U bent hier: Regelingen » Bouwverordening Pijnacker Nootdorp 2007 » 20-12-2007
Sla de hoofdinhoud over en ga naar de voetregel »Bouwverordening Pijnacker-Nootdorp 2007
Versie geldig vanaf 20-12-2007 tot 01-10-2010.
Een nieuwe versie van deze regeling is in werking getreden op 01-10-2010.
Wetstechnische informatie
Gegevens van de regeling
| Overheidsorganisatie | gemeente Pijnacker-Nootdorp |
|---|---|
| Officiële naam van de regeling | Bouwverordening Pijnacker-Nootdorp 2007 |
| Citeertitel | Bouwverordening Pijnacker-Nootdorp 2007 |
| Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld) |
01-10-2010 |
| Vastgesteld door | gemeenteraad |
| Onderwerp | volkshuisvesting en woningbouw |
Opmerkingen m.b.t. de regeling
Deze verordening komt in de plaats van de Bouwverordening Pijnacker-Nootdorp 2003 (19 december 2002, nr. 2002.14997)
Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)
De verordening bevat bijlagen bij de artt. 6.1.1, 6.1.2., 6.2.1, 6.2.2, 6.2.3, 2.7.6, 1.3, 2.6.1, 2.6.5, 2.6.8, 2,5.30 en het Reglement op de welstandscommissie.-
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
| Datum inwerkingtreding |
Terugwerkende kracht t/m |
Betreft | Datum ondertekening Bron bekendmaking |
Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
| 01-10-2010 | Tweede wijziging: artt. 1.1, 2.1.5, 2.2.6, 2.4.1, 2.4.2, 2.5.2, 2.5.3, 2.5.15 tot en met 2.5.19, 2.5.30, 2.7.3 tot en met 2.7.6, 4.1, 4.2, 4.4, 4.5, 4.10, 4.12, 4.14, 5.1.2, 5.3.3, 5.3.4, hoofdstuk 6, 7.1.2, 7.2.1, 7.2.2, 7.3.1, 7.3.2, 7.5.1, 7.6.1, 8.1.1, 8.1.2 tot en met 8.1.7, 8.2.1, 8.2.2, 8.3.2, 8.3.3, 8.3.4, 9.1, 9.5 tot en met 9.9, 10.1, 10.3, 10.6 en 12.6 en de bijlagen 1, 2, 3, 3A, 4, 5,7, 10, 11, 12, A en 13 | 24-06-2010 Telstar, 11-08-2010 |
2010.06805d | |
| 20-12-2007 | 1e wijziging: artt. 1.1, 2.1.5, 2.4.2, 2.5.5 t/m 2.5.14, 2.5.20 t/m 2.5.29, 4.2, 4.12, 4.14, 6.13, 6.14, 7.2.3, 8.1.1, 8.1.3, 8.2.1, 8.3.2, 10.1, 10.2, 10.3, 10.5, 11.1 t/m 11.3, 12.1 en 12.6 | 29-11-2007 Telstar, 12-12-2007 |
2007.13160 |
Hoofdstuk 1 inleidende bepalingen
Artikel 1.1: begripsomschrijvingen
1. In deze verordening wordt verstaan onder:
asbest
- - hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005

Besluit indieningsvereisten
- - het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning
als bedoeld in artikel 40a, eerste lid
en 57, tweede en derde lid van de Woningwet 
Besluit bouwwerken
- - het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken
als bedoeld in artikel 43, eerste lid onder c
en artikel 44, tweede lid van de Woningwet 
Bouwbesluit
- - de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet
;
bouwtoezicht
- - degenen, die ingevolge artikel 100a, eerste lid, Woningwet
belast zijn met het bouw en woningtoezicht;
bouwwerk
- - elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;
deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8
- - hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6 eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005
.
gebruiksoppervlakte
- - de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit

hoogte van de weg
- - de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;
NEN
- - een door de Stichting Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven norm;
NVN
- - een door de Stichting Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven voornorm;
straatpeil
- a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
- b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
weg
- - alle voor het openbaar rij of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.
2. In deze verordening wordt mede verstaan onder:
bouwwerk
- - een gedeelte van een bouwwerk;
gebouw
- - een gedeelte van een gebouw.
Artikel 1.2: termijnen
vervallen
Artikel 1.3: indeling van het gebied van de gemeente
- 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente:
- a. het gebied binnen de bebouwde kom;
- b. het gebied buiten de bebouwde kom.
- 2. Als gebieden, bedoeld in het vorige lid, gelden de gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig zijn aangegeven.
Hoofdstuk 2 de aanvraag bouwvergunning
Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden
Artikel 2.1.1: aanvraag bouwvergunning
vervallen
Artikel 2.1.2: in de aanvraag op te nemen gegevens
vervallen
Artikel 2.1.3: bij de aanvraag in te dienen bescheiden
vervallen
Artikel 2.1.4: gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen
vervallen
Artikel 2.1.5: bodemonderzoek
- 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet
bestaat uit:
- a. de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol
- Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993);
- b. de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het Protocol Nader onderzoek deel 1
- (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een nader onderzoek, als bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.
- c. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.
- 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e, van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken
. - Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit bouwwerken
. - 3. Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.
- 4. Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Woningwet
, indien uit het in NVN 5725, uitgave 1999, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet rechtvaardigen. - 5. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.
Artikel 2.1.6: overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning
vervallen
Artikel 2.1.7: bouwregistratie
vervallen
Artikel 2.1.8: bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen
vervallen
Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning
Artikel 2.2.1: ontvangst van de aanvraag
vervallen
Artikel 2.2.2: samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
vervallen
Artikel 2.2.3: bekendmaking van termijnen
vervallen
Artikel 2.2.4: in behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
vervallen
Artikel 2.2.5: in behandeling nemen en bodemonderzoek
vervallen
Artikel 2.2.6: kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet
wordt aangegeven:
- a. de naam van de aanvrager;
- b. de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk;
- c. de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd wordt;
- d. de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de Algemene wet bestuursrecht
.
Paragraaf 3 Welstandstoetsing
vervallen
Artikel 2.3.1: welstandscriteria
vervallen
Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
Artikel 2.4.1: verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:
- a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
- b. voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist; en
- c. 1. dat de grond raakt, of
- 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.
Artikel 2.4.2: voorwaarden bouwvergunning
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten
en letter e van paragraaf 1.2.5. van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die wet
van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen
Artikel 2.5.1: richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen
vervallen
Artikel 2.5.2: anti-cumulatiebepaling
Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.
Artikel 2.5.3: bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
- 1. Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer.
- 2. Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:
- a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m., over een breedte van ten minste 3,5 m. zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m.
- Indien de toegang tot een bouwwerk meer dan 40 meter van de openbare weg is gelegen en via een toegangsweg is te bereiken, dient de breedte van deze toegangsweg minimaal 5,5 m. te zijn, tenzij er een tweede onafhankelijke toegangsweg naar dat bouwwerk of een keerlus aanwezig is;
- b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 15.000 kg. en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en
- c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.
- 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken
, voor zover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen. - 4. Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
- 5. Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet openbare bluswatervoorziening.
- 6. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.
Artikel 2.5.3A: brandweeringang
- 1. Indien een automatische doormelding van brand naar de alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het gebouw over meerdere toegangen beschikt, in overleg met de brandweer ten minste één van de toegangen als brandweeringang aangewezen.
- 2. Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een brandmelding of te openen zijn met behulp van een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.
Artikel 2.5.4: bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
- 1. Tussen de toegang van enerzijds:
- a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit
; - b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit
; - b. en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.
- a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit
- 2. Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:
- a. ten minste 1,10 m. breed moeten zijn;
- b. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en
- c. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m., tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in 2.40 van het Bouwbesluit
.
Artikel 2.5.5: ligging van de voorgevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.6: verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.7: toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.8: ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.9: bouwen op de weg
Vervallen
Artikel 2.5.10: plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken
Vervallen
Artikel 2.5.11: ligging van de achtergevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.12: verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.13: toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.14: ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.15: erf bij woningen en woongebouwen
- 1. Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond omvat die:
- a. over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en
- b. voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter.
- 2. De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven.
- 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in:
- a. het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;
- b. het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- 1. een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;
- 2. het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;
- 3. bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.
Artikel 2.5.16: erf bij overige gebouwen
- 1. Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte daarvan.
- 2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid:
- a. indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel vormen;
- b. indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.
Artikel 2.5.17: ruimte tussen bouwwerken
- 1. De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:
- a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn;
- b. niet toegankelijk zijn.
- Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
- 2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.
Artikel 2.5.18: erf en terreinafscheidingen
- 1. Erf en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onder e, van het Besluit bouwwerken
, zijn niet toegelaten. - 2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.
Artikel 2.5.19: bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
- 1. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1000 volt of meer.
- 2. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd.
- 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:
- a. het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;
- b. het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.
Artikel 2.5.20: toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.21: toege3laten hoogte in de achtergevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.22: toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.23: toegelaten hoogte tussen voor en achtergevelrooilijnen
Vervallen
Artikel 2.5.24: grootste toegelaten hoogte van bouwwerken
Vervallen
Artikel 2.5.25: hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen
Vervallen
Artikel 2.5.26: wijze van meten van de hoogte van bouwwerken
Vervallen
Artikel 2.5.27: toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte
Vervallen
Artikel 2.5.28: ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte
Vervallen
Artikel 2.5.29: ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid
Vervallen
Artikel 2.5.30: parkeergelegenheid en laad en losmogelijkheden bij of in gebouwen
- 1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.
- 2. De in het eerste lid bedoelde voldoende mate van ruimte wordt bepaald met behulp van parkeernormen waarbij het volgende van toepassing is:
- a. de parkeernorm is opgenomen in bijlage 13 bij deze verordening;
- b. aanleg van meer parkeerplaatsen is toegestaan tot het in bijlage 13 genoemde maximum (max.);
- c. voor parkeervoorzieningen op eigen terrein gelden berekeningsaantallen zoals opgenomen in bijlage 13.
- 3. De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's.
- Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
- a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m. bij 5,00 m. en ten hoogste 3,25 m. bij 6,00 m. bedragen;
- b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte -voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m. bij 5,00 m. bedragen.
- 4. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
- 5. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste, tweede en het vierde lid:
- a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of
- b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
Artikel 2.6.1: beginsel inzake brandmeldinstallaties
- 1. Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk kan worden ontdekt en gemeld.
- 2. Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
- 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding geeft.
Artikel 2.6.2: aanwezigheid van brandmeldinstallaties.
- 1. Een gebruiksfunctie:
- a. waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is gelegen op een in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven waarde boven het meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit;
- b. waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven grenswaarde;
- c. waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven grenswaarde;
- d. die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer bouwlagen dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn aangegeven, is voorzien van een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002.
- 2. In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een woongebouw waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts in één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte waardoor dient te worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de betreffende vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd, voorzien te zijn van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer van de volgende situaties:
- a. De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte en een punt vanwaar in meerdere richtingen kan worden gevlucht, bedraagt meer dan 10 meter;
- b. Het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte waardoor slechts in één richting kan worden gevlucht alsmede de op dit gedeelte aangewezen verblijfsruimten is groter dan 200 m²;
- c. Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de betreffende ruimte bedraagt meer dan 2.
Artikel 2.6.3: omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
- 1. De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002, is uitgevoerd als:
- a. niet-automatische bewaking; of
- b. gedeeltelijke bewaking; of
- c. volledige bewaking; zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening, of
- d. ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende vluchtroutes en risicoruimten.
- 2. Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1, a, b en c in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door naar de alarmcentrale van de brandweer, voor zover dit voor een gebruiksfunctie staat aangegeven in tabel 2.6.1. van bijlage 10 van deze verordening.
Artikel 2.6.4: kwaliteit van brandmeldinstallaties
- 1. Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.
- 2. Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van eisen als bedoeld in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002
- 3. Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2 rechtstreeks is doorgemeld naar de alarmcentrale van de brandweer, is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CVV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.
Artikel 2.6.5: beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties
- 1. Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit het bouwwerk kunnen vluchten.
- 2. Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van bijlage 11 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
- 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het tweede lid, indien de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding geeft.
Artikel 2.6.6: aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties
- 1. Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie, is voorzien van een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.
- 2. In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2, tweede lid, van toepassing is, dienen de betreffende verblijfsruimten te zijn voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.
Artikel 2.6.7: kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties.
- 1. Een op grond van artikel 2.6.6 in een bouwwerk aanwezige ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2575, uitgave 2004.
- 2. Een op grond van artikel 2.6.6 in een bouwwerk aanwezige ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van eisen, als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.
Artikel 2.6.8: beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
- 1. Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van vluchtroutes dat gebruikers op veilige wijze uit het bouwwerk kunnen vluchten.
- 2. Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2..6.8 van bijlage 12 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
- 3. De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor wat betreft de zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999.
- 4. Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in geval van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet van toepassing.
Artikel 2.6.9: aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen
Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als bedoeld in NEN 6088, uitgave 2002.
Artikel 2.6.10: kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen
- 1. Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN 6088, uitgave 2002.
- 2. Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende herkenbaar aangebracht.
- 3. De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor wat betreft de zichtbaarheidaspecten te voldoen aan artikel 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999.
- 4. Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in geval van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet van toepassing.
Artikel 2.6.11: gelijkwaardigheid
- 1. Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit
als gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.4 van overeenkomstige toepassing. - 2. Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit
als gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.7 van overeenkomstige toepassing. - 3. Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit
als gelijkwaardige oplossing een vluchtrouteaanduiding aanwezig is, is artikel 2.6.10 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.6.12: communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het goed kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een voor het publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een installatie die mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners binnen en buiten dat bouwwerk mogelijk maakt.
Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen
Artikel 2.7.1: eis tot aansluiting aan de waterleiding
De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit
bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding:
- a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of
- b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.
Artikel 2.7.2: eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit
bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit:
- a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of
- b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.
Artikel 2.7.3: eis tot aansluiting aan het aardgasnet
- 1. De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit
bedoelde, in bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas:
- a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 meter afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of
- b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.
- Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen voor bejaarden.
- 2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid:
- a. voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m² ;
- b. voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;
- c. voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit
(warmtedistributienet).
Artikel 2.7.3A (facultatief): eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming
Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit
(warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening:
- a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is gelegen; of
- b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.
Artikel 2.7.4: eis tot aansluiting aan de openbare riolering
- 1. De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit
bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. - Niet van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is.
- 2. Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:
- a. op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten kruisen;
- b. of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater en faecaliën, ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.
- 3. Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer
bepaalt of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft. - 4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is:
- a. voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn gelegen;
- b. voor agrarische bedrijven.
Artikel 2.7.5: aansluiting anders dan aan de openbare riolering
- 1. Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit
bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen:
- a. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort;
- b. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput met overstort;
- c. leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;
- d. leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
- 2. De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit
bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten:
- a. zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht kan optreden en
- b. zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorziening van voldoende capaciteit, welke voorziening in verband met de grootte van de te ontwateren oppervlakken en de bodemgesteldheid ter plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand van de perceelgrenzen en de bebouwing op het perceel.
- 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen:
- a. van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is;
- b. van het bepaalde in het tweede lid, indien de bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse, dan wel de omvang van het perceel de infiltratie van hemelwater niet toelaten en bovendien de afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt aangesloten aan een rottingput.
Artikel 2.7.6: kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen
- 1. Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.
- 2. De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.
- 3. In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingputten voorkomen.
- 4. Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn.
- Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.
- 5. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125 mm.
- 6. Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend zijn.
- Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7.
Artikel 2.7.7: wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen
De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.
Hoofdstuk 3 de melding
Artikel 3.1: de wijze van melden
Vervallen
Artikel 3.2: welstandscriteria
Vervallen
Hoofdstuk 4 plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk
Artikel 4.1: intrekking bouwvergunning bij niet tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden
Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel 59 van de Woningwet
de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
- a. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt;
- b. tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.
Artikel 4.2: op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven:
- a. de bouwvergunning;
- b. andere vergunningen en ontheffingen;
- c. het bouwveiligheidsplan als bedoeld in het Besluit indieningsvereisten;
- d. een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet
, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.
Artikel 4.3: wijzigingen in gegevens bouwregistratie
vervallen
Artikel 4.4: het uitzetten van de bouw
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders voor zover nodig:
- a. het straatpeil is aangegeven;
- b. de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet.
Artikel 4.5: kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
- 1. Het bouwtoezicht dient voor zover het betreft bouwwerken waarvoor bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van de bouwvergunning ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld:
- a. de aanvang der werkzaamheden, ontgravingswerkzaamheden daaronder begrepen;
- b. de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen;
- c. de aanvang van de grondverbeteringswerkzaamheden.
- 2. Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden gesteld van het storten van beton.
- 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.
Artikel 4.6: opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit
nodig acht.
Artikel 4.7: bemalen van bouwputten
Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.
Artikel 4.8: veiligheid op het bouwterrein
- 1. Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.
- 2. Op een terrein, waarop een bouw of grondwerk wordt uitgevoerd moeten, wanneer er niet wordt gewerkt rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet inbegrepen :
- a. de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van het bouw en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;
- b. machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;
- 3. Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven bemalingspompen, indien de omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.
- 4. Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig zijn.
Artikel 4.9: afscheiding van het bouwterrein
- 1. Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten is.
- 2. De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.
- 3. Een terrein, waarop een bouw of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.
Artikel 4.10: veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
- 1. Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren.
- 2. Het is verboden bij de uitvoering van een bouw of grondwerk een werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving optreedt.
- 3. Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden.
- 4. Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een werk te gebruiken krachtwerktuig:
- a. uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of
- b. de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of
- c. het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden gebruikt.
- 5. Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing is.
Artikel 4.11: bouwafval
- 1. Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de volgende fracties:
- a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);
- b. steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;
- c. glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;
- d. overig afval.
