd kunnen worden, wordt er geen scootmobiel verstrekt.

Accessoires en aanpassingen

Accessoires en aanpassingen worden vergoed als die praktisch zijn voor het gebruik van de verstrekking en:

  • - medisch noodzakelijk zijn;
  • - niet algemeen gebruikelijk zijn;
  • - noodzakelijk zijn voor een duurzaam of veilig gebruik.

Rijlessen

Mocht er twijfel bestaan over de rijvaardigheid, dan kunnen maximaal vijf rijlessen worden toegekend. Mocht dan nog blijken dat iemand niet op een adequate manier kan deelnemen aan het verkeer met de scootmobiel, dan wordt de scootmobiel niet verstrekt.

Een ander verplaatsingsmiddel (Art. 5:2 lid d)

Het meest gebruikelijke verplaatsingsmiddel is de fiets. De fiets wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd [6]. Om deze reden komt een fiets, een verlaagde fiets [7], een fiets met hulpmotor of een bromfiets niet voor verstrekking in aanmerking tenzij het vervoermiddel voor de persoon van de aanvrager niet algemeen gebruikelijk is. Voor bijzondere fietsen zoals driewielfietsen, vierwielfietsen, tandem, rolstoelfiets of een handbike is het afhankelijk van de individuele situatie van de persoon, of er sprake is van algemeen gebruikelijk.

Autozitjes en fietszitjes

Voor kinderen met beperkingen zijn er speciale zitjes voor in de auto of op de fiets. Deze voorzieningen maken het vervoer van kinderen met beperkingen vanaf 4 jaar op een verantwoorde wijze mogelijk en vallen om die reden onder de vervoersvoorzieningen.

Het recht op een vervoersvoorziening (Artikel 5:4)

Primaat collectief vervoer (Art. 5:4 lid 2)

Primaat vervoer wil zeggen dat aanvragers van een vervoersvoorziening in eerste instantie een indicatie krijgen voor gebruik van de Regiotaxi als zijnde de goedkoopste adequate oplossing. De gemeente hanteert op dit moment het primaat collectief vervoer nog niet. Aanvragers van een individuele vervoersvoorziening krijgen een Pgb, waarmee ze met vervoer naar eigen keus kunnen reizen, dus ook met de Regiotaxi.

Het Pgb dat mensen krijgen is gebaseerd op hun vervoersbehoefte en op de kosten van de Regiotaxi.

Inkomensgrens (Artikel 5:4 lid 4)

In het kader van de Wmo externe site kan een inkomensgrens worden gehanteerd, hetgeen inhoudt dat in situaties waarin het inkomen hoger is dan de gestelde norm, de gevraagde voorziening niet wordt verstrekt. Conform artikel 5:4 lid 4 van de Verordening wordt een inkomenstoets gehanteerd bij het verstrekken van de volgende vervoersvoorzieningen:

(tegemoetkoming of een vergoeding in de kosten)

  • - Gebruik van een bruikleen auto;
  • - Gebruik van een taxi of eigen auto
  • - Gebruik van een rolstoeltaxi;
  • - Aanschaf of gebruik van een ander verplaatsingsmiddel.

De achterliggende gedachte, conform artikel 4 lid 2 van de Wmo externe site, is dat de aanvrager met een inkomen boven deze norm, zelf in staat wordt geacht de meerkosten van het vervoer, als gevolg van de beperkingen, te betalen.

Vervoersbehoefte kinderen met een beperking (Art. 5:4 lid 5)

Er bestaat een duidelijke relatie tussen de leeftijd van een belanghebbende en diens verplaatsingsgedrag. Wanneer het tegendeel niet uitdrukkelijk blijkt worden de volgende uitgangspunten gehanteerd voor het verstrekken van een Pgb voor vervoerskosten aan kinderen:

  • - Kinderen jonger dan 5 jaar hebben geen zelfstandig verplaatsingsgedrag en een geringe individuele vervoersbehoefte. Verder zullen vervoersproblemen voor deze leeftijdsgroep, voor zover ze betrekking hebben op begeleiding, niet zodanig afwijkend zijn van de vervoersproblemen van niet-beperkte leeftijdsgenoten dat er aanleiding is voor een voorziening. Uitzonderingen worden individueel beoordeeld. Er zijn bijvoorbeeld kinderen jonger dan 4 jaar die vanwege de speciale wandelwagen of rolstoel niet met het openbaar vervoer mee kunnen.
  • - Kinderen van 5 tot en met 11 jaar hebben geen zelfstandig verplaatsingsgedrag maar wel in toenemende mate een individuele vervoersbehoefte voor deelname aan het maatschappelijk verkeer (dit is verplaatsingsgedrag naast het reguliere woon-schoolverkeer). Ook hier geldt dat het vervoersprobleem afwijkend moet zijn ten opzichte van vervoersproblemen van niet-beperkte leeftijdsgenoten om in aanmerking te komen voor een Pgb
  • - Kinderen van 12 jaar en ouder vertonen over het algemeen een zelfstandig verplaatsingsgedrag. De verplaatsingen spelen zich veelal af binnen de mogelijkheden van de fietsafstand of openbaar vervoer. Vanaf de volwassen leeftijd van 18 jaar komt het vervoerspatroon van zelfstandig rijden met een auto in beeld. Bij deze leeftijdsgroep kan sprake zijn van een individueel vervoersprobleem.