- 2. Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden gehouden.
- 3. Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerken verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.
Artikel 4.12: gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
- 1. Van het gereedkomen:
- a. van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil;
- b. van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de thermische isolatie in andere besloten constructies moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooing van de onder a en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.
- 2. Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving.
- 3. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.
- 4. Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.
- 5. De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.
Artikel 4.13: melden van werken bij lage temperaturen
- 1. Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton , metsel of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van:
- a. het niet verwerken van bevroren materialen;
- b. het verkrijgen van een goede binding en verharding;
- c. de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.
- 2. De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.
Artikel 4.14: verbod tot ingebruikneming
Vervallen
Hoofdstuk 5 staat van open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte
Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen
Artikel 5.1.1.: staat van onderhoud van open erven en terreinen
- 1. Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.
- 2. Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van:
- a. drassigheid;
- b. stank;
- c. verontreiniging;
- d. aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;
- e. aanwezigheid van begroeiing.
Artikel 5.1.2: bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
- 1. Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.
- 2. Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:
- a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m., over een breedte van ten minste 3,5 m. zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m. Indien een bouwwerk meer dan 40 m. van de openbare weg is gelegen en via een toegangsweg is te bereiken, dient de breedte van deze toegangsweg minimaal 5,5 m. te zijn, tenzij er een tweede onafhankelijke toegangsweg naar dat bouwwerk of een keerlus aanwezig is;
- b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 15.000 kg. en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en
- c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.
- 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken
, voor zover dit niet voor bewoning is bestemd, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen. - 4. Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.
- 5. Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet openbare bluswatervoorziening.
Artikel 5.1.3: bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
- 1. Tussen de toegang van enerzijds:
- a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit
; - b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit
; - en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.
- a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit
- 2. Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:
- a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en
- b. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en
- c. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m., tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39
en 2.40 van het Bouwbesluit
.
Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
Artikel 5.2.1: voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.2.2: aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen
vervallen.
Artikel 5.2.3: aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard
vervallen.
Artikel 5.2.4: aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen
vervallen.
Artikel 5.2.5: aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen
vervallen.
Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen
Artikel 5.3.1: eis tot aansluiting aan de waterleiding
De in de artikelen 3.123
en 3.124 van het Bouwbesluit
bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding:
- a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of
- b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.
Artikel 5.3.2: eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit
bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit:
- a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of
- b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.
Artikel 5.3.3: eis tot aansluiting aan het aardgasnet
De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit
bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas:
- a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of
- b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.
Niet van toepassing is voorgaande eis op:
- a. woningen voor bejaarden;
- b. woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;
- c. woningen die niet worden verhuurd;
- d. woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingsnet.
Artikel 5.3.4: eis tot aansluiting aan de openbare riolering
- 1. De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit
bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar riool. - 2. Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:
- a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;
- b. op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn gelegen;
- c. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;
- d. op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende ruime gier of beerput aanwezig is.
Artikel 5.3.5: aansluiting anders dan aan de openbare riolering
Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen:
- a. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;
- b. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;
- c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;
- d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
Artikel 5.3.6: kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen
Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.3.7: wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen
De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.
Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid.
Artikel 5.4.: preventie
Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.
Hoofdstuk 6 brandveilig gebruik
Paragraaf 1 Gebruiksvergunning
Artikel 6.1.1: vergunning gebruik bouwwerk
- 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin:
- a. meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een één- of meergezinshuis;
- b. aan meer dan vier personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;
- c. aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan tien lichamelijk en/of verstandelijk gehandicapten dagverblijf zal worden verschaft;
- d. aan meer dan vier personen kamergewijs verhuren van een woning of woongebouw;
- e. op basis van gelijkwaardige veiligheid, bepaald volgens de rekenregels van het Brandbeveiligingsconcept “Beheersbaarheid van brand” (uitgegeven door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), een mate van veiligheid zal worden gerealiseerd die is beoogd met of krachtens de in de artikelen van het Bouwbesluit
voor het bouwen van niet tot bewoning bestemde gebouwen gegeven voorschriften. - f. aan personen nachtverblijf wordt verschaft in niet daarvoor bestemde gebouwen zoals scholen, clubhuizen enz.
- 2. Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning slechts voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.
- 3. Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken.
Artikel 6.1.2: aanvraag gebruiksvergunning
- 1. Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden overgelegd als genoemd in bijlage 2 van deze verordening.
- 2. Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren. De bij deze aanvraag behorende gegevens en bescheiden moeten voldoen aan de eisen van de in het eerste lid genoemde bijlage.
- 3. De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in 4 voud worden ingediend, tenzij door/ namens burgemeester en wethouders wordt aangegeven dat met een geringer aantal kan worden volstaan.
- 4. De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld.
- 5. De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.
- 6. De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden moeten door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend dan wel worden gewaarmerkt.
- 7. Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.
- 8. De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.
Artikel 6.1.3: in behandeling nemen
Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 6.1.2 gestelde eisen, alsmede aan de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1
en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht
stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.
Artikel 6.1.4: termijn van beslissing
- 1. Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een gebruiksvergunning binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag.
- 2. Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste 6 weken verdagen.
- 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan indien:
- a. voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en zij over die vergunning nog niet hebben beslist;
- b. voor hetzelfde bouwwerk een besluit tot toepassing van bestuursdwang of opleggen van een last onder dwangsom dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet
is genomen wegens strijd met de voorschriften van het Bouwbesluit
, als bedoeld in artikel 1b van de Woningwet
, en deze binnen de in het 1e lid vermelde termijn is verzonden, doch aan dit besluit nog niet is voldaan.
- 4. De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is beslist op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld onder letter a van het derde lid, dan wel nadat is voldaan aan het besluit als bedoeld onder letter b van het derde lid en burgemeester en wethouders hiervan in kennis zijn gesteld.
Artikel 6.1.5: weigeren gebruiksvergunning
Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de volgende omstandigheden zich voordoet:
- a. de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het bouwwerk kan in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht worden een brandveilig gebruik te zijn en door het stellen van voorwaarden kan geen voldoende brandveilig gebruik worden bereikt;
- b. de bouwvergunning is geweigerd.
Artikel 6.1.6: intrekken gebruiksvergunning
- 1. Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning intrekken indien:
- a. blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend;
- b. blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een voorwaarde van de vergunning;
- c. van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning;
- d. van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt;
- e. het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te beschermen.
- 2. Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.
Artikel 6.1.7: verplicht aanwezige bescheiden
In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning aanwezig zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.
Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar
Artikel 6.2.1: gebruikseisen voor bouwwerken
- 1. Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de gebruikseisen die in verband met de aard van de bebouwing dan wel per onderwerp zijn vermeld in bijlage 3 en 3a bij deze verordening.
- 2. Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een bouwwerk met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties, te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 4 bij deze verordening.
Artikel 6.2.2: opslag brandgevaarlijke stoffen
- 1. In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen brandgevaarlijke stof aanwezig.
- 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:
- a. de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende stoffen niet wordt overschreden, met dien verstande dat de totale toegestane hoeveelheid van de eerste zes rijen honderd kilogram of liter is,
- b. de betreffende stof zodanig is verpakt
- - dat de verpakking tegen normale behandeling bestand is, en
- - van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen, en
- c. de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduiding (R- en S-zinnen).
- 3. Het in het eerste lid gestelde is voorts niet van toepassing op:
- de brandstof in het reservoir bij een verbandingsmotor;
- de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmteontwikkelend toestel;
- voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken, en
- het aanwezig hebben van een grotere dan de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende stof voor zover dat bij of krachtens de Wet Milieubeheer
is toegestaan. - 4. Bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid onder a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof die in bijlage 5 als brandgevaarlijk is aangemerkt.
Artikel 6.2.3: opslag en verwerking stoffen
Vervallen
Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand
Artikel 6.3.2: gebruik middelen en voorzieningen
Brandbeveiligingsvoorzieningen en vluchtroutes moeten altijd voor onmiddellijk gebruik beschikbaar zijn. Het is verboden om het gebruik van deze brandbeveiligingsvoorzieningen te belemmeren.
De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 671-1 ‘Vaste brandblusinstallaties – brandslangsystemen – deel 1: Brandslanghaspels met vormvaste slang’ geeft richtlijnen zodat het efficiënt gebruik van brandslangsystemen is gegarandeerd.
In hoofdstuk 8 van deze norm worden eisen gesteld aan de kasten waarin brandslanghaspels opgehangen kunnen worden. Volgens NEN-EN 671-1 is het toegestaan brandslanghaspelkasten te voorzien van een deur en een slot. Het toepassen van een slot is uitsluitend toegestaan wanneer er op de kast een breekruitje is aangebracht waarmee de kast kan worden geopend. Wanneer het breekruitje wordt ingedrukt, mogen er geen scherpe randen aanwezig zijn waardoor mensen zich kunnen bezeren. Om in geval van controle en onderhoud de kast te kunnen openen, moet het slot met een sleutel geopend kunnen worden, zodat het breekruitje niet steeds vervangen hoeft te worden.
Handbrandmelders en automatische brandmelders mogen niet zodanig afgeschermd worden dat de goede werking wordt belemmerd.
Alle voorzieningen voor ontvluchting en redding van personen en dieren moeten onmiddellijk beschikbaar zijn.
De opsomming van genoemde voorbeelden is oneindig.
Artikel 6.3.1: gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen
Vervallen
Artikel 6.3.2: gebruik middelen en voorzieningen
Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen of te hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of de zichtbaarheid ervan wordt belemmerd van:
- a. middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding van brand;
- b. middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen en dieren bij brand.
Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid
Artikel 6.4.1.: hinder in verband met de brandveiligheid
Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en met 6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:
- a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;
- b. brandgevaar wordt veroorzaakt;
- c. het vluchten wordt belemmerd.
Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft hinder, terzake waarvan de Wet milieubeheer
of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.
Hoofdstuk 7 overige gebruiksbepalingen
Paragraaf 1 Overbevolking
Artikel 7.1.1: overbevolking van woningen
Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.
Artikel 7.1.2: overbevolking van woonwagens en woonketen
Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
Paragraaf 2 Staken van het gebruik
Artikel 7.2.1: verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met:
- a. bouwvalligheid van het bouwwerk;
- b. bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.
Artikel 7.2.2: staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne
Indien tengevolge van het niet functioneren hieronder begrepen het afgesloten zijn van de ingevolge het Bouwbesluit
verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.
Artikel 7.2.3: staken van het gebruik van een woonwagen
Indien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet
is bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde voorzieningen niet functioneren.
Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
Artikel 7.3.1: verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in afwijking van de bestemming
vervallen
Artikel 7.3.2: hinder
Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:
- a. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;
- b. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;
- c. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.
Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.
Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
Artikel 7.4.1: preventie
- 1. Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.
- 2. Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken.
Paragraaf 5 Watergebruik
Artikel 7.5.1: verboden gebruik van water
Het is verboden drink en werkwater, waarvan door burgemeester en wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.
Paragraaf 6 Installaties
Artikel 7.6.1: gebruiksgereed houden van installaties
Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit
en/of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.
Hoofdstuk 8 slopen
Paragraaf 1 Sloopvergunning
Artikel 8.1.1: sloopvergunning
- 1. Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).
- 2. De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een besluit tot toepassing van bestuursdwang op oplegging van een last onder dwangsom. Burgemeester en wethouders kunnen aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.
- 3. Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning slechts voorschriften over:
- a. de veiligheid tijdens het slopen;
- b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;
- c. het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval;
- d. het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.
- 4. De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.
- 5. De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel 45 van de Woningwet.

Artikel 8.1.2: aanvraag sloopvergunning
- 1. Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van een door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.
- 2. De aanvraag moet inhouden:
- a. correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;
- b. indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en adres;
- c. naam en adres van degene, die met het slopen zal worden belast;
- d. de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich het te slopen bouwwerk bevindt en het huisnummer van het bouwwerk. Indien de sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het kader van hetzelfde project, wordt een lijst met bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers van de desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst ingevolge het negende lid is gewaarmerkt;
- e. een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk waarop de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet het gehele bouwwerk wordt gesloopt;
- f. het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is gebezigd;
- g. mededeling of een bouwvergunning is of zal worden aangevraagd voor een op het perceel van het te slopen bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk op te richten of te veranderen of uit te breiden bouwwerk;
- h. een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal plaatsvinden;
- en voorts, indien van toepassing
- i. het sloopveiligheidsplan.
- 3. In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te zijn indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt overgelegd:
- a. een afschrift van het asbestinventarisatierapport, uitgevoerd door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt;
- b. een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 12 februari 1998 dat voldoet aan de eisen in BRL 5052, uitgave 1998, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt; indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld vóór 1 januari 1994, dient tevens een schriftelijke verklaring van de aanvrager te worden overgelegd dat er geen veranderingen van het te slopen bouwwerk hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn toegepast;
- c. een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk is gebouwd na 1 januari 1994;
- d. bij woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot bewoning bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een schriftelijke verklaring van de bouwer van het te slopen bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft toegepast, alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er sinds het tijdstip van de bouw geen veranderingen hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn toegepast;
- e. bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke verklaring van de fabrikant of de leverancier dat het te slopen materiaal geen asbest bevat, alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het materiaal van deze fabrikant of leverancier afkomstig is;
- 4. Indien, gelet op het derde lid, wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat of de aanvrager wee of redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk asbest bevindt, wordt met een asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf aangetoond of dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien geen asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf wordt overgelegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens worden overgelegd waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien
a de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft op het verwijderen van asbest op in de aanvraag aangeduide plaatsen, of
b. een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder b bij de aanvraag is gevoegd.
- 5. Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient een onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning worden gevoegd.
- 6. De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in 4 voud worden ingediend, tenzij door/namens burgemeester en wethouders wordt aangegeven dat met een geringer aantal kan worden volstaan.
- 7. De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld.
- 8. De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen, danwel indien zij betrekking heeft op asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het kader van hetzelfde project.
- 9. De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden moeten door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan wel gewaarmerkt worden.
- 10. Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk betreft, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.
- 11. De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.
- 12. Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op asbest.
- 13. Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen betrekking heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld in artikel 8.2.1.
Artikel 8.1.3: in behandeling nemen
- 1. Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1
en 4:2 van de Algemene wet
bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen binnen een door hen te stellen termijn. - Zij doen dit eveneens indien de aanvraag geen gegevens bevat over het verwijderen van asbest en uit gegevens waarover de gemeente beschikt blijkt dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zich in het te slopen bouwwerk asbest bevindt.
- 2. Het gestelde in lid 1 geldt niet voor de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.
Artikel 8.1.4: termijn van beslissing
- 1. Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes weken verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager.
- 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen burgemeester en wethouders over een aanvraag om sloopvergunning binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag om een sloopvergunning is ingediend, indien het slopen uitsluitend is bedoeld om asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk te verwijderen.
- 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een vergunning krachtens artikel 11
of artikel 37 van de Monumentenwet 1988
, een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening, een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning voor het slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog niet is beslist. - De aanhouding eindigt zes weken na bedoelde beslissing.
- Bij samenloop van vergunningen wordt uitgegaan van de datum van de laatstgenomen beslissing.
Artikel 8.1.5: samenloop van slopen en bouwen
- 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is aangevraagd, kan bij de aanvraag om sloopvergunning voor zover voor beide aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd worden verwezen naar die bescheiden en gegevens die zijn ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.
- 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de beslissing op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.
Artikel 8.1.6: weigeren sloopvergunning
Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:
- a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;
- b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;
- c. een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988
of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend; - d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend;
- e. een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.
Artikel 8.1.7: intrekking sloopvergunning
- 1. Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken indien:
- a. de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens;
- b. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;
- c. tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.
- 2. Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.
Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning
Artikel 8.2.1: sloopmelding
- 1. In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen sloopvergunning vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van:
- a. geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;
- b. asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;
- mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen sloopvergunning is vereist.
- Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of logiesverblijf.
- 2. Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.
- 3. De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in 6 voud worden ingediend, tenzij door/namens burgemeester en wethouders wordt aangegeven dat met een geringer aantal kan worden volstaan.
- 4. De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld.
- 5. In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het gebruik van het bouwwerk.
- 6. Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.
- 7. Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan.
- 8. Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van asbest.
- 9. De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het tweede lid is verplicht het gestelde in een door de minister van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer uitgegeven publicatie ter zake van het slopen van asbest bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder verplicht de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7
en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005
zijn gesteld, in acht te nemen. - 10. Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop vrijkomt is niet toegestaan.
- 11. Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.
Artikel 8.2.2: overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning
In afwijking van artikel 8.1.1., eerste lid , is voorts geen sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van:
- a. geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen
- b. verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen
- c. rem- frictiematerialen
- d. pakkingen uit verbrandingsmotoren
- e. pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.
Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen.
Artikel 8.3.1: veiligheid op sloopterrein
Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.
Artikel 8.3.2: op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.
Artikel 8.3.3: plichten van de houder van de sloopvergunning
- 1. De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.
- 2. De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.
- 3. De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden.
- 4. De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerst lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005
.
Artikel 8.3.4: plichten van degene die sloopt
- 1. Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht.
- 2. Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.
Artikel 8.3.5: wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
- 1. Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt.
- 2. Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen.
Artikel 8.3.6: plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
Vervallen
Paragraaf 4 Vrij slopen
Artikel 8.4.1: sloopafval algemeen
- 1. Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende fracties:
- a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);
- b. steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;
- c. bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;
- d. met PAKS verontreinigde materialen;
- e. asfalt;
- f. dakgrind;
- g. overig afval.
- 2. Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.
Hoofdstuk 9 welstand
Artikel 9.1: de advisering door de welstandscommissie
- 1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de Welstandscommissie, Stichting Dorp, Stad en Land, die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie.
- 2. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor regulier vergunningplichtige en (in voorkomende gevallen, indien door burgemeester en wethouders wenselijk geoordeeld) licht-vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44, eerste lid onder d
respectievelijk artikel 44, derde lid juncto eerste lid onder d van de Woningwet
. - 3. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.
Artikel 9.2: samenstelling van de welstandscommissie
- 1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit 3 leden, te weten een voorzitter (architect-voorzitter), secretaris (architect/secretaris) en één lid. Alle leden zijn deskundig op het terrein van architectuur, stedenbouw en aanverwante vakgebieden.
- 2. Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.
- 3. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.
- 4. De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur.
Artikel 9.3: benoeming en zittingsduur
- 1. De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.
- 2. De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.
- 3. Het reglement op de welstandscommissie, dat als bijlage A bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.
Artikel 9.4: jaarlijkse verantwoording
De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:
- - op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota;
- - de werkwijze van de welstandscommissie;
- - op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;
- - de aard van de beoordeelde plannen;
- - de bijzondere projecten;
De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.
Artikel 9.5: termijn van advisering
- 1. De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een lichte bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.
- 2. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.
- 3. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.
- 4. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag om
- a. een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub a van de Woningwet
bedoelde termijn van zes weken; - b. een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub b van de Woningwet
bedoelde termijn van twaalf weken. - c. een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub c van de Woningwet
bedoelde termijn van zes weken.
- a. een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub a van de Woningwet
Artikel 9.6: openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
- 1. De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. - 2. Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.
- 3. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.
- 4. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement op de welstandscommissie, dat als bijlage A bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen.
Artikel 9.7: afdoening bij mandaat
- 1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.
- 2. In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie.
- 3. Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
ten grondslag te leggen.
Artikel 9.8: vorm waarin het advies wordt uitgebracht
- 1. De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.
- 2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een bouwvergunning.
Artikel 9.9: uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen
- 1. Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet
het voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:
- a. op het voornemen inspraak is verleend;
- b. het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.
- 2. De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet
vastgestelde verordening.
Hoofdstuk 10 overige administratieve bepalingen
Artikel 10.1: de aanvraag om woonvergunning
Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet
moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt.
Artikel 10.2: de aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen
Vervallen
Artikel 10.3: overdragen vergunningen
Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet
, de gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag van degene op wiens naam de vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is gesteld.
Artikel 10.4: overdragen mededeling
vervallen
Artikel 10.5: het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen
Vervallen
Artikel 10.6: herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.
Hoofdstuk 11 handhaving
Artikel 11.1: stilleggen van de bouw
Vervallen
Artikel 11.2: overtreding van het verbod tot ingebruikneming
Vervallen
Artikel 11.3: stilleggen van het slopen
Vervallen
Hoofdstuk 12 straf , overgangs en slotbepalingen
Artikel 12.1: strafbare feiten
Vervallen
Artikel 12.2: overgangsbepaling bodemonderzoek
Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden gezien.
Artikel 12.3: overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen
Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet
eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.
Artikel 12.4: overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
-
Artikel 12.5: overgangsbepaling sloopmelding
-
Artikel 12.6: slotbepaling
- 1. Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Bouwverordening Pijnacker-Nootdorp 2003, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 19-12-2002.
- Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling, gebruiksvergunning of toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze verordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals deze luidden vóór inwerkingtreding van onderhavige verordening, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de Bouwverordening Pijnacker-Nootdorp 2007 wordt toegepast.
- Het bovenstaande is slechts van toepassing op de artikelen 8.1.1, 8.1.2, 8.1.4, 8.2.1, 8.2.2, 8.3.3 en 8.3.5 voorzover deze artikelen in overeenstemming zijn met het Asbestverwijderingsbesluit 2005
(Stb. 2005, 704). - 2. Deze verordening kan worden aangehaald als "Bouwverordening Pijnacker-Nootdorp 2007" na 1e wijziging.
Bijlage 1 verordening
Bijlage behorende bij artikel 6.1.1.
- A. Indien overnachting maximaal 2 keer per jaar tijdens niet aaneengesloten nachten plaatsvindt, moet aan het volgende worden voldaan:
- • minimaal 30 dagen voor de datum van het slapen moet schriftelijk een aanvraag worden indiend;
- • twee onafhankelijke vluchtwegen zijn aanwezig;
- • nood- en transparantverlichting is aanwezig en voldoet aan de gestelde eisen;
- • minimaal twee meerderjarige personen moeten ’s nachts wakend en nuchter aanwezig zijn;
- • er is een bruikbare telefoon aanwezig;
- • aan de overige voorwaarden gesteld in de gebruiksvergunning ;
- B. Indien overnachtingen plaats vinden tijdens aaneengesloten nachten met een maximum van 1 week en 2 keer per jaar moet aan het volgende worden voldaan:
- • minimaal 30 dagen voor de datum van het slapen moet schriftelijk een aanvraag worden ingediend;
- • de vertrekken waar geslapen wordt zijn brandcompartimenten met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van tenminste 30 minuten;
- • nood- en transparantverlichting is aanwezig en voldoet aan de gestelde eisen;
- • vanuit deze vertrekken zijn twee onafhankelijke vluchtwegen aanwezig;
- • een ontruimingsinstallatie is aanwezig en voldoet aan het gestelde in de NEN 2275;
- • indien het gebouw groter is dan 250m2 is een brandmeldinstallatie aanwezig die voldoet aan het gestelde in de NEN 2535;
- • indien het gebouw kleiner is dan 250m2 moeten twee meerderjarige personen wakend en nuchter aanwezig zijn. Bij aaneengesloten nachten moeten de wakende personen elke nacht anderen zijn;
- • er is een bruikbare telefoon aanwezig;
- • aan de overige voorwaarden gesteld in de gebruiksvergunning.
Bijlage 2 verordening
Bijlage behorende bij artikel 6.1.2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning
De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de volgende gegevens bevatten.
Artikel 1
- a. de naam en het correspondentie adres in Nederland van de aanvrager;
- b. indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentieadres in Nederland, en een door de aanvrager ondertekende machtiging;
- c. een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het bouwwerk of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;
- d. de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de energiebron;
- e. voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum aantal personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal verblijven;
Artikel 2
De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1, moet zijn voorzien van de volgende tekeningen en overige bescheiden:
- a. een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de bouwwerken, op een schaal van 1:1000;
- b. een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de bouwwerken op een schaal van ten minste 1:100, aangevende de indeling, de bestemming van de verschillende ruimten en de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen, waarop voor de in artikel 6.1.1, eerste lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens de opstelling van de bedden moet zijn aangegeven;
- c. voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de vrij te houden gang en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte;
- d. voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, voor zover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen worden opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te houden gang en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte.
Artikel 3
De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten.
Bijlage 3 verordening
Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, eerste lid Gebruikseisen voor bouwwerken
Algemene toelichting bij bijlage 3
Deze gebruikseisen gelden voor alle bouwwerken met inbegrip van woonfuncties en woonwagens.
De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realiseren. De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen (veilig omgaan met mogelijke gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de beheerscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het instandhouden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid.
Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten
- 1. De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen moeten voldoende worden vrijgehouden en wel zodanig dat hiervan onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.
- 2. De verbindingsweg, bedoeld in de artikelen 2.5.3, eerste en tweede lid, en 5.1.2, eerste en tweede lid, en de bijbehorende opstelplaatsen voor brandweervoertuigen moeten over de volle hoogte en ter breedte van de verharding worden vrijgehouden. Hekwerken die deze verbindingswegen en opstelplaatsen afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen worden geopend.
Toelichting bij artikel 1
Lid 1
De term ‘voldoende vrij’ kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de publicatie ‘Handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ of de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ uitgave Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl .
Lid 2
Het snel kunnen openen betekent dat de vertraging als gevolg van het moeten openen van het hekwerk maximaal 30 seconden bedraagt.
Artikel 2 Verlichting/elektrische installatie
- 1. Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.
- 2. Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.
- 3. De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door een ter zake kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige onderhoud wordt verricht.
Toelichting bij artikel 2
Lid 1
Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen indien de eigenschappen van de verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het bepaalde in de Regeling Bouwbesluit 2003, zoals laatstelijk herzien.
Lid 2
Het is niet toegestaan een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel aan te brengen in de omgeving van brandgevaarlijke materialen. De stoffering en versiering moet vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 90o C bedraagt (zie ook Bijlage 4, artikel 2).
Lid 3
Er wordt geacht te zijn voldaan aan de eis wanneer de inspectie en het onderhoud is verricht volgens de publicatie 79 ‘Inspectie en onderhoud van noodverlichtingsinstallaties’ van ISSO/NFVN/Uneto-VNI, juni 2004. De resultaten van de inspectie en onderhoud dienen opgenomen te worden in het logboek. De publicatie is verkrijgbaar bij Instituut voor Studie en Stimulering van onderzoek op het gebied van gebouwinstallaties (ISSO), Postbus 1819, 3000 BV ROTTERDAM, telefoon (010) 206 59 69, www.isso.nl.
Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden
- 1. In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn opgesteld, dienen vrij te worden gehouden van brandbare goederen.
- 2. Een opening ten behoeve van de toevoer van verbrandingslucht, op grond van enige regeling geëist, wordt niet afgesloten.
- 3. Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.
- Het bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van:
- - centraleverwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen voor centraleverwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave 2004;
- - centraleverwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties bovendien voldoen aan de gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave 1999;
- - niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor het stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave 1999.
- 4. Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het onttstaan van brand.
- 5. Het is verboden een verwarmingstoestel dat bedoeld is te functioneren met een rookgasafvoer te gebruiken zonder een doeltreffende voorziening voor de afvoer van rook.
Toelichting bij artikel 3
Lid 1
Met brandbare goederen wordt bedoeld goederen die zijn opgenomen in de Regeling Bouwbesluit 2003. In de stookruimte mogen dergelijke goederen niet worden opgeslagen of opgesteld.
De straling rondom een stooktoestel buiten een stookruimte mag geen pyrofore verbranding veroorzaken. Dit betekent dat het gebied rondom het stooktoestel waar een temperatuur van 90 graden Celsius kan optreden, moet worden vrijgehouden van brandbare materialen.
Dit artikel ligt in de lijn van artikel 6.4.1 waarin onder andere wordt gesteld dat het verboden is brand en/of brandgevaar te veroorzaken.
Lid 2
Wanneer de toevoer van een gesloten verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal het verbrandingstoestel op den duur niet meer functioneren. Wanneer de toevoer van een open verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal er in het verbrandingstoestel een tekort aan zuurstof ontstaan. Als gevolg hiervan zal er een onvolledige verbranding plaatsvinden. Bij een onvolledige verbranding komt het zeer giftige koolmonoxide vrij. De koolmonoxide zal naar binnen stromen en vormt hiermee een gevaar voor mensen.
Werkzaamheden waaronder die voor onderhoud, herstel en sloop, dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de goede werking van de luchttoevoer daardoor niet wordt verstoord.
Lid 3
De genoemde normbladen bevatten eisen die mede verband houden met de brandveiligheid.
Lid 4
Een installatie voor verwarming en kooldoeleinden in de omgeving van brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. Er dienen zodanige maatregelen getroffen te worden, bijvoorbeeld door het verplaatsen van de verwarmingsinstallatie of het aanbrengen van een isolerende laag, dat de brandbare materialen niet hun eigen ontbrandingstemperatuur zullen bereiken. Wanneer de temperatuur van de materialen nabij een rookafvoerkanaal hoger kan worden dan 90o C dienen deze materialen onbrandbaar te zijn volgens NEN 6064, uitgave 1991 en NEN 6064/2, uitgave 2001 ‘Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen’.
Lid 5
De voorzieningen die op grond van enig voorschrift uit het Bouwbesluit zijn vereist, dienen te voldoen aan de aansluitvoorwaarden.
Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen
- 1. Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken dat niet doeltreffend is gereinigd.
- 2. Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook uit te branden.
- 3. Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken, indien dit gebruik door de toestand waarin de voorziening voor afvoer van rook zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van personen.
- 4. Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook waarin brand heeft gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld.
Toelichting bij artikel 4
Lid 1
Met een doeltreffende reiniging wordt in geval van vaste en vloeibare brandstoffen bedoeld dat een voorziening voor de afvoer van rook afhankelijk van het gebruik gemiddeld eenmaal per jaar wordt gereinigd.
Voor een afvoerkanaal voor gasvormige brandstoffen is eenmaal per jaar een controle en indien noodzakelijk een reiniging noodzakelijk.
Lid 2
Het is niet toegestaan de omgeving overlast te bezorgen door een voorziening voor de afvoer van rook uit te branden. Daarnaast is er een aanzienlijk risico op het ontstaan van beschadigingen aan de voorziening voor de afvoer van rook als gevolg van het uitbranden.
Lid 3
Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken, die niet deugdelijk is geconstrueerd, of die scheurvorming vertoont. De omgeving van een dergelijke voorziening voor de afvoer van rook mag geen gevaar lopen.
Lid 4
Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken die niet is gereinigd en zonodig hersteld nadat er een brand heeft gewoed. De voorziening voor de afvoer van rook kan dan namelijk scheurvorming vertonen en daarmee loopt de omgeving gevaar.
Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur
- 1. Het is verboden te roken of vuur te hebben
- - in een ruimte bestemd voor opslag van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling Bouwbesluit 2003;
- - bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken;
- - bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar gas.
- 2. Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is aangegeven.
- 3. Het rookverbod c.q. open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van het opschrift ‘VERBODEN TE ROKEN’ of ‘VERBODEN VOOR OPEN VUUR’, dan wel door middel van een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde in de norm NEN 3011, uitgave 2004.
Toelichting bij artikel 5
Lid 1
Vanwege de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen mag in een opslagruimte niet worden gerookt of open vuur aanwezig zijn. Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijke verbod is afgekondigd. Er dient in de desbetreffende ruimte duidelijk en zichtbaar een bord met het opschrift ‘verboden te roken’ aangebracht te worden.
Lid 2
Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijk verbod is afgekondigd. Op de betreffende plaatsen dient duidelijk zichtbaar met pictogrammen aangeduid te zijn dat roken en het bij zich dragen van vuur verboden is. Het verbod kan zijn opgesteld in de Woningwet, de Wet milieubeheer, de Brandweerwet of de Arbeidsomstandighedenwet of de bij deze wetten behorende besluiten en maatregelen.
Lid 3
In het derde lid van artikel 5 wordt geregeld hoe aan de mensen kenbaar gemaakt moet worden dat er sprake is van een rookverbod.
Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties
- 1. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van blusleidingen en de eventueel bijbehorende pompinstallaties.
- 2. Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar wordt de droge blusleiding getest, conform NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997.
- 3. De pompinstallatie voor de blusleiding moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.
- 4. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking van de blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie.
Toelichting bij artikel 6
Lid 1
De blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties dienen eenmaal per jaar visueel geïnspecteerd te worden op gebreken door de gebouweigenaar. De resultaten van de inspectie dienen te worden vastgelegd in het logboek. Indien gebreken zijn geconstateerd, dienen deze verholpen te worden door een installateur.
De droge blusleiding dient eenmaal per vijf jaar gecontroleerd en zonodig gerepareerd te worden door een installateur. De droge blusleiding moet, na geheel met water te zijn gevuld, worden onderworpen aan een druk van 1600 kPa gemeten op de hoogte van het maaiveld. Deze druk moet zich zonder bijpompen gedurende vijf minuten handhaven. Boven de zeventig meter moet voor elke tien meter de druk met 100 kPa worden verhoogd.
De resultaten van deze test moeten, in de vorm van een testrapport, opgenomen worden in het logboek.
Lid 3
Het toepassingsgebied van de in artikel 6, tweede lid genoemde norm NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997 ‘Droge blusleidingen in en aan gebouwen’ beperkt zich tot gebouwen die niet hoger zijn dan zeventig meter. Dit houdt verband met de beschikbare opvoerdruk van een blusvoertuig van de brandweer die vanaf deze hoogte problematisch wordt. Bij gebouwen hoger dan zeventig meter dient een zelfstandige pompinstallatie te worden geïnstalleerd.
De pompinstallatie dient minimaal eenmaal per vierentwintig uur gedurende vijf minuten proef te draaien. Dit dient automatisch te gebeuren. Bij brandmelding moet de testprocedure worden overbrugd. Het functioneren hiervan moet buiten de pompruimte, bijvoorbeeld in de portiersloge, receptie en/of een commandoruimte, optisch worden gesignaleerd. (Ontleend aan de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl) Ten minste eenmaal per maand dienen de resultaten van het automatische proefdraaien vastgelegd te worden in het logboek.
Lid 4
De installatie dient gecontroleerd te worden door een installateur die indien noodzakelijk herstelwerkzaamheden uitvoert. De resultaten van de inspectie dienen opgenomen te worden in het logboek.
Artikel 7 Brandweerlift
Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid, veiligheid en goede werking van brandweerliften;
Toelichting bij artikel 7
Wanneer een lift regelmatig wordt getest volgens het Warenwetbesluit Liften wordt niet volledig voldaan aan dit artikel. Bij een vervolgkeuring worden door het Liftinstituut de volgende zaken gecontroleerd:
- - Oproep hoofdstopplaats;
- - Alle overige oproepen vervallen;
- - Alleen kooiopdrachten;
- - Parkeren met geopende deuren;
- - Fotocellen uitgeschakeld.
Een lift dient ook getest te worden op de volgende onderdelen:
- - De schachtventilatie;
- - De plaatsing van de schakelaar voor de liftvoeding in de laagspanningsruimte;
- - De ligging van de voedingskabel naar de hoofdschakelaar van de lift in de machinekamer.
Een vervolgkeuring vindt de eerste keer plaats na uiterlijk twaalf maanden en vervolgens iedere keer na uiterlijk achttien maanden. De resultaten van de test dienen opgenomen te worden in het logboek. Indien nodig, dienen onmiddellijk herstelwerkzaamheden uitgevoerd te worden.