Bovenregionale vervoersbehoefte (Art. 5:4 lid 6)

Een aanvrager kan een bovenmatig verplaatsingspatroon hebben als gevolg van de wens om veel te reizen. Dit hoeft geen aanleiding te zijn om een individuele tegemoetkoming in de vervoerskosten voor het zogenaamd bovenregionaal vervoer toe te kennen. Voor iedereen die er voor kiest om familie op grote afstand frequent te bezoeken, zal dit aanzienlijke vervoerskosten met zich mee brengen. Men kan er ook voor kiezen minder frequent op bezoek te gaan. Het is een eigen keus. De Wmo externe site hoeft hiervoor geen voorziening te bieden. Tenzij er sprake is van dusdanig wezenlijke (uitsluitend door persoonlijk bezoek te handhaven) bovenregionale contacten, dat betrokkene bij het wegvallen daarvan, in een sociaal isolement zou geraken. Zolang de ander bij de aanvrager op bezoek kan komen wordt er niet gesproken over een dreigende vereenzaming.

Vaststelling Persoonsgebonden budget en eigen aandeel (Artikel 5:5 lid 1)

Regiotaxi goedkoopst adequate oplossing

De regiotaxi wordt gezien als de goedkoopst adequate oplossing bij vervoersproblemen over de langere afstanden. Het tarief van de Regiotaxi minus het tarief openbaar vervoer, gekoppeld aan het verplaatsingspatroon is richtinggevend voor het bepalen van de hoogte van het Pgb voor een vervoersvoorziening.

Weigering van vervoersvoorzieningen door aanvrager

Wanneer de gemeente een voorziening voorstelt en de aanvrager weigert, zonder medische of andere steekhoudende bezwaren, is de gemeente niet verplicht om een andere voorziening te verstrekken. Het kan een alternatief zijn om de voorgestelde voorziening om te zetten in een Pgb, waarna de aanvrager de meerkosten voor haar rekening neemt. Als voorbeeld kan genoemd worden de wens van een aanvrager voor een snellere scootmobiel, terwijl daar geen noodzaak in het kader van de Wmo externe site voor is.

Hfst. 6 Verplaatsen in en rond de woning

Inleiding

Ter compensatie van de beperkingen van een persoon als bedoeld in de Wmo externe site treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen zich te verplaatsen in en om de woning, al dan niet met hulp van anderen.

Verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen plaatsvinden: met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel, of met een rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel onder de Wmo externe site. De andere voorzieningen vallen onder andere wettelijke regelingen (zie hoofdstuk 1 bij ‘Voorliggende voorzieningen’) en zijn daarom op grond van artikel 2 Wmo externe site uitgesloten.

Soorten rolstoelvoorzieningen (Artikel 6:2)

Een rolstoelvoorziening kan de vorm hebben van een rolstoel voor verplaatsing binnen de woonruimte, dan wel binnen en buiten de woonruimte, dan wel een aanpassing aan de rolstoel (Artikel 6:2a)

Rolstoelen zijn onder te verdelen in 3 soorten

1. Handbewogen rolstoelen

Een voorziening die tot doel heeft de ergonomische belemmeringen ondervonden bij het verplaatsen in en om de woning op te heffen of te verminderen. De rolstoel kan voortbe¬wogen worden door de aanvrager of door een ander persoon geduwd worden.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen duwwandelwagens of zelfbewegers. De zelfbeweger is in principe de eerste keus omdat deze als de goedkoopste voorziening wordt beschouwd (beter herinzetbaar bijvoorbeeld). De toekenningscriteria zijn voor beide voorzieningen gelijk, alleen in specifieke gevallen kan de duwwandelwagen een betere oplossing zijn.

2. Elektrische aangedreven rolstoelen

Elektrisch aangedreven rolstoelen zijn voor het sturen en rijden meestal voorzien van een zogenaamde joystick besturing (een pookje dat in vier richtingen verplaatsbaar is om rijbeweging en snelheid te bepalen).