Het onderhoud van liften wordt geregeld in NEN-EN 13015, uitgave 2001 ‘Onderhoud van liften en roltrappen – Regels voor onderhoudsinstructies’.
Artikel 8 Brandmeldinstallatie
- 1. Met betrekking tot het gebruik van de bij of krachtens hoofdstuk 2 vereiste brandmeldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, als bedoeld in de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de vorengenoemde Regeling brandmeldinstallaties 2002.
- 2. Het is verboden zodanige activiteiten uit te voeren dan wel mogelijk te maken, dat daardoor ten onrechte een brandmelding wordt veroorzaakt.
- 3. Indien meerdere meldingen worden veroorzaakt die voortvloeien uit gebrekkig onderhoud, foutief schakelen of werkzaamheden en waarbij de brandweer wordt gealarmeerd, zal er conform bijlage 1 van het “Actieprogramma brandveiligheid Pijnacker-Nootdorp” worden gehandeld.
Toelichting bij artikel 8.1.
Deze eis is bedoeld om ongewenste en onechte meldingen op een adequate manier te voorkomen. Om dit te bereiken is het onder andere noodzakelijk dat er een opgeleid beheerder brandmeldinstallatie beschikbaar is, zoals bedoeld in NEN 2654-1, uitgave 2002 ‘Beheer, controle en onderhoud van brandbeveiligingsinstallaties’. Het certificaat dient te worden opgenomen in het logboek.
Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn, of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.
Toelichting bij artikel 8.2 en 8.3
Door ondeskundigheid, en/of onachtzaamheid neemt het aantal ongewenste automatische brandmeldingen toe. Om onnodige en ongewenste meldingen te voorkomen is door de gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp op 25 september 2003 het actieprogramma brandveiligheid vastgesteld met in bijlage 1 het handhavings- en sanctiebeleid inzake voorschriften in het kader van brandveiligheid, waaronder het voorkomen van onnodige en ongewenste meldingen.
Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie
- 1. De ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik beschikbaar zijn. Het beheer, de controle en het onderhoud van de ontruimingsalarminstallatie wordt geregeld conform NEN 2654-2, uitgave 2004.
- 2. De gebruiker van het bouwwerk waarin bij of krachtens enig wettelijk voorschrift een ontruimingsalarminstallatie is geëist, stelt een ontruimingsplan op ten behoeve van de in het bouwwerk aanwezige personen. Het ontruimingsplan wordt opgesteld volgens de relevante delen van de NTA 8112.
Toelichting bij artikel 9
Lid 1
Om in een calamiteit alle aanwezigen te kunnen alarmeren, stelt hoofdstuk 2 eisen aan de aanwezigheid van een ontruimingsalarminstallatie. Uiteraard moet de werking van een aanwezige ontruimingsalarminstallatie (ook wanneer deze niet geëist wordt in bedoeld hoofdstuk 2, maar wel in een gebouw aanwezig is) gegarandeerd zijn. Gebruikers van een gebouw moeten namelijk kunnen vertrouwen op de goede werking van de ontruimingsalarminstallatie.
Lid 2
Het ontruimingsplan wordt opgenomen in het logboek. Daarnaast worden de verslagen van de ontruimingsoefeningen bijgehouden in het logboek. Voor de opstelling van het ontruimingsplan wordt de aanbeveling voor het opstellen van ontruimingsplannen gevolgd. Deze NTA 8112 ‘Leidraad voor een ontruimingsplan’ wordt uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut. Voor veel gebruiksfuncties is een apart deel beschikbaar.
De totale reeks ziet er als volgt uit. Op dit moment zijn nog niet alle delen beschikbaar. De actuele stand van zaken vindt u op www.nen.nl.
Deel 1: Kantoorgebouwen
Deel 2: Onderwijsgebouwen
Deel 3: Kinderopvanggebouwen
Deel 4: Gebouwen met een publieksfunctie
Deel 5: Logiesgebouwen
Deel 6: Gezondheidszorggebouwen
Deel 7: Industriegebouwen
Deel 8: Cellen en celgebouwen
Deel 9: Ontruimingshandleiding en ontruimingskaart voor niet-vergunningsplichtige bouwwerken
Wanneer het door u benodigde deel nog niet beschikbaar is, kunt u gebruik maken van de publicatie ‘Ontruimingsplannen en –oefeningen’ van het Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening. Deze publicatie is verkrijgbaar via het Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening (NIBHV), Postbus 8714, 3009 AS Rotterdam. www.nibhv.nl.
De aanwezigheid van een ontruimingsplan wordt eveneens vereist op grond van artikel 6.1.1, tweede lid, MBV, artikel 9 van bijlage 3 MBV, artikel 15 Arbowet en afdeling 4 van het Arbobesluit.
Artikel 10 Automatische brandblusinstallatie
Met betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat door burgemeester en wethouders wordt aanvaard Burgemeester en wethouders aanvaarden altijd een geldig certificaat indien dit certificaat afkomstig is van een certificeringsinstelling die terzake is erkend dor de Raad voor Accreditatie.
Toelichting bij artikel 10
Dit artikel heeft als doel dat de werking van een automatische brandblusinstallatie in een gebouw altijd gegarandeerd is. Een automatische brandblusinstallatie kan toegepast worden in een gebouw in het kader van ‘gelijkwaardigheid’ of in het kader van ‘gelijkwaardige veiligheid’. We spreken over ‘gelijkwaardigheid’ wanneer er sprake is van een situatie die past binnen het toepassingsgebied van het Bouwbesluit waarbij de eigenaar van het gebouw de automatische brandblusinstallatie toepast als alternatief voor bouwkundige brandwerende voorzieningen. We spreken over ‘gelijkwaardige veiligheid’ wanneer er sprake is van een situatie die buiten het toepassingsgebied van het Bouwbesluit valt. Een voorbeeld hiervan is een gebouw dat hoger is dan zeventig meter.
Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt bovendien met zich mee dat certificaten van instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in Nederland worden afgegeven.
Burgemeester en wethouders kunnen beleid voeren op dit onderdeel en daarin bepalen van welke certificeringsinstellingen die niet terzake erkend zijn door de Raad voor Accreditatie geldige certificaten worden aanvaard.
De onderhavige eis in de bouwverordening geldt uitsluitend voor een certificaat(gedeelte) inzake het gebruik van de automatische brandblusinstallatie, dat wil zeggen een –niet verlopen- kwaliteitsverklaring betreffende de periodieke goedkeuring van de staat van onderhoud, het gebruiksgereed zijn en de goede werking.
De automatische brandblusinstallatie is ontworpen, aangelegd, opgeleverd en onderhouden overeenkomstig een programma van eisen. Het programma van eisen is beoordeeld door een inspectie-instelling. Deze inspectie-instelling voldoet voor wat betreft het uitvoeren van beoordelingen en inspecties van brandbeveiligingsinstallaties aan EN 45004 en is daarbij een type A inspectie-instelling. De inspectie-instelling is geaccrediteerd door de Stichting Raad voor Accreditatie. Het programma van eisen is goedgekeurd door het bevoegd gezag, voordat met de aanleg van de automatische brandblusinstallatie wordt begonnen. Het programma van eisen, alsmede het bewijs van beoordeling door de inspectie-instelling is binnen de inrichting aanwezig.
Uiterlijk één maand na de aanleg van de installaties, en vervolgens iedere twaalf maanden daarna, worden de installaties geïnspecteerd door een EN 45004, type A, inspectie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor Accreditatie. De inspectierapporten zijn binnen de inrichting aanwezig.
Een installatie is voorzien van een geldige kwaliteitsverklaring (certificaat) die is afgegeven door een certificatie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor Accreditatie.
Artikel 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallatie
- 1. De pompinstallatie van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezige brandslanghaspel moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.
- 2. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van de brandslanghaspel en de daarbij behorende pompinstallaties, conform NEN-EN 671-3, uitgave 2000.
Toelichting bij artikel 11
De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.
De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 671-3, uitgave 2000 ‘Vaste brandblusinstallaties – brandslangsystemen – deel 3: Onderhoud van brandslanghaspels met vormvaste slang en brandslaginstallaties met plat opgerolde slang’ geeft eisen voor de inspectie en onderhoud van brandslanghaspels en brandslangsystemen, waardoor de werking van het product in overeenstemming blijft met het doel waarvoor ze zijn geproduceerd, geleverd of geïnstalleerd. Brandslanghaspels en brandslangsystemen zijn bedoeld als eerste interventiemiddel bij het blussen van een brand totdat er krachtiger blusacties door de brandweer worden ingezet.
Artikel 12 Automatisch werkende vluchtdeuren
- 1. Automatisch werkende deuren in een vluchtroute mogen de ontvluchting niet belemmeren.
- 2. Bij aanwezigheid van een sluisconstructie worden voorzieningen getroffen, zodat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan.
Toelichting bij artikel 12
Lid 1
Automatisch werkende deuren in een vluchtroute moeten bij het wegvallen van de netspanning automatisch opengaan of gemakkelijk met de hand kunnen worden geopend en vervolgens in geopende stand blijven staan. Op handmatig te openen schuifdeuren moet duidelijk kenbaar worden gemaakt hoe de deur moet worden geopend.
Dit artikel geldt niet voor automatisch werkende schuifdeuren waarvoor een brandwerendheidseis of een rookwerendheidseis geldt op grond van enig wettelijk voorschrift. De betreffende deuren moeten zelfsluitend zijn en handmatig geopend kunnen worden.
Lid 2
Bij aanwezigheid van een sluisconstructie dienen voorzieningen te zijn getroffen dat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan.
De voorzieningen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.
Voorbeelden van sluisconstructies die in dit artikellid bedoeld worden, zijn tochtsluizen en bewakingssluizen. Dit artikellid is niet van toepassing op rooksluizen zoals bedoeld in artikel 2.135 van het Bouwbesluit.
Artikel 12A Deuren van overdruktrappenhuizen
De deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een overdruktrappenhuis, als bedoeld in NEN 6092, uitgave 1995, moeten op ooghoogte zijn voorzien van een herkenbaar opschrift waaruit blijkt dat het een overdruktrappenhuis is.
Toelichting bij artikel 12A
Wanneer een trappenhuis op overdruk staat, kunnen vluchtende mensen denken dat de toegang tot het trappenhuis op slot zit. De weerstand van een deur waarbij het trappenhuis op overdruk staat, is groter dan de weerstand van een normale deur. Een voorbeeld van een opschrift is: ‘HARD DUWEN, trappenhuis kan op overdruk staan’.
Artikel 13 Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding
- 1. De vluchtrouteaanduiding, die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is vereist, dient altijd goed zichtbaar te zijn.
- 2. De vluchtrouteaanduiding die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is vereist, wordt tenminste eenmaal per jaar gecontroleerd en zo nodig gerepareerd.
Toelichting bij artikel 13
Lid 1
De vluchtrouteaanduiding dient te voldoen aan het gestelde in artikel 2.6.8 tot en met 2.6.10 van de bouwverordening. Vluchtrouteaanduidingen moeten te allen tijde zichtbaar zijn. Hiermee wordt bedoeld dat er geen gordijnen voor de vluchtrouteaanduiding mogen hangen.
Voor de staat van vluchtrouteaanduidingen in bestaande bouwwerken en als grondslag voor een besluit op grond van artikel 13 Woningwet, dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom wordt het hiervoor bedoelde voorschrift in artikel 2.6.9, eerste lid van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 5.2.1 van de bouwverordening.
Lid 2
De resultaten van de controle dienen opgenomen te worden in het logboek.
Artikel 14 Gasflessen
Vervallen
Toelichting bij artikel 14
Vervallen
Artikel 14A Gasflessen opslag buiten
- 1. De opslag van gasflessen dient te voldoen aan de eisen gesteld in de CPR 15-1 (Richtlijn van de Commissie van Rampen door Gevaarlijke stoffen).
- 2. De praktische uitwerking voor deze opslag is overeenkomstig de Praktijkrichtlijn voor de opslag van gevaarlijke stoffen, uitgave 1999, van de Hulpverleningsregio Haaglanden.
Artikel 15 Rookbeheersingssystemen
Met betrekking tot het gebruik, het onderhoud en de controle van het bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste rookbeheersingssysteem moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend door een door burgemeester en wethouders aanvaarde instelling.
Toelichting bij artikel 15
Er bestaan diverse rookbeheersingssystemen. Voorbeelden zijn: rook- en warmteafvoerinstallaties, overdrukinstallaties en stuwkrachtventilatie. Van het gebruik, het onderhoud en de controle van rookbeheersingssystemen moet te allen tijde een certificaat kunnen worden overlegd.
De rookbeheersinssystemen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl .
Artikel 16 Overdrukinstallatie
Vervallen
Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen
- 1. Voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd.
- 2. Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige onderhoud verricht en een controle gehouden op de goede werking van de voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of een brandwerendheidseis geldt.
Toelichting bij artikel 17
Alle voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd. Voorbeelden van de bedoelde voorzieningen zijn brandkleppen en brandmanchetten. Deze voorzieningen kunnen getroffen zijn in luchtbehandelingskanalen, maar ook kabelgoten, transportsystemen en buizenpost zijn voorbeelden van doorvoeren die door wanden kunnen lopen waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt.
De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.
Artikel 18 Brandweeringang
Vervallen
Artikel 19 Logboek
- 1. De historie van de brandbeveiligingsvoorzieningen, de werkzaamheden en het onderhoud bij of krachtens enig voorschrift uit deze verordening inclusief bijlagen vereist, worden in een logboek vermeld.
- 2. Het logboek ligt in het bouwwerk ter inzage en wordt onmiddellijk aan de met toezicht belaste personen getoond.
Toelichting bij artikel 19
Met de historie van de installatie wordt bedoeld: alle technisch relevante informatie voor een correcte aanleg van de installatie, de werkzaamheden die verricht zijn aan de installatie, de verslagen van de maandelijkse controles, de certificaten etc. Eveneens dienen de resultaten van de ontruimingsoefeningen in het logboek vastgelegd te worden.
Het logboek moet onmiddellijk beschikbaar zijn, zodat handhavers en toezichthouders het kunnen raadplegen.
Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsuitoefening
Voordat er onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003, of gereedschappen worden gebruikt, in, op of aan een bouwwerk of installatie van een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, wordt dit door de rechthebbende van dat bouwwerk aan burgemeester en wethouders gemeld.
Toelichting bij artikel 20
Burgemeester en wethouders dienen op de hoogte te worden gesteld van werkzaamheden die worden verricht aan bijzondere gebouwen. Het betreft hier onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003 of gereedschappen worden gebruikt. Bijzondere gebouwen zijn gebouwen die kunstwaarde hebben of van wetenschappelijk of maatschappelijk belang zijn. Per gemeente wordt bepaald voor welke gebouwen deze eis van toepassing is.
Artikel 21 Rookmelders in woningen
De op grond van artikel 2.146, lid 7, van het Bouwbesluit 2003 aanwezige rookmelders moeten adequaat functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002.
Toelichting bij artikel 21
Met dit artikel wordt bedoeld dat de rookmelders in woningen die op grond van artikel 2.146, lid 7 van het Bouwbesluit vereist zijn, adequaat moeten functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002, ‘Brandveiligheid van gebouwen – rookmelders voor woonfuncties’. De op grond van enig ander wettelijk voorschrift noodzakelijke rookmelders vallen buiten dit artikel.
Rookmelders hebben een beperkte levensduur. De werking van de rookmelder dient te allen tijde gegarandeerd te zijn.
Artikel 22 Roltrap
Een terugloopruimte van een roltrap wordt ter voorkoming van brand vrijgehouden van vuil en stof. Deze ruimte wordt daartoe overeenkomstig NEN-EN 13015, uitgave 2001, ten minste eenmaal per kwartaal onderhouden en gereinigd.
Toelichting bij artikel 22
Wanneer de terugloopruimte van een roltrap niet deugdelijk onderhouden en gereinigd is, bestaat er een verhoogd risico op het ontstaan van brand.
Artikel 23 Garantiecertificaat
Constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen, zijn voorzien van een geldig certificaat. Het certificaat wordt opgenomen in het logboek.
Toelichting bij artikel 23
Voorbeelden van constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen zijn:
- - Rieten daken; na behandeling kan een rieten dak niet-brandgevaarlijk zijn.
- - Stalen draagconstructies; na behandeling met een verfsysteem kan de draagconstructie brandwerend zijn.
- - Houten gevelbekleding; na behandeling met een impregneermiddel kan de gevelbekleding voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van brandvoortplanting.
Aangezien de benodigde behandeling van de constructie veroudert, bestaat er een risico op een vermindering van de kwaliteit. Deze kwaliteit dient gegarandeerd te worden doordat een geldig certificaat beschikbaar is.
Er wordt vanuit gegaan dat de benodigde voorzieningen in beginsel goed zijn aangebracht en dat ze in stand worden gehouden.
Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes
De opslag van goederen is niet toegestaan in:
- a. rookvrije vluchtroutes van slaapgebouwen (woonfunctie, logiesfunctie, celfunctie, gezondheidsfunctie);
- b. brand- en rookvrije vluchtroutes van niet-slaapgebouwen (bijeenkomstfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, onderwijsfunctie, sportfunctie, winkelfunctie, overige gebruiksfunctie)
Toelichting bij artikel 24
In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt..
In ruimten waardoor gevlucht wordt, stelt het Bouwbesluit over het algemeen hogere eisen aan het materiaalgedrag in relatie tot de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. In deze ruimten is de opslag van goederen daarom niet toegestaan. De opslag van bijvoorbeeld papier, stoelen etc. heeft immers niet dezelfde kwaliteit als de bouwconstructies waarvoor die hogere eisen aan brandvoortplanting en rookdichtheid geldt.
De bedoelde vluchtroutes waarin opslag niet is toegestaan, zijn bijvoorbeeld gangen en trappenhuizen in gebouwen met woonfuncties, logiesfuncties en gezondheidszorgfuncties (slaapgebouwen) of de brand- en rookvrije vluchtroutes (meestal trappenhuizen) in gebouwen met een kantoorfunctie, onderwijsfunctie, bijeenkomstfunctie, winkelfunctie (niet-slaapgebouwen). Wanneer volgens het Bouwbesluit in de vluchtroute verhoogde eisen gelden aan de mate van brandvoortplanting en rookdichtheid (brandvoortplantingsklasse 3, 2 of 1 / T2 of T1 en/of rookdichtheid 5,4 of 2,2 m-1) is de opslag van goederen in deze ruimten niet toegestaan.
Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein
De rechthebbende op een bouwwerk, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt.
Toelichting bij artikel 25
Een bluswaterwinplaats op eigen terrein moet altijd beschikbaar zijn. De eigenaar van het bouwwerk ten behoeve waarvan de bluswaterwinplaats aanwezig is, moet ervoor zorgen dat de bluswaterwinplaats zodanig is onderhouden dat er altijd voldoende bluswater beschikbaar is.
Het bedoelde onderhoud omvat ten minste een periodieke test op het leveren van voldoende capaciteit en een adequate bereikbaarheid. Deze test dient in de frequentie te worden uitgevoerd die gebruikelijk is voor de publieke brandkranen in de gemeente. Op verzoek van of namens burgemeester en wethouders dient van de test een bewijs (testrapport) te worden overlegd.
Artikel 26 Rolluiken
- 1. Rolluiken moeten voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 19 van de publicatie “Brandbeveiligingsinstallaties”, eerste druk (2002), uitgave van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding, verkrijgbaar bij het NIBRA. De rolluiken moeten tenminste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.
- 2. Tenminste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking van de rolluiken.
Bijlage 3a verordening
Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, eerste lid Eisenpakket kamerverhuurbedrijven kleiner dan 500 m2
Basis voor de eisen
De eisen voor deze groep kamerverhuurbedrijven worden in beginsel bepaald door de in het Bouwbesluit gestelde eisen ten aanzien van bestaande woningen.
Indien het brandveiligheidniveau dit vereist, wordt het niveau op onderdelen verhoogd tot het niveau nieuwbouw. Dit is noodzakelijk indien de eisen zowel feitelijk als in vergelijking met het huidig gevoerde beleid niet toereikend zijn. Indien dit is geschied kan het mogelijk zijn dat het pand qua brandveiligheid nog niet geschikt is voor het aantal bewoners dat er verblijft. Als dit het geval is wordt een beperking gesteld aan het aantal gebruikers, opdat het pand wel veilig gebruikt kan worden.
A. Te beoordelen aspecten (met beperking gebruik)
Kamerverhuurbedrijven kleiner dan 500 m2 worden met eventuele beperking van het gebruik op de volgende aspecten beoordeeld:
- a. constructieve veiligheid;
- b. beperking van de ontwikkeling van brand;
- c. beperking van uitbreiding van brand;
- d. vluchten en vluchtmogelijkheden;
- e. bestrijding van brand.
Ad a. Constructieve veiligheid
Eis: hoofddraagconstructies indien een bedrijfsvloer hoger is gelegen dan 5 respectievelijk 13 m.;
brandwerendheid van 30 respectievelijk 60 minuten met betrekking tot bezwijken.
Niveau: bestaande bouw
Artikel: 2.11 tot en met 2.13 Bouwbesluit.
Ad b. Beperking van de ontwikkeling van brand
Eis: bijdrage tot brandvoortplanting (m.u.v. 5%): klasse 4 voor wanden en plafonds en klasse T3 voor vloeren.
Niveau: bestaande bouw
Artikel: 2.98 tot en met 2.102 Bouwbesluit.
Ad c. Beperking van uitbreiding van brand
Als brandcompartiment wordt aangemerkt:
- - het totale gebouw (niveau bestaande bouw);
- - een of meer met elkaar in verbinding staande afzonderlijke besloten ruimten waardoor geen vluchtweg voert, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m² (niveau nieuwbouw). Conform de gebruiksfunctie: “Logiesfunctie”.
Eis: de WBDBO tussen de brandcompartimenten is 60 minuten.
Niveau: nieuwbouw
Artikel: 2.103 en 2.106, lid 1, 3, 5 en 7 Bouwbesluit.
Ad d. Vluchten en vluchtmogelijkheden
Niveau: nieuwbouw woonfunctie.
Artikel: 2.145 en 2.146 Bouwbesluit.
Eis: rookgetal van wanden en plafonds (m.u.v. 5%): 10 m-1.
Niveau: bestaande bouw
Artikel: 2.130, 2.131, 2.132 en 2.133 Bouwbesluit.
Ad e. Bestrijden van brand
Eis: iedere bouwlaag < 150 m² dient te beschikken over een poederblusser of koolzuur-sneeuwblusser (P6) en iedere bouwlaag > 150 m² dient te beschikken over een mini-haspel.
Niveau: gebruikseis
Artikel: 6.1.1, lid 2 Bouwverordening.
Maximaal aantal bewoners
Indien het pand wordt beoordeeld als woning, moet het gebruik zoveel mogelijk zijn afgestemd op het gebruik van woningen. Zodra dit (op onderdelen) niet het geval is, dient bekeken te worden of dat beperking van het gebruik (aantal bewoners) tot gevolg dient te hebben.
Kenmerken van woningen met betrekking tot de brandveiligheid zijn het beperkte aantal bewoners, de sociale controle naar elkaar en het bereikbaar zijn van alle verblijfsruimten door alle bewoners.
Beperkingen aan het maximale aantal bewoners heeft een directe relatie met de mogelijkheid tot ontvluchting. Indien in de woning de primaire trap een WBDBO heeft van 20 minuten, is vanaf een verblijfsruimte geen ontsnappingsmogelijkheid noodzakelijk. Indien in een kamerverhuurpand deze situatie bestaat is dit niet acceptabel. Door de slechte sociale controle (men reageert niet of pas laat op geluiden e.d. in het gebouw) zal een brand pas laat doordringen tot een kamerbewoner, waardoor ontvluchten via de trap veelal niet meer mogelijk is. Kamers welke dan ook niet op een andere wijze verlaten kunnen worden, dienen buiten gebruik te zijn.
Het gevolg van vorenstaande maatregel is dat ieder kamerverhuurpand (d.w.z. de in gebruik zijnde kamers), dient te voldoen aan de eis dat iedere kamer via een raam o.i.d. verlaten dient te kunnen worden. De primaire trap heeft dus geen noodzakelijke WBDBO van 20 minuten meer. Er moeten in de primaire trap echter wel rookmelders worden geplaatst zoals in de 2e fase Bouwbesluit wordt omschreven. Deze rookmelders dragen zoveel meer bij aan de veiligheid m.b.t. ontvluchten en ontdekken van de brand dat deze altijd aanwezig moeten zijn.
Bij het kunnen verlaten van de kamer door een raam zijn er de volgende mogelijkheden:
- 1. Het verlaten kan plaatsvinden door zelfredzaamheid. Dit is het geval bij kamers gelegen op de begane grond of eerste verdieping, alsmede bij kamers welke bijvoorbeeld via een kooiladder verlaten kunnen worden.
- 2. Het verlaten van de kamers dient plaats te vinden door middel van redding door de brandweer. Dit is mogelijk tot een hoogte van 7 m. indien een handladder gebruikt kan worden, en tot een hoogte van 13 m. indien een redvoertuig gebruikt kan worden. De handladder en/of het red-voertuig dienen dan wel opgesteld te kunnen worden.
Omdat de bewoners slechts gedurende korte tijd kunnen wachten op redding (de kamers hebben geen WBDBO) is het aantal personen dat door de brandweer gered kan worden beperkt. Rekening houdend met ontdekken en melden van brand (2 minuten vanaf brandfase), aanrijtijd (8 minuten voor blusvoertuig en 10 minuten voor redvoertuig) en redtijd van de brandweer, kunnen binnen een tijdsperiode van 15 minuten (10 minuten WBDBO x factor 1,5 voor directe aantasting van constructie) in de resterende minuten 4 à 5 personen gered worden. Dit betekent een beperking van gebruik tot maximaal 5 personen.
Termijnen
Indien het pand niet of niet in voldoende mate voldoet aan één van de onder A. genoemde punten, dient dit binnen drie maanden aangepast te zijn.
Sluiting
Uitgangspunt
Directe (gedeeltelijke) sluiting wordt alleen overwogen indien voor de betrokkenen een levensbedreigende situatie bestaat.
Directe (gedeeltelijke) sluiting wordt overwogen indien een wooneenheid niet over een tweede vluchtmogelijkheid beschikt en de aanwezigen niet zelfredzaam zijn en niet door de brandweer te redden zijn.
Het aanwezig zijn van een ontvluchtingmogelijkheid via bijvoorbeeld een balkon kan directe sluiting niet noodzakelijk maken (zie onder “maximaal aantal bewoners”).
Stappenplan sluiting
Met betrekking tot het proces dat tot sluiting kan leiden, is een drietal stappen te onderscheiden.
- 1. Het stellen van termijnen; indien het pand niet aan de eisen voldoet, maar er niet direct sprake is van een levensbedreigende situatie.
- 2. Het stellen van termijnen en het tijdelijk aanbrengen van extra voorzieningen; indien het pand niet aan de eisen voldoet en er sprake is van een levensbedreigende situatie, maar welke door het tijdelijk aanbrengen van noodvoorzieningen (tijdelijk) opgeheven kunnen worden.
- 3. Het (gedeeltelijk) sluiten; indien het pand niet aan de eisen voldoet en er sprake is van een levensbedreigende situatie, welke door het aanbrengen van noodvoorzieningen niet opgeheven kunnen worden.
Bijlage 4 verordening
Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, tweede lid Gebruikseisen voor bouwwerken, met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties.
De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realiseren. De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheerscomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op brandveilig gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen (veilig omgaan met mogelijke gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het instandhouden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid.
Artikel 1 Uitgangen en vluchtwegen
- 1. Een deur in de vluchtroute wordt, bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk, zodanig gesloten, dat de deur in geval van calamiteit ten behoeve van deze personen van binnen uit onmiddellijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. Deze eis geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie, een celfunctie of een vergelijkbare gebruiksfunctie als de celfunctie.
- 2. Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben, worden niet langer in geopende stand gehouden dan voor het verkeer van personen of het vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel van automatische inrichtingen die de deuren, respectievelijk luiken, loslaten zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering moeten dienen.
- 3. Een deur die in een vluchtroute ligt van een ruimte waarin meer dan 100 personen zullen verblijven en een deur in een doorgang of uitgang bestemd voor ontvluchting van meer dan 100 personen wordt niet anders gesloten dan door middel van
- a. een sluiting, waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen de deur, in de vluchtrichting gezien,
- b. een sluiting waarvan de bedieningsinrichting bestaat uit een op de deur, in de vluchtrichting gezien, aangebrachte voorziening, waarbij de deur opengaat, door een lichte druk tegen deze voorziening (panieksluiting).
- 4. Aan de tegen de vluchtrichting in gekeerde zijde van een nooddeur in een uitwendige scheidingscontructie wordt een opschrift aangebracht volgens NEN 3011, uitgave 2004. Het opschrift luidt: “NOODDEUR VRIJHOUDEN”.
Toelichting bij artikel 1
Lid 1
Deuren in een vluchtroute moeten bij de aanwezigheid van personen in een bouwwerk onmiddellijk geopend kunnen worden, zonder dat hiervoor een sleutel noodzakelijk is. De eis geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie en een celfunctie.
Een woonfunctie moet namelijk in verband met inbraakwerendheid met een sleutel afgesloten kunnen worden en een celfunctie moet vanwege de aard van de functie met een sleutel afgesloten kunnen worden.
In het artikel is expliciet vermeld dat van deze eis de toegangsdeur van een woonfunctie en een celfunctie zijn uitgesloten, omdat in gebouwen met meerdere woonfuncties en celfuncties ook veelal deuren in rookvrije vluchtroutes voorkomen. Om een veilige ontvluchting mogelijk te maken, moeten deze deuren in rookvrije vluchtroutes wel zonder sleutel geopend kunnen worden.
Bij een celfunctie worden in veel gevallen ten aanzien van deze eis specifieke afspraken gemaakt met de gebouweigenaar. De interne organisatie van gebouwen met een celfunctie kan bepaalde brandweertaken overnemen en de coördinatie houden over de ontruiming.
In de portiersloge/centraalpost dient voor het geval het cellengedeelte onder de rook staat en betreden ervan zonder gebruik van adembeschermende apparatuur niet verantwoord is een speciale kast aanwezig te zijn, die toegankelijk is voor de brandweer en waarin zich een voldoende aantal moedersleutels bevindt waarmee alle deuren in het cellencomplex kunnen worden geopend. Het aantal dient in overleg met de plaatselijke brandweer te worden vastgesteld.
In het artikel wordt tevens bepaald dat deze eis niet geldt voor een vergelijkbare functie als de celfunctie. Hiermee worden bijzondere situaties bedoeld, zoals psychiatrische instellingen e.d. Bij dergelijke situaties moeten specifieke afspraken gemaakt worden met de gebouweigenaar. In het reguliere gebruik mogen deuren afgesloten zijn, mits de deuren automatisch worden ontgrendeld in geval van een calamiteit. Projectspecifiek moeten hier passende elektrotechnische oplossingen voor worden gezocht.
Lid 2
De automatische inrichtingen voor het loslaten van deuren, respectievelijk luiken zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering dienen, voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 10 van de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding.
Lid 3
De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6810 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.
Prestatie-eisen aan de bedieningsinrichting worden tevens gegeven in NEN-EN 1125, uitgave 2003 Ontw. En ‘Hang en sluitwerk – panieksluitingen voor vluchtdeuren met een horizontale bedieningsstang voor het gebruik van vluchtroutes – Eisen en beproevingsmethoden’.
De bedieningsinrichting moet op een hoogte tussen 0,9 – 1,1 meter gemeten vanaf de vloer worden aangebracht. Wanneer er aanwijsbare redenen zijn om hiervan af te wijken (bijvoorbeeld in een kinderdagverblijf) kan dit overlegd worden met de brandweer. Hierbij wordt aan de basiseis voldaan, dat de deur opengaat door een lichte druk tegen de voorziening. Met andere woorden: als je tegen de deur aanloopt, moet deze open gaan.
Lid 4
Nooddeuren zijn te allen tijde bruikbaar en ook de route achter de deur is vrij. Dit geldt ook voor situaties waarbij de nooddeur uitkomt in de buitenlucht. Op maaiveld worden geen auto’s fietsen of andere obstakels geplaatst die de vluchtroute belemmeren.
Het opschrift voldoet aan NEN 3011: 2004 ‘Veiligheidskleuren en –tekens in de werkomgeving en in de openbare ruimte’.
Een nooddeur is een deur die uitsluitend bestemd is om het bouwwerk te ontvluchten. Bij de overige deuren van het gebouw is een dergelijk opschrift niet noodzakelijk, omdat deze deuren ook als toegang gebruikt kunnen worden. De beschikbaarheid en bereikbaarheid van toegangsdeuren is over het algemeen goed.
Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering
- 2. Stoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere warm wordende apparatuur. De temperatuur ter plaatse van de versiering is niet hoger dan 90 °C.
- 3. Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering blijft een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter.
- 4. De versiering als bedoeld in het vorige lid is in geval van brand niet gemakkelijk ontvlambaar, in geval van brand vindt geen druppelvorming plaats.
- 5. Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn binnen een bouwwerk niet aanwezig.
- 6. De toe te passen materialen en aankledingsproducten hebben in vluchtroutes een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.
- 7. De toegepaste bekleding, stoffering en versiering voldoen ten minste aan de eisen ten aanzien van de brand- en rookklassen zoals gesteld in afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit 2003 die op die locatie gelden voor constructieonderdelen.
Toelichting bij artikel 2
Lid 1
Bij stoffering en versiering moet naast de inrichting van een gebouw ook gedacht worden aan tijdelijke versiering.
Lid 2
Een vrije hoogte van 2,5 meter is noodzakelijk in verband met de menselijke maat.
Lid 3
In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de materiaaleigenschappen van versieringen voor wat betreft ‘makkelijk ontvlambaar’ en ‘druppelvormig’. Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl , informatie beschikbaar waarin een handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite.
Er is geen relatie tussen de mate van brandvoortplanting of rookdichtheid van een materiaal en de mate van druppelvorming. Om druppelvorming te kunnen bepalen is dus een vastgelegde testmethode noodzakelijk. Daarna kunnen prestatie-eisen geformuleerd worden. Zolang er geen testmethode is, is het stellen van prestatie-eisen niet mogelijk.
De voorwaarde dat versiering, bekleding en bijvoorbeeld tentzeilen bij brand geen druppelvorming mogen vertonen, is dus niet terug te leiden naar enige norm. De gemeenten die deze voorwaarden hanteren, doen dat op basis van de gemeentelijke beleidsvrijheid. Dit neemt niet weg dat het stellen van een dergelijke voorwaarde duidelijk gemotiveerd moet kunnen worden. Op onderdelen zou gebruik gemaakt kunnen worden van de NTA 8007 ‘Brandgedrag versieringsmaterialen’.
Lid 4
Wanneer er in een bouwwerk met gas gevulde ballonnen aanwezig zijn, is er een verhoogde kans op het ontstaan van een ontploffing en als gevolg daarvan branduitbreiding.