Het eerste gebruiksdoel voor deze rolstoel is bijna altijd de verplaatsing binnenshuis. Een elektrische rolstoel kan ook buiten de woning worden gebruikt. De elektrische rolstoel biedt buitenshuis een oplossing voor de verplaatsingsbehoefte binnen een straal van 300 meter rondom de woning.

3. Rolstoelvoorzieningen voor kinderen

De algemene uitgangspunten bij de selectie van een rolstoel zijn ook van toepassing op de kinderrolstoelen. Voor kinderrolstoelen geldt in nog hogere mate dan voor rolstoelen voor volwassenen dat de selectie zorgvuldig moet gebeuren. Omdat kinderen groeien is het aan te bevelen de rolstoelen zodanig te selecteren dat deze niet jaarlijks vervangen hoeft te worden.

Onder rolstoelvoorzieningen voor kinderen vallen buggy’s en wandelwagens (aangepast), zitondersteuningselementen, speelvoertuigen en sta-zitrolstoelen.

Onderhoud en reparatie van de rolstoel (Artikel 6:2 lid b)

De kosten voor onderhoud, keuring en reparatie van een rolstoel die door de gemeente is verstrekt worden geheel via de Wmo externe site vergoed. Dit geldt overigens niet voor sportrolstoelen.

De reparatiekosten ten gevolge van schade door verwijtbaar gedrag van de gebruiker of zijn gezinsleden, worden niet via de Wmo externe site vergoed. Deze kosten komen voor rekening van de gebruiker.

Het soort onderhoud en de kosten van dit onderhoud varieert per type rolstoel. Bij onderhoud en reparatie van handbewogen rolstoelen moet gedacht worden aan het vervangen van versleten banden of bekleding (bijvoorbeeld armleuningen), maar ook mankementen aan remmen en frame. Bij elektrische rolstoelen gaat het ook om zaken als het verhelpen van elektrische storingen en onderhoud van de motor.. De belanghebbende wendt zich tot de leverancier voor onderhoudsbeurten en reparaties.

Verzekering

De elektrische rolstoelen en scootmobielen zijn via de gemeente WA verzekerd. De gebruiker dient zelf de rolstoel te verzekeren tegen diefstal en brand (via de inboedelverzekering).

Accessoires, noodzakelijk voor een adequaat gebruik van de rolstoel (Arikel 6:2 lid c)

Accessoires zijn extra’s die, in tegenstelling tot aanpassingen, niet noodzakelijk zijn om de rolstoel een adequate voorziening te laten zijn. Tot accessoires worden middelen gerekend als rolstoelhandschoenen, bandenpomp, regenpakken, bagagetas of boodschappennet dat aan de rolstoel bevestigd kan worden, been- en voetenzak, schootskleed, winterbekleding, asbak, overtrekhoezen om de rolstoel tegen neerslag te beschermen, spaakbeschermers, zonneschermen voor buggy’s en duwwandelwagens. Deze voorzieningen worden in beginsel niet vergoed in het kader van de Wmo externe site.

Alleen die accessoires worden vergoed die

functioneel zijn voor het gebruik van de verstrekking;

medisch noodzakelijk zijn om zich te kunnen verplaatsen in de rolstoel;

noodzakelijk zijn voor een duurzaam en veilig gebruik.

Het gaat hierbij vaak om spiegels of stokhouders.

Het recht op een sportrolstoel (Artikel 6:3 lid 2)

De marathon- of sprintrolstoel, de basketbalrolstoel en de tennisrolstoel zijn specifiek voor sportbeoefening door mensen met beperkingen ontwikkeld. Om te voorkomen dat een sportrolstoel wordt aangeschaft die na enkele keren sporten op zolder terechtkomt, moet men aan kunnen tonen dat men frequent de sport beoefent of gaat beoefenen.

Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners (Artikel 6:6)

Artikel 2 van de Wmo externe site stelt dat geen recht bestaat op een voorziening als er een andere (wettelijke of privaatrechtelijke) regeling is die voorziet in een oplossing. Bewoners van een AWBZ-instelling komen slechts voor een rolstoel in aanmerking indien zij vanuit de AWBZ externe site geen rolstoel krijgen. Hiervan is sprake als artikel 15 van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ externe site van toepassing is.