Lid 5
Voor textielproducten dienen de navlamduur en de nagloeiduur bepaald te zijn volgens NEN-EN-ISO 6940, uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – bepaling van de ontvlambaarheid van verticaal geplaatste proefstukken’ en NEN-EN-ISO 6941, uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – meting van de vlamverspreidingseigenschappen van verticaal geplaatste proefstukken’. Voor kunststofproducten zijn nog geen normen beschikbaar.
Lid 6
In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.
Aan bekleding, stoffering en versiering in een bouwwerk worden dezelfde eisen gesteld als aan constructieonderdelen zoals beschreven in afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit.
In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de materiaaleigenschappen van stoffering en bekleding voor wat betreft ‘brand- en rookklassen’. Voor versiering is in Nederland de NTA 8007 ‘Brandgedrag versieringsmaterialen’ opgesteld. Deze norm geeft geen classificatie van brand- en rookklassen (of een vergelijkbaar systeem met een transponeringstabel) zoals dat in het Bouwbesluit wordt gebruikt.
Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl informatie beschikbaar waarin een handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite.
Artikel 3 Elektrische verlichting
Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de aanwezigheid van personen wordt verduisterd, is in die ruimte, indien er meer dan vijftig personen gelijktijdig verblijven, elektrische verlichting aanwezig van zodanige sterkte dat een redelijke oriëntering mogelijk is.
Toelichting bij artikel 3
Met dit artikel wordt gewaarborgd dat in ruimten die mogelijk verduisterd zijn tijdens de aanwezigheid van personen altijd elektrische verlichting aanwezig is. Er moet een elektrische verlichtingsinstallatie met een dusdanige sterkte aanwezig zijn dat oriëntatie mogelijk is. Mensen moeten daar altijd over kunnen beschikken.
Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen
Een blusmiddel dat bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezig is, is voldoende herkenbaar of zichtbaar aangegeven.
Toelichting bij artikel 4
Wanneer er sprake is van een ingebouwd blusmiddel, is het blusmiddel onvoldoende herkenbaar. Dit betekent dat in deze gevallen een pictogram aangebracht moet worden, zodat aan de buitenzijde van de kast zichtbaar is, dat er een blusmiddel in de kast aanwezig is.
Wanneer er sprake is van een blusmiddel in bijvoorbeeld een stellingenmagazijn of in een winkel met schappen of andere belemmeringen, is het blusmiddel onvoldoende zichtbaar. Een platte sticker op of boven het blusmiddel is in de omgeving onvoldoende zichtbaar.
In deze gevallen moet een pictogram aangebracht worden, zodat in de omgeving zichtbaar wordt dat er een blusmiddel aanwezig is.
De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6801 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.
Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw
Voor het afsteken van vuurwerk in bouwwerken wordt veertien dagen van tevoren een overzicht bij burgemeester en wethouders ingediend, waaruit blijkt dat die activiteit op veilige wijze zal plaatsvinden.
Toelichting bij artikel 5
Om de veiligheid bij het ontsteken van vuurwerk in bouwwerken te waarborgen, is het van belang dat burgemeester en wethouders inzicht hebben in de wijze waarop de activiteit wordt uitgevoerd. Het aspect veiligheid verdient bijzondere aandacht.
Degene die het vuurwerk afsteekt in bouwwerken moet veertien dagen van tevoren een overzicht bij burgemeester en wethouders indienen waaruit blijkt dat die activiteit op een veilige wijze plaatsvindt. De beoordeling vindt plaats op grond van artikel 6.4.1.
Artikel 6 Opstelling van inventaris
- 1. Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig zijn van ten minste 0.40 meter, gemeten tussen de loodlijnen door de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen.
- Indien in een rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de genoemde vrije ruimte ter plaatse van de tafeltjes doorlopen.
- 2. In rijen opgestelde zitplaatsen, waarbij sprake is van
- - meer dan 4 stoelen in een rij, en
- - meer dan 4 rijen, en
- - een ruimte waarin meer dan 100 stoelen aanwezig zullen zijn, zijn zo gekoppeld dan wel aan de vloer bevestigd dat deze ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.
- 3. Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.
- 4. Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang uitkomt, mag ten hoogste bevatten:
- - 16 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner is dan 0,45 meter;
- - 32 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45 meter;
- - 50 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de rijen per 4 rijen een uitgang met een breedte van tenminste 1,10 meter aanwezig is.
- 5. De inrichting van een ruimte, met inbegrip van door personen bezette stoelen, neemt tot een hoogte van 2,5 meter slechts zodanige oppervlakten in beslag –gemeten in loodrechte projectie op de vloer- dat ten minste
- - 0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor geen zitplaats aanwezig is,
- - 0,30 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen,
- - 0,50 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen.
- 6. Inrichtingen in een ruimte waarin personen verblijven, zijn, indien de vrije vloeroppervlakte minder dan 0,5 m2 per persoon bedraagt, zodanig aangebracht dat zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.
Toelichting bij artikel 6
Lid 1
Hiermee wordt een voldoende doorstroomcapaciteit tussen in rijen opgestelde stoelen gewaarborgd.
Lid 2
Het onderling koppelen van stoelen dient zodanig gerealiseerd te worden dat deze als gevolg van gedrang niet ontkoppeld kunnen worden.
Er wordt geacht voldaan te worden aan de gestelde eisen wanneer de stoelkoppelingen voldoen aan NEN-EN 14703:2005 Ontw. En ‘Meubelen –verbindingen voor gekoppelde zitmeubelen- sterkte en veiligheidseisen en beproevingsmethoden’.
Lid 3
Hiermee wordt gewaarborgd dat slechts een beperkt aantal mensen op een ‘doodlopend eind’ zitten. Wanneer doodlopende rijen zitplaatsen te lang worden, ontstaat het gevaar dat mensen over stoelen klauteren waardoor paniek en chaos ontstaat. Dit gevaar moet worden voorkomen. Een voldoende uitstroomcapaciteit van een doodlopende rij stoelen moet gegarandeerd zijn.
Lid 4
Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt. Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van stoelen verdient de doorstroomcapaciteit van de looppaden tussen de stoelen bijzondere aandacht.
Lid 5
Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt. Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van meubelen en objecten in een ruimte verdient de doorstroomcapaciteit van de verkeersgebieden nadere aandacht.
Lid 6
Om een veilige ontvluchting te kunnen garanderen in een ruimte waarin veel mensen samenkomen, moet de inrichting hiervan niet kunnen verschuiven of omvallen. Wanneer de inrichting omvalt of verschuift zal dit namelijk de ontvluchting belemmeren en leiden tot ongewenste paniek.
Artikel 7 Afval
Vervallen
Artikel 8 Periodieke controle van draagbare blustoestellen
Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige onderhoud verricht conform NEN 2559, uitgave 2001 en een controle gehouden op de reinheid en de goede werking van draagbare blustoestellen. Indien nodig worden deze gerepareerd.
Toelichting bij artikel 8
De aanwezigheid van draagbare blustoestellen wordt bij of krachtens wettelijke voorschriften gesteld. In sommige situaties zijn draagbare blustoestellen in een gebouw aanwezig op vrijwillige basis of op verzoek van verzekeraars. Aangezien het gebruik van draagbare blustoestellen eenvoudig is, moeten gebruikers van het gebouw ervan uit kunnen gaan dat de werking van de draagbare blustoestellen gegarandeerd is. Alle draagbare blustoestellen, dus ook degene die op vrijwillige basis worden opgehangen, moeten worden gecontroleerd op reinheid en een goede werking en indien nodig gerepareerd.
Artikel 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal
Hout, hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat en kunststof plaatmateriaal in buitenwanden, scheidingswanden of plafonds van stands, podia, kramen etc. die in gebouwen zijn gelegen, wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat
- a. het materiaal ten minste 3,5 mm dik is en
- b. het materiaal kan worden ingedeeld in klasse 4 als bedoeld in NEN 6065, uitgave 1991 en NEN 6065/A1, uitgave 1997.
Toelichting bij artikel 9
In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.
Met ingang van 13 mei 2003 is het gebruik van de Euroklassen voor het brandgedrag van bouwmaterialen en -producten in het Bouwbesluit geïntroduceerd. In de Ministeriële Regeling Bouwbesluit is een tabel gepubliceerd waarmee de in het Bouwbesluit vereiste brandvoortplantingsklasse en rookdichtheid (NEN 6065, NEN 1775 en NEN 6066) kan worden vertaald naar een Europese brandklasse. De Ministeriële Regeling kunt u vinden via www.vrom.nl.
Artikel 10 Glas
Glas als versiering en/of bekleding aan plafonds en wanden dan wel in plafonds van stands podia, kramen etc. of in buitenwanden en scheidingswanden tussen stands podia, kramen etc.
wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarde dat het glas als veiligheidsglas wordt aangemerkt of dat het glas is voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 16 mm.
Toelichting bij artikel 10
In de praktijk is gebleken dat het toepassen van glas als versiering aan plafonds een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. In geval van brand moet voorkomen worden dat bij het bezwijken van glas grote stukken naar beneden vallen en die stukken daarmee een gevaar vormen voor de vluchtende mensen en/of hulpdiensten. In dit artikel wordt dit gevaar gereduceerd.
Artikel 11 Textiel in horizontale toepassing
Textiel in horizontale toepassing bij stands, podia, kramen etc. wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat het textiel onderspannen is met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 meter of dat het textiel onderspannen is met metaaldraad in twee richtingen met een maaswijdte van ten hoogste 0,70 meter
Toelichting bij artikel 11
In de praktijk is gebleken dat het toepassen van textiel in horizontale toepassing een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. Tevens dient te worden voorkomen dat textiel dat in horizontale toepassing is aangebracht, naar beneden valt en daarmee vluchtende personen hindert. Met dit voorschrift wordt dit gevaar gereduceerd.
Artikel 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier of fotopapier
Kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier en fotopapier in stands, podia, kramen etc. wordt geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal, board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas en verwerkt volgens het gestelde in artikel 9 en 10 van bijlage 4 van de bouwverordening.
Toelichting bij artikel 12
In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen wordt voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens wordt voorkomen dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.
Bijlage 5 bij verordening
Bijlage behorend bij artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen
| ADR-klasse | Omschrijving | Verpakkinggroep | Toegestane maximum hoeveelheid in kg of l |
|---|---|---|---|
|
2 UN 1950 Spuitbussen & UN 2037 Houders, klein, gas |
gassen zoals propaan, zuurstof, stikstof, argon, kooldioxide, acyteleen, aerosolen (spuitbussen) | n.v.t. | 50 |
| 3 | brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton | II | 25 |
|
3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C |
brandbare vloeistoffen zoals terpetine en bepaalde inkten | III | 50 |
| 3 4.1, 4.2, 4.3 |
4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbonaat |
II en III | 50 |
| 5.1 | brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide | II en III | 50 |
| 5.2 | organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en di-propionyl peroxide | n.v.t. | 1 |
|
2 gasflessen |
n.v.t | 115 liter waterinhoud | |
|
3 dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C |
III | 1.000 liter |
Op grond van artikel 6.2.2 is het in beginsel verboden een stof die in bijlage 5 is aangemerkt, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop worden echter uitzonderingen gemaakt. De uitzonderingen maken het mogelijk om deze stoffen in beperkte voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan ‘huishoudelijk gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn afgestemd op de ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer worden gesteld.
¹ Eenheid bepaald overeenkomstig het Inrichtingen- en vergunnenbesluit milieubeheer.
Bijlage 6 verordening
Bijlage behorend bij artikel 6.2.3 Opslag brandgevaarlijke stoffen
Vervallen
Bijlage 7 verordening
Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen
De NEN normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:
- a. NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979);
- b. NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979);
- c. NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen en buitenrioleringen';
- d. NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, “Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering - Ongeplastificeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem” (Engelstalig, met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig);
- e. NEN EN 295 1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval Deel 1. Eisen (Engelstalig)', met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997 en A3, uitgegeven 1999;
- f. NEN EN 295 2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername (Engelstalig), met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999;
- g. NEN EN 295 3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval Deel 3. Beproevingsmethoden (Engelstalig).
Bijlage 8 verordening
Bijlage behorende bij artikel 8.1.2
Vervallen
Bijlage 9 verordening
Bijlage behorende bij artikel 1.3 Kaart bebouwde kom Pijnacker-Nootdorp.
Bijlage 10 verordening
Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)
Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de toelichting op de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4. Bij de toepassing van de in de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt in tabel 2.6.1 verstaan onder:
- : dit lid is niet van toepassing
* : het hele artikel is van toepassing
> : alle waarden groter dan de achter dit teken aangegeven waarde
≤ : alle waarden kleiner of gelijk aan de achter dit teken aangegeven waarde
F : in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel 2.6.1, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere criteria
a : zonder doormelding naar een brandweeralarmcentrale
1: indien in combinatie met een grenswaarde in m2: deze voorziening dient altijd aanwezig te zijn, ongeacht de grootte van het vloeroppervlak
Wanneer in de tabel twee grenswaarden of prestatie-eisen in dezelfde rij van de tabel worden gegeven, moet aan beide criteria worden voldaan.
Voorbeeld:
Bij de winkelfunctie komt in tabel 2.6.1 van bijlage 10 het meest duidelijk tot uitdrukking dat aan het vereiste van twee criteria moet worden voldaan voordat een brandmeldinstallatie nodig is.
Bijeenkomstfunctie niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport – wanneer het gebruiksoppervlak groter is dan 1.000 m2 en er meer dan 1 verblijfsruimte bestemd voor bezoekers is, dan is gedeeltelijke bewaking en doormelding noodzakelijk.
Wanneer in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in verschillende regels van de tabel worden gegeven, moet aan één van de criteria worden voldaan.
Voorbeeld:
Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar – wanneer het gebruiksoppervlak groter is dan 200 m2 of er een vloer op een hoogte ligt van meer dan 2,4 meter ten opzichte van het meetniveau, dan is volledige bewaking en doormelding vereist.
Bijlage 11 verordening
Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsalarminstallaties)
| Gebruiksfunctie | Artikelen van toepassing | ||||
|---|---|---|---|---|---|
| Aanwezigheid | Kwaliteit | ||||
| Artikel | 2.6.6 | 2.6.7 | |||
| Lid | |||||
| 1 | Woonfunctie | ||||
| woonfunctie niet van een woonwagen bestemd voor minder zelfredzame personen | * | * | |||
| 2 | Bijeenkomstfunctie | * | * | ||
| 3 | Celfunctie | * | * | ||
| 4 | Gezondheidszorgfunctie | * | * | ||
| 5 | Industriefunctie | ||||
| industriefunctie niet zijnde een lichte industriefunctie | * | * | |||
| 6 | Kantoorfunctie | * | * | ||
| 7 | Logiesfunctie | ||||
| Logiesgebouw | * | * | |||
| 8 | Onderwijsfunctie | * | * | ||
| 9 | Sportfunctie | * | * | ||
| 10 | Winkelfunctie | * | * | ||
| 11 | Overige gebruiksfunctie | ||||
| Overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen | * | * | |||
| overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer | * | * | |||
| andere overige gebruiksfunctie | * | * | |||
| 12 | Bouwwerk geen gebouw zijnde | - | - | ||
Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de toelichting op de artikelen 2.6.6 en 2.6.7. Voor de toepassing van de in de artikelen 2.6.5 tot en met 2.6.7 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt in tabel 2.6.5 verstaan onder:
-: dit lid is niet van toepassing;
*: het hele artikel is van toepassing;
Bijlage 12 verordening
Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)
| Gebruiksfunctie | Artikelen van toepassing | ||||
|---|---|---|---|---|---|
| Aanwezigheid | Kwaliteit | ||||
| Artikel | 2.6.9 | 2.6.10 | |||
| Lid | |||||
| 1 | Woonfunctie | ||||
| Woongebouw | * | * | |||
| 2 | Bijeenkomstfunctie | * | * | ||
| 3 | Celfunctie | ||||
| Cellengebouw | * | * | |||
| 4 | Gezondheidszorgfunctie | * | * | ||
| 5 | Industriefunctie | ||||
| industriefunctie niet zijnde een lichte industriefunctie | * | * | |||
| 6 | Kantoorfunctie | * | * | ||
| 7 | Logiesfunctie | ||||
| Logiesgebouw | * | * | |||
| 8 | Onderwijsfunctie | * | * | ||
| 9 | Sportfunctie | * | * | ||
| 10 | Winkelfunctie | * | * | ||
| 11 | Overige gebruiksfunctie | * | * | ||
| 12 | Bouwwerk geen gebouw zijnde | * | * | ||
| Tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer | F | * | |||
| Ander bouwwerk geen gebouw zijnde | - | - | |||
Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de toelichting op de artikelen 2.6.9 en 2.6.10. Voor de toepassing van de in de artikelen 2.6.8 tot en met 2.6.10 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt in tabel 2.6.8 verstaan onder:
-: dit lid is niet van toepassing;
*: het hele artikel is van toepassing;
F: in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel 2.6.8, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere criteria.
Bijlage 13 verordening
Tabel 2.5.30 behorende bij artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen.
Parkeernormen en berekeningsaantallen Pijnacker-Nootdorp
Parkeernormen woningen
| Stedelijke zone | ||||
|---|---|---|---|---|
| Rest bebouwde kom | ||||
| Woning duur [per woning] 1) | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 2,0 | 2,1 | 0,3 pp per woning | zowel koop als huur |
| Woning midden [per woning] 1) | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 1,8 | 1,9 | 0,3 pp per woning | zowel koop als huur |
| Woning goedkoop [per woning] 1) | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 1,55 | 1,7 | 0,3 pp per woning | zowel koop als huur |
| Serviceflat/aanleunwoning 2) [per woning] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 0,45 | 0,6 | 0,3 pp per woning | |
| Kamer verhuur [per kamer] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 0,4 | 0,6 | 0,2 pp per woning | |
| 1) Koopprijsgrenzen “goedkoop, “midden” en “duur” zoals jaarlijks vastgesteld door het stadsgewest Haaglanden bij de regionale prestatieafspraken woningbouw. | ||||
| 2) Zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen (veel gereserveerde gehandicaptenplaatsen, dus minder gecombineerd gebruik mogelijk). | ||||
Parkeernormen winkels
| Stedelijke zone | ||||
|---|---|---|---|---|
| Rest bebouwde kom | ||||
| Binnensteden/hoofdwinkelgebieden [per 100 m2 bvo1)] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 3,3 | 3,8 | 85% | 1 arbeidsplaats = 40 m² bvo |
| Wijk-, buurt- en dorpscentra [per 100 m² bvo] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 3,25 | 4,0 | 85% | 1 arbeidsplaats = 40 m² bvo |
| Grootschalige detailhandel2 [per 100 m2 bvo] |
||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 7,0 | 8,0 | 85% | 1 arbeidsplaats = 40 m2 bvo |
| Showroom [per 100 m2 bvo] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 1,7 | 1,8 | 35% | 1 arbeidsplaats = 30-50 m2 bvo |
| (Week)markt [per 1 m2 marktkraam] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 0,2 | 0,24 | 85% | 1 m2 marktkraam = 6 m2 bvo (indien geen parkeren achter kraam dan + 1,0 pp per standhouder extra) |
| 1) bvo = bruto vloeroppervlak; 100 m2 bvo = 60-80 m2 vvo (verkoop (netto) vloeroppervlak). | ||||
| 2) Grootschalige detailhandel: winkelformules die vanwege de omvang en aard van het assortiment een groot oppervlak nodig hebben en welke bij voorkeur gelegen zijn op perifere locaties (bijvoorbeeld grote publiekstrekkende tuin/meubelcentra met (boven)regionale functie. Het gaat niet om standaard bouwmarkten of tuincentra, waarvoor een norm van 2,2 – 2,7 pp per 100 m2 bvo kan worden aangehouden). Perifeer: alle terreinen of locaties binnen de bebouwde kom die niet binnen of nabij een bestaand of gepland winkelgebied liggen. | ||||
Parkeernormen werkgelegenheid
| Stedelijke zone | ||||
|---|---|---|---|---|
| Rest bebouwde kom | ||||
| Commerciële dienstverlening (kantoren met baliefunctie) [per 100 m2 bvo | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 3,05 | 3,3 | 20% | 1 arbeidsplaats = 25 - 35 m2 bvo |
| Kantoren zonder baliefunctie [per 100 m2 bvo] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 1,75 | 2,0 | 5% | 1 arbeidsplaats = 25 - 35 m2 bvo |
| Arbeidsextensieve/bezoekersextensieve bedrijven (loods, opslag, groothandel, transportbedrijf, et cetera) [per 100 m2 bvo] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 0,85 | 0,9 | 5% | 1 arbeidsplaats = 30 - 50 m2 vo |
| Arbeidsintensieve/bezoekersextensieve bedrijven (industrie, garagebedrijf, laboratorium, werkplaats, et cetera) [per 100 m2 bvo] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 2,65 | 2,8 | 5% | 1 arbeidsplaats = 25 - 35 m2 vo |
| Bedrijfsverzamelgebouw [per 100 m2 bvo] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 1,25 | 1,7 | 10% | 1 arbeidsplaats = 25 - 35 m² bvo |
Parkeernormen onderwijsvoorzieningen
| Stedelijke zone | ||||
|---|---|---|---|---|
| Rest bebouwde kom | ||||
| Beroepsonderwijs dag (MBO, ROC, WO, HBO) [per collegezaal] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 20,0 | 20,0 | totale parkeervraag = collegezalen + leslokalen collegezaal = circa 150 zitplaatsen |
|
| Beroepsonderwijs dag (MBO, ROC, WO, HBO) [per leslokaal] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 6,0 | 7,0 | totale parkeervraag = collegezalen + leslokalen leslokaal = circa 30 zitplaatsen |
|
| Voorbereidend dagonderwijs (VWO, HAVO, VMBO) [per leslokaal] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 0,75 | 1,0 | leslokaal = circa 30 zitplaatsen | |
| Avondonderwijs [per student] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 0,75 | 1,0 | ||
| Basisonderwijs [per leslokaal] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 0,75 | 1,0 | leslokaal = circa 30 zitplaatsen exclusief Kiss & Ride (zie [6.14]) |
|
| Crèche/peuterspeelzaal/kinderdagverblijf [per arbeidsplaats] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 0,7 | 0,8 | arbeidsplaats = maximaal gelijktijdig aanwezig aantal werknemers exclusief Kiss & Ride (zie [6.14]) |
Parkeernormen zorgvoorzieningen
| Stedelijke zone | ||||
|---|---|---|---|---|
| Rest bebouwde kom | ||||
| Ziekenhuis1) [per bed] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 1,6 | 1,7 | bij vaste bezoektijden het maximum hanteren | |
| Verpleeg-/verzorgingstehuis2) [per wooneenheid] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 0,6 | 0,7 | 60% | |
| Arts/maatschap/therapeut/kruisgebouw [per behandelkamer] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 1,75 | 2,0 | 65% | met minimum van 3 parkeerplaatsen per praktijk huisartsenpost ook in avond parkeervraag |
| ¹ Voor meer gedetailleerde kencijfers: Bouwmaatstaven voor parkeervoorzieningen in de zorgsector (College voor ziekenhuisvoorzieningen). | ||||
| ² Niet zelfstandige woning met zorgvoorzieningen. | ||||
| Kencijfers zijn inclusief personeel. | ||||
Parkeernormen horecagelegenheden
| Stedelijke zone | ||||
|---|---|---|---|---|
| Rest bebouwde kom | ||||
| Café/bar/discotheek/cafetaria [per 100 m2 bvo] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 6,0 | 7,0 | 90% | |
| Restaurant [per 100 m2 bvo] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 13,0 | 14,0 | 80% | |
| Hotel [per kamer] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 1,0 | 1,5 |
Parkeernormen sociaal culturele voorzieningen
| Stedelijke zone | ||||
|---|---|---|---|---|
| Rest bebouwde kom | ||||
| Museum [per 100 m2 bvo] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 1,1 | 1,2 | 95% | |
| Bibliotheek [per 100 m2 bvo] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 1,1 | 1,2 | 95% | |
| Bioscoop/theater/schouwburg [per zitplaats] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| matig stedelijk | 0,35 | 0,4 | ||
| Sociaal cultureel centrum/wijk-/verenigingsgebouw [per 100 m2 bvo] | ||||
| norm | max. | aandeel bezoekers | opmerkingen | |
| 2,0 | 3,0 | 90% |
Bijlage A verordening reglement op de welstandscommissie
Bijlage behorende bij artikel 9.3, derde lid, Reglement op de welstandscommissie
1. Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie
1.1 Benoemingsprocedure
De raad wijst op voordracht van het college van B&W de Stichting ‘Dorp Stad & Land,’ (DSL) aan als de welstandscommissie. DSL legt de gemeente een lijst voor met de beoogde commissieleden. Dit betreft de voorzitter, de architectsecretaris, de gemandateerde architect(en) en hun plaatsvervangers. Indien gewenst, vindt overleg plaats tussen DSL en de gemeente. Voor de benoeming van burgerleden en hun plaatsvervangers geldt een afwijkende procedure. B&W kunnen burgerleden voordragen ter benoeming. Alvorens dit te doen, kunnen zij overleggen met DSL over het gewenste profiel van het burgerlid of de burgerleden. DSL stelt voor, ingeval de gemeente daartoe besluit, het aantal burgerleden te beperken tot twee. Burgerleden ontvangen via de gemeente een onkostenvergoeding. Alle leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar. Bij afwezigheid van de voorzitter of de leden van de commissie, treden plaatsvervangers op in de commissievergadering. Het gemandateerde commissielid kan zich door een collega laten vervangen. De voorzitter, de gemandateerde commissieleden, de externe deskundigen, het burgerlid/de burgerleden en hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid. De commissie streeft naar voortdurende afstemming met het beleid inzake de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.
1.2 Samenstelling van de commissie
De advieswerkzaamheden van de welstandscommissies van DSL zijn georganiseerd in drie stappen. De grote en overkoepelende commissie; de standaard commissies per regio ( en/of per stad) en de gemandateerde architecten namens de standaardcommissies.
De grote commissie komt ten minste 4 keer per jaar bijeen. Deze commissie heeft als voornaamste doel de deskundigheidsbevordering van de commissieleden. Het feitelijke advieswerk wordt verricht via standaardcommissies.
De standaardcommissie bestaat uit tenminste 3 deskundige leden. Een deskundig voorzitter, de architect-secretaris en het gemandateerde commissielid. De commissieleden zijn deskundig op het terrein van architectuur, stedenbouw en aanverwante vakgebieden. De welstandscommissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door extra deskundigen van het bureau van DSL of daarbuiten. Dit betreft disciplines als cultuur- en bouwhistorie, en landschapsarchitectuur. Afhankelijk van het type plan dat moet worden beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij ze als commissielid zijn benoemd door de gemeente. De standaardcommissie van DSL is in de regio’s actief als commissie voor meerdere kleinere gemeenten en als stadscommissie.
In de standaard-welstandscommissie hebben geen burgers zitting.
2. Taakomschrijving
2.1 Taakomschrijving welstandscommissie
De welstandscommissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken. De wettelijke taken van de welstandscommissies van DSL worden uitgevoerd op grond van de Woningwet, de Monumentenwet 1988 en gemeentelijke en provinciale monumentenverordeningen. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.
2.1.1 Wettelijke taken
- 1. Toetsing van vergunningplichtige bouwwerken.
- De commissie is bevoegd om B&W te adviseren over de welstandsaspecten van reguliere en gefaseerde aanvragen om bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, lid 1 van de Woningwet. Regulier vergunningplichtige bouwaanvragen worden` in de regel binnen twee dagen na behandeling van een welstandsadvies voorzien.
- 2. Toetsing van licht-vergunningplichtige bouwwerken. De commissie is bevoegd om B&W te adviseren over de welstandsaspecten van aanvragen om een lichte bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, lid 2 van de Woningwet. De licht-vergunningplichtige bouwaanvragen worden in de regel tijdens het commissieoverleg geadviseerd of uiterlijk binnen twee dagen na behandeling.
- De gemeente handelt licht-vergunningplichtige bouwaanvragen zelf af. Bij twijfel wordt het gemandateerde commissielid erbij betrokken.
- 3. Jaarverslag welstandscommissie.
- De welstandscommissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de welstandscommissie.
2.1.2 Niet wettelijk verplichte taken
De welstandscommissie krijgt de opdracht om – in voorkomend geval - naast de reguliere taken de volgende (niet wettelijk verplichte) taken uit te voeren:
- a. beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de APV);
- b. onder de regie van de gemeente en op verzoek van de commissie, de gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen;
- c. desgevraagd adviezen uitbrengen aan B&W over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken;
- d. desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente;
- e. desgevraagd adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn;
- f. voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad, B&W en burgers;
- g. desgevraagd beheren en actualiseren van de (digitale Beeld- en Geobank) gemeentelijke welstandsnota (digitale Beeld- en Geobank).
2.2 Taakomschrijving commissieleden
2.2.1 Taken van de gemandateerde architect
De gemandateerde architect(en) van DSL heeft/hebben namens de commissie wekelijks zitting in de gemeente. Hij/zij voert als gemandateerd lid van de welstandscommissie de eerste gesprekken – het vooroverleg - met de gemeente, planindieners, ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling van bouwplannen in de welstandscommissie voor. De plannen waarvoor de gemandateerde architect een mandaat heeft, worden door hem/haar van een advies voorzien (Zie verder 4.2 Gemandateerde behandeling).
De gemandateerde architect stelt met de architectsecretaris en de behandelend ambtenaar van Bouw- en Woningtoezicht de agenda voor de commissievergadering op. Tijdens de commissievergadering introduceert de gemandateerde architect de bouwplannen en verstrekt gegevens over het relevante welstandsbeleid voor het betreffende plan en/of gebied. De gemandateerde architect werkt de beraadslaging en conclusie over een bouwplan uit in een schriftelijk advies, dat in beginsel binnen twee dagen na de commissievergadering na een eindcontrole door de secretaris, verzonden wordt.
2.2.2 Taken van de voorzitter
De voorzitter van de welstandscommissie wordt in principe gerekruteerd uit ervaren praktijkarchitecten en/of stedenbouwkundigen. Hij/zij is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij let erop dat de commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid. Tijdens de openbare vergadering treedt de voorzitter op als gastheer/-vrouw voor alle aanwezigen. Hij/zij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezigen bij een bepaald plan wil inspreken. Indien een plan in het vooroverleg is besproken, geeft de voorzitter, de architectsecretaris (of de gemandateerde architect) een korte samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces besproken is.
De voorzitter leidt de discussie en biedt alle commissieleden de gelegenheid om hun mening voldoende naar voren te brengen. Hij/zij zorgt ervoor dat na een inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag een voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven. De voorzitter bewaakt verder de voortgang van de agenda.
Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de voorzitter namens de commissie naar buiten. De voorzitter organiseert met de commissie een jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten van de evaluatie worden opgenomen in het jaarlijks verslag van de welstandscommissie.
3. Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht
De welstandsprocedure begint met een selectie van bouwplannen bij Bouw- en Woningtoezicht in licht- en regulier-vergunningplichtige aanvragen. Bouw- en Woningtoezicht toetst een bouwplan eerst op de vereisten in het bestemmingsplan en de bouwverordening. Ten behoeve van de welstandstoets beoordeelt de ambtenaar of het bouwplan is voorzien van de benodigde bescheiden om het te kunnen toetsen. Welke gegevens nodig zijn, is vastgelegd in het Besluit indieningsvereisten.
4. Werkwijze van de welstandscommissie
4.1 Vooroverleg over bouwplannen
De gemeente biedt de aanvrager de mogelijkheid om een nog niet formeel aangevraagd bouwplan in een vooroverleg met de welstandscommissie toe te lichten en te bespreken. De gemandateerde architect maakt altijd een verslag van het vooroverleg. Dit verslag wordt openbaar als het bouwplan formeel aan de commissie wordt voorgelegd. Vooroverleg vindt in principe in het openbaar plaats. Hiervan kan worden afgeweken na overleg tussen de gemeente, de aanvrager en de welstandscommissie.
4.2 Gemandateerde behandeling
De gemandateerde architect behandelt in de regel wekelijks op locatie de bouwplannen. Hij/zij heeft een mandaat van de standaard welstandscommissie om zelfstandig bouwplannen af te handelen. Het uitgangspunt voor de mandaatverlening is dat de gemandateerde architect alleen de plannen beoordeelt van een relatief geringe ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op meerdere vergelijkbare gevallen, de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld. Bij twijfel legt de gemandateerde architect het bouwplan voor aan de commissie. De gemandateerde architect heeft voor vergunningplichtige plannen alleen het mandaat om positieve adviezen uit te brengen. Bij licht-vergunningplichtige plannen mag de gemandateerde architect ook negatief adviseren. De commissie zelf is eindverantwoordelijk voor het welstandsadvies. Tenminste één keer per jaar vindt overleg plaats tussen de gemandateerde architect en de welstandscommissie over het mandaat.
4.2.1 Mandaat ‘ kleine commissie’
De gemandateerde architect wordt – op verzoek van de welstandscommissie, de gemeente of op eigen verzoek - bijgestaan door een ander commissielid. Deze ‘kleine commissie’ beschikt over hetzelfde mandaat als de rayonarchitect.
4.2.2 Het mandaatadvies
De gemandateerde architect brengt welstandsadviezen uit aan B&W over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet is strijd zijn met redelijke eisen van welstand’ (artikel 12, lid 1 Woningwet). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Een positief mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht door een stempel ‘niet strijdig’ op de tekening te plaatsen en het paraferen van het adviesformulier. Een negatief mandaatadvies (alleen bij licht-vergunningplichtige plannen) wordt schriftelijk gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante criteria uit de welstandsnota.
4.2.3 Openbaarheid gemandateerde behandeling
De behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar.
Via een huis-aan-huis blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het tijdstip en de plaats van de gemandateerde behandeling.
4.2.4 Toelichting opdrachtgever/ontwerper
Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht.
De gemeente zorgt voor de uitnodigingen.
4.2.5. Spreekrecht
Tijdens de gemandateerde behandeling wordt de mogelijkheid tot spreekrecht geboden.
Zowel opdrachtgevers/ontwerpers als direct belanghebbenden hebben spreekrecht.
4.3 Openbare commissievergadering
De welstandscommissie vergadert in de regel één keer per twee weken. De gemandateerde architect behandelt in de tussenliggende periode de kleinere bouwplannen (zie 2.2.1 t/m 2.2.3 voor taken gemandateerde architect, voorzitter en architectsecretaris).
4.3.1 Locatie vergadering
De welstandscommissie vergadert roulerend in de aangesloten gemeenten in de regio. Bij de behandeling van belangrijke bouwplannen kan – op verzoek van de gemeente – worden besloten om in de eigen gemeente te vergaderen.
4.3.2 Openbaarheid commissievergadering
Via een huis-aan-huis blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het tijdstip en de plaats van de commissievergadering.
De openbaarheid geldt voor de beraadslaging over bouwplannen, de beoordeling daarvan en voor de adviezen. De commissievergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet Openbaarheid van Bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in art. 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen.
4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper
Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de behandeling van hun plan bij te wonen en het plan toe te lichten. Indien zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen.
4.3.4 Spreekrecht
Tijdens de openbare vergadering wordt de mogelijkheid tot spreekrecht geboden aan zowel opdrachtgevers/ontwerpers als direct belanghebbenden.
4.4 Het welstandsadvies
De welstandscommissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan B&W over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand’ (artikel 12, lid 1 Woningwet). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Een welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:
Niet strijdig
De welstandscommissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk.