Artikel 15 Besluit Zorgaanspraken externe site luidt:

“1. Voor zover gepaard gaande met verblijf in dezelfde instelling, omvat de zorg, bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14 tevens:

geneeskundige zorg van algemeen medische aard, niet zijnde paramedische zorg;

farmaceutische zorg;

hulpmiddelen, noodzakelijk in verband met de in de instelling gegeven zorg;

tandheelkundige zorg;

kleding, verband houdende met het karakter en de doelstelling van de instelling;

Het individueel gebruik van een rolstoel

De zorg, bedoeld in het eerste lid, aanhef, omvat niet het verkrijgen van onderwijs, kleedgeld en zakgeld.” En de zorg als bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14 bestaat uit: de functie behandeling, ziekenhuiszorg en revalidatiezorg.

Dit betekent dat de combinatie verblijf en behandeling, verblijf en ziekenhuiszorg en verblijf en revalidatiezorg mits ontvangen in dezelfde instelling als verblijf, reden is om o.a. een rolstoel uit de AWBZ externe site te ontvangen. Wie in een ziekenhuis of revalidatiecentrum bezig is terug te keren naar huis zal uiteraard een rolstoel aanvragen in het kader van de Wmo externe site.

Steeds meer zorg wordt aan huis geleverd in plaats van dat mensen naar een instelling verhuizen (zogenaamde extramuralisering). Hierdoor zijn er steeds meer voorzieningen ontstaan waarbij het niet zonder meer duidelijk is of er sprake is van een toegelaten AWBZ-instelling voor behandeling en verblijf. In die situaties zal moeten worden nagegaan of op betrokken persoon één of meer onderdelen van de werking van artikel 15 Besluit Zorgaanspraken externe site van toepassing is. Hiernaar kan geïnformeerd worden bij de zorgaanbieder of bij het zorgkantoor.

Uitzondering

Als men de dubbele indicatie heeft voor Verblijf én Behandeling, maar nog niet kan worden opgenomen, ontstaat er een overgangssituatie voor wat betreft de rolstoelverstrekking. Mocht in een dergelijke situatie een rolstoel worden aangevraagd, dan kan het beste in overleg met het zorgkantoor een regeling worden getroffen omtrent de overname c.q. kostenverdeling, want de aanvraag valt op zich –formeel- nog onder de Wmo externe site - maar waarschijnlijk voor korte duur.

Uitgangspunt is dat de cliënt niet de dupe mag worden van de overgangssituatie.

Rolstoeltraining (Artikel 6:7)

Rolstoeltraining kan deel uit maken van de verstrekking van elektrische rolstoelen voor buitengebruik. Bij aflevering van een rolstoel geeft de leverancier instructies voor het gebruik. Bij uitzondering vergoedt de gemeente rolstoeltraining ter bevordering van een veilig en duurzaam gebruik van de rolstoel. De gebruiker kan vijf gewenningslessen volgen bij een revalidatiecentrum. Blijkt dat iemand na vijf lessen niet op een adequate manier gebruik kan maken van een elektrische rolstoel, wordt de indicatie voor deze voorziening ingetrokken.

[1] Denk aan woongroepen, kamerverhuur, hat-eenheden, meerdere generaties in een huis.

Terug naar de verwijzing naar voetnoot [1] in de tekst

[2] De minimale eis zoals die in het Bouwbesluit externe site staat vermeld is de volgende; minimale hoogte van betegeling van een natte cel bedraagt 1,20 meter, waarbij over een afstand van 3 meter, een hoogte van 2,10 meter gehanteerd moet worden. De afstand van 3 meter wordt gehanteerd voor de functie van bgad of douche.

Terug naar de verwijzing naar voetnoot [2] in de tekst

[3] Percentage geldt als een reële aanname als aanzienlijk vermogensverlies.

Terug naar de verwijzing naar voetnoot [3] in de tekst

[4] Indien een woonvorm geen AWBZ-gefinancierde instelling is, kan de bewoner niet in aanmerking komen voor de voorziening 'bezoekbaar maken'.

Terug naar de verwijzing naar voetnoot [4] in de tekst

[5] Onder 'gemakkelijker' wordt hier verstaan: eenvoudig aan te passen om de woning adequaat te maken.

Terug naar de verwijzing naar voetnoot [5] in de tekst

[6] Het normbedrag voor een tweewielfiets bedraagt voor een volwassenfiets € 300,- en voor een kinderfiets € 150,-.

Terug naar de verwijzing naar voetnoot [6] in de tekst

[7] Een verlaagde fiets is momenteel normaal in de handel verkrijgbaar en is niet meer specifiek voor mensen met beperkingen onderworpen. Het richt zich op een bredere doelgroep. Hierdoor kan echter wel de extra verlaagde fiets in het kader van de Wmo vergoed worden.

Terug naar de verwijzing naar voetnoot [7] in de tekst

Sla de sitenavigatie over en ga naar de hoofdinhoud »
Terug naar boven Terug naar boven