Niet strijdig mits
De welstandscommissie adviseert ‘iets strijdig’ met een mits aan B&W omdat het plan volgens de van kracht zijnde welstandscriteria niet strijdig is met redelijke eisen van welstand maar er ontbreekt uit oogpunt van welstand nog een ondergeschikt onderdeel. Formeel is het bouwplan daarmede ‘niet strijdig’. De ‘mits’ wordt in de praktijk in enkele gevallen gehanteerd om aanvullende bemonstering in later stadium af te spreken of een nadere detailtekening te leveren. ‘Mits’ is bedoeld om de planprocedures niet onnodig op te houden.
De commissie geeft nauwkeurig aan welke onderdelen van het plan gewijzigd moeten worden. De aanvrager krijgt vervolgens de gelegenheid zijn plan aan te passen, voor zover de gemeente van oordeel is dat dit nog binnen de resterende termijn van behandeling kan worden gerealiseerd.
Strijdig
De commissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is met redelijke eisen van welstand. Een ‘negatief’ welstandsadvies betekent dat een bouwplan ingrijpend moet worden gewijzigd. Adviseert de commissie ‘strijdig’, dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.
Strijdig tenzij
De welstandscommissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is met redelijke eisen van welstand uit de gemeentelijke welstandsnota. De ‘strijdigheid’ is beperkt en is in goed overleg met de aanvrager vastgesteld. De strijdigheid wordt nauwkeurig geformuleerd.
4.5 Afwijken van het welstandsadvies en/of -criteria
B&W hebben de wettelijke mogelijkheid om ook op andere dan welstandsgronden, af te wijken van een welstandsadvies. De redenen voor afwijking moeten bij de bekendmaking van het besluit worden vermeld.
B&W kunnen, eventueel op advies van de welstandscommissie, gemotiveerd (op welstandsgronden) afwijken van de welstandscriteria zelf. Dat kan bij plannen die niet voldoen aan de vastgelegde criteria maar wél aan redelijke eisen van welstand. B&W verwijzen in dat geval naar de algemene criteria in de welstandsnota.
4.5.1 Second opinion
Alvorens een second opinion te vragen, bieden B&W eerst de vaste welstandscommissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte advies. Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt dit gemeld aan de welstandscommissie. Bij een second opinion wordt de bouwaanvraag voorgelegd aan een commissie buiten DSL. Hierover neemt de gemeente contact op met de Federatie Welstand.
5. Aanvulling, evaluatie en aanpassing van de welstandsnota
5.1 Jaarverslag B&W
B&W leggen de gemeenteraad tenminste eenmaal per jaar een verslag voor waarin zij uiteenzetten:
- - Op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de welstandscommissie;
- - In welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een lichte bouwvergunning niet aan de welstandscommissie hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de welstandscriteria.
- - In welke categorieën van gevallen:
- * zij tot aanschrijving op grond van artikel 19 van de Woningwet zijn overgegaan en daarbij de keuze hebben gelaten tussen ofwel het uitvoeren van de aanschrijving, ofwel het slopen van het bouwwerk of de standplaats binnen de door hen te bepalen termijn, en
- * zij bij of na een aanschrijving op grond van artikel 19 van de Woningwet zijn overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 26 van de Woningwet.
5.2 Jaarverslag welstandscommissie
Zie onder punt 2.1.1
Toelichting op de Bouwverordening Pijnacker – Nootdorp 2007
Hoofdstuk 1: inleidende bepalingen
Artikel 1.1: Begripsomschrijvingen
Asbest
Het Asbest-verwijderingsbesluit (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest: de vezelachtige silicaten acti-noliet l;(Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn verwerkt. Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de daarbij behorende toelichting.
Besluit indieningsvereisten
In dit besluit worden uniforme voorschriften gegeven over de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning (Stb. 2002, 409 en gewijzigd bij Stb. 2005, 368).
Gemeenten mogen zelf geen (aanvullende) eisen meer stellen aan een aanvraag om bouwvergunning. In dit besluit is voorts de opsomming van door burgemeester en wethouders in het register aan te tekenen gegevens overgeheveld van de wettekst zelf naar dit besluit.
Besluit bouwwerken
In dit besluit worden de vergunningvrije bouwwerken overgeheveld van de wettekst zelf naar dit besluit (Stb. 2002, 410 en gewijzigd bij Stb. 2003, 315 en Stb. 2004, 291).Het besluit houdt tevens een forse verruiming in van de mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen. Bovendien omvat dit besluit een uitwerking van een nieuwe categorie bouwwerken die licht-vergunningplichtig zijn.
Van de jaarlijks onder de Woningwet 1992 aan preventief toezicht onderworpen bouwwerken zal naar verwachting ongeveer 25% vergunningvrij, 37,5 % licht-vergunningplichtig en 37,5 % regulier vergunningplichtig worden onder de Woningwet 2002 (TK 1998-1999, 26 734, nr. 3, p.31).
Bouwbesluit
Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518) opgenomen.
Bouwtoezicht
Vanaf 1 april 2007 geeft de Woningwet in artikel 100 expliciet de opdracht aan burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Dit sluit aan bij de op grond van artikel 100 (oud) Woningwet bestaande centrale rol van de gemeente bij de vergunningverlening en handhaving ten aanzien van het bouwen en de staat van bestaande bouwwerken en brengt geen verandering in het uitgangspunt dat elke gemeente vrij is naar eigen inzicht de gemeentelijke organisatie in te richten en eventuele bestanddelen van het takenpakket van het bouwtoezicht uit te besteden.
Op grond van het nieuwe artikel 100a Woningwet wijzen burgemeester en wethouders degenen aan die belast zijn met het bouw- en woningtoezicht.
Bouwwerk en gebouw
De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt momenteel bepaald door de begripsomschrijving in de MBV 1965 en de jurisprudentie. Volledigheidshalve is de begripsomschrijving in de nieuwe MBV gehandhaafd.
De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet.
Zowel over het begrip bouwwerk als over het begrip gebouw is jurisprudentie ontstaan. De inhoud van de begrippen bouwwerk en gebouw is met de komst van de Woningwet van 1991 niet gewijzigd, waardoor de jurisprudentie op basis van de Woningwet van 1962 en de bouwverordening (MBV 1965) geldig blijft.
Deze jurisprudentie is hierna vermeld.
Bij de interpretatie van de jurisprudentie op basis van de MBV 1965 moet rekening worden gehouden met de driedeling bouwvergunningplichtig, meldingplichtig en vrij bouwen. Alle vormen van bouwen, die destijds niet in artikel 43 van de Woningwet als vrij bouwen of in het Besluit meldingplichtige bouwwerken als meldingplichtig zijn benoemd, zijn bouwvergunningplichtig.
Deskundig bedrijf
‘Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.’
Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.
Gebruiksoppervlakte
Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1, begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het begrip naar NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip geamendeerd bij ministeriële regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009, Staatscourant 27 mei 1992).
De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de Model bouwverordening.
Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het Bouwbesluit te stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De aanvrager om bouwvergunning moet daarom bij de aanvraag opgave doen van de gebruiksoppervlakten.
Wat is bouwvergunningsvrij bouwen?
Vanaf 2003 zijn de artikelen 43, eerste lid, onderdeel c, en 44, tweede lid, van de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Een nadere uitwerking van die wijziging is opgenomen in het Besluit bouwwerken. Het vroegere Besluit meldingplichtige bouwwerken is komen te vervallen.
De lijst van vergunningsvrije bouwwerken uit het bedoelde eerste lid van artikel 43 van de Woningwet is ingrijpend gewijzigd. Voor een vrij uitgebreid overzicht van voorbeelden van de opnieuw gedefinieerde vergunningsvrije bouwwerken, zie de met tekeningen geïllustreerde nota van toelichting bij het Besluit bouwwerken.
Wat is licht-bouwvergunningplichtig bouwen?
De meldingplicht voor bouwwerken is per 2003 opgeheven. De bouwwerken die onder de meldingsplicht vielen zijn grotendeels bouwvergunningvrij geworden. Bovendien is een groot deel van de kleine vergunningplichtige bouwwerken komen te vallen onder de categorie licht-bouwvergunning-plichtige bouwwerken. Bouwplannen waarvoor de lichte bouwvergunningplicht geldt, moeten van gemeentewege worden getoetst aan de voorschriften van het bestemmingsplan, de welstandsregels en de eisen inzake de constructieve veiligheid van het Bouwbesluit, alsmede voor zover van toepassing de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening.
Wat betreft voorbeelden van de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, kan de nota van toelichting bij het Besluit bouwwerken voor zichzelf spreken.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie
De vraag wat moet worden verstaan onder een bouwwerk, een gebouw, bouwen e.d. in de zin van de Model bouwverordening en wat niet, is reeds vele malen onderworpen aan het oordeel van de rechter. Daardoor kan een uitvoerig overzicht van de jurisprudentie op dit artikel gegeven worden.
Bouwwerk algemeen
- Voor de betekenis van het begrip bouwwerk in de Woningwet is van meer gewicht dat door de Woningwet een aantal uiteenlopende belangen wordt beschermd, waaronder naast de belangen van veiligheid, hygiëne en huisvesting, ook het belang betrokken bij het uiterlijk van bouwwerken, zowel op zichzelf als in de omgeving. In overeenstemming daarmee is bij de mondelinge behandeling van het desbetreffende wetsontwerp in de Tweede Kamer opgemerkt dat het begrip bouwwerk 'alles en nog wat' kan omvatten.
HR 24 november 1972; BR 1973, 12; NJ 1973, 101; NG 1973, 608; OB 1973, XI.8.5.1.1, nr. 34062; Hof Arnhem 31 oktober 1978; BR 1978, 196.
- De wetgever heeft de inhoud van het begrip bouwwerk overgelaten aan het spraakgebruik. De definitie van artikel 1 van de bouwverordening kan in dezen als richtsnoer dienen.
Zie o.a. ARRS 5 september 1979; AB 1980, 32; ARRS 24 januari 1983, GS 6751.
- 'Plaats van bestemming' in de definitie van bouwwerk moet niet worden opgevat als 'plaats van voorkeur', doch veeleer als de plaats waarop de constructie wordt opgetrokken om aldaar te gaan functioneren, zodat bijvoorbeeld buiten het regime van de bouwverordening vallen veelsoortig constructiewerk op industriële terreinen buiten de eigenlijke bouwplaats (prefabricatie e.d. en opslag van constructies die zonder ter plaatse gebruikt te worden bestemd zijn om elders te gaan functioneren).
Nu vaststaat dat de onderwerpelijke metaalconstructie is vervaardigd met de bedoeling hierin het carillon op te hangen en dit ter plaatse te doen spelen, is er geen twijfel mogelijk dat de constructie zich op de plaats van bestemming bevindt.
HR 19 juni 1970; BR 1970, blz. 386; OB 1970, XI.16, nr. 30369; NJ 1972, 453 Kg. Sneek 27 april 1973; NJ 1973, 365; BR 1973, 436.
- Een verrijdbaar of 'gemakkelijk' verplaatsbaar object moet in beginsel als bouwwerk in de zin van de Woningwet worden aangemerkt, wanneer het naar omvang, constructie en gebruik een plaatsgebonden karakter heeft.
HR 29 mei 1973; BR 1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1, nr. 34110; NG 1974, 512; Rb. Utrecht 17 maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976, 246; ARRS 16 december 1980; BR 1981, 345; ARRS 21 juli 1983, A 31.3043 (1982)/21; ARRS 20 september 1986; RO 3.85.0135.
- Losstaande bouwwerken kunnen als één bouwwerk worden aangemerkt als zij krachtens één vergunning zijn gebouwd en functioneel nauw met elkaar verbonden zijn. (I.c. betrof het een vrijstaande schoorsteenpijp, behorend bij een stoomgemaal.) ARRS 20 augustus 1979; BR 1980, 10.
Als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt de volgende 'verplaatsbare objecten':
- Een wooncaravan.
Hof Arnhem 7 mei 1968; BR 1968, 300; NJ 1969, 160; AB 1969, 429; OB 1969, XI.16.1, nr. 28673.
- Een stacaravan.
ARRS 28 maart 1979; AB 1980, 76; GS 6587; NG 1980, 596; ARRS 5 maart 1982, A 3.2901 (1980).
- Een friteskraam.
Hof Arnhem, 21 april 1977; NJ 1977, 77; BR 1977, 325.
- Een bloemenwagen.
ARRS 8 januari 1985; BR 1985, 373.
- Een toercaravan waarmee een vaste standplaats is ingenomen.
Wnd. vz. ARRS 19 juli 1983, RO 3.83.4172.
ARRS 21 januari 1986; GS 6842.
- Een sloopautobus die dienst doet als schaftlokaal en schuilgelegenheid.
HR 29 mei 1973; BR 1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1, nr 34110; NG 1974, 512.
- Een (op één vaste plaats) staande tent met een oppervlakte van 242 m2 en een hoogte van 4 m.
Vz. ARRS 6 april 1978; BR 1978, 647.
- Een tuinhuisje dat als verkoopmodel stond opgesteld in een tuincentrum.
ARRS 30 januari 1980; BR 1980, 599.
- Een demontabele loods bestemd voor de verkoop met een oppervlakte van 139 m2.
ARRS 20 april 1978; BR 1978, 522.
- Een demontabele kas, met afmetingen van 15 x 5 m, bestaande uit een gebogen lichtgewicht frame dat is overspannen met plastic.
ARRS 20 september 1986; RO 3.85.0135.
- Demontabele luifels aan een winkelpand.
Vz. ARRS 27 maart 1987; RO 3.87.1154/S 5301.
- Een draagluchthal die aan de onderkant bestaat uit een met water gevulde band waarmee de hal op zijn plaats wordt gehouden.
ARRS 9 december 1980; BR 1981, 342.
- Een bij een wegrestaurant geplaatste kraan waarvan de giek is vervangen door een reclamebord in de vorm van een raket.
ARRS 19 augustus 1983, A 31.2807 (1982)/19.
- Een verrijdbare op dubbelrail geplaatste portaalkraan, op een betonnen fundering.
ARRS 16 augustus 1983, A 32.5603 (1982).
- Een vlaggenmast van 13 m.
Pres. Rb. Assen 12 augustus 1971; BR 1981, 551.
- Een verplaatsbaar zwembad.
Kg. Sneek 27 april 1973; BR 1973, 436; NJ 1973, 365.
- Containers, waarvan de een dient voor opslagdoeleinden en de ander als onderdak voor een c.v.-ketel.
ARRS 22 juni 1982; BR 1982, 825.
- Een verplaatsbare, demontabele terrasoverkapping die in de winter wordt afgebroken, bestaande uit twee in elkaars verlengde geplaatste, inklapbare delen van respectievelijk 10 m bij 5 m en 6 m bij 4 m, die rusten op vijf in de grond verankerde staanders heeft toch een plaatsgebonden karakter en is derhalve een bouwvergunningplichtig bouwwerk.
Vz. ARRS, 12 augustus 1993, No. S03.93.3000.
- De onderhavige frituurunit is een bouwwerk met een plaatsgebonden karakter, nu daaraan vier wieltjes met een diameter van 10 cm. zijn gemonteerd op plaatsen waar contact met de ondergrond niet mogelijk is. Het verplaatsen kan daardoor alleen nog met behulp van een hijskraan plaatsvin-den. Voorts ligt het in de bedoeling de unit blijvend te laten staan.
ARRS 16 augustus 1993, AB 1994, nr.345.
- Huurder heeft van 2 stacaravans een zomerhuis gemaakt. Het bouwwerk is door de maatvoering, alsmede de omstandigheid dat het zonder uitgebreide aanpassingen in het geheel niet over de weg als aanhangsel van een auto kan worden voortbewogen, aan te merken als een zomerhuis.
Vz. ABRS 14 januari 1994, R03.93.5862 en S03.93.4772; ABRS 4 april 1995, R03.93.5862.
- Een paardencontainer is door ingraving met de grond verbonden en draagt een plaatsgebonden karakter. De container is hoofdzakelijk in theorie verplaatsbaar en is derhalve een bouwwerk.
ABRS, 10 november 1994, R03.92.3274 en R03.92.3602.
- Een metalen constructie (9 bij 5 m) op wieltjes, met een zeildoek afgedekt, die dient als opslagplaats voor hooi en stro is een bouwwerk gezien het plaatsgebonden karakter.
ABRS 8 augustus 1994, R03.89.2034.
Voorts zijn onder meer als bouwwerk aangemerkt:
- Een benzinepompinstallatie, bestaande uit drie benzinepompen, vier tanks, leidingen, twee perrons en vier lichtmastjes, alles bijeen een oppervlakte in beslag nemend van ongeveer 12 bij 24 m.
HR 24 november 1971; BR 1973, 12; NJ 1973, 101; NG 1973, 608; OB 1973, XI.8.5.1.1, nr. 34062.
- Een woonboot die met de grond is verbonden.
Rb. Assen 28 mei 1974; BR 1975, 748.
- Een duiker in een weg.
HR 29 oktober 1974; BR 1975, 454; NJ 1975, 112.
- Waterstaatswerken, i.c. Oosterscheldewerken.
ARRS 20 januari 1984; BR 1984, 331; AB 1984, 193; GS 6769; NG 1984, 331.
- Een gedenkteken.
ARRS 24 januari 1983; GS 6751.
- Een vlonder van 8 m lang en 1 m breed.
ARRS 30 oktober 1979; BR 1980, 207; AB 1980, 217.
- Een 'neerklapbaar' zomerhuisje op geheide fundering.
ARRS 21 juli 1983, A 31.3043 (1982)/21.
- Een erfafscheiding van 1,50 m, bevestigd aan palen die 2,50 m van elkaar staan.
ARRS 28 november 1978; BR 1979, 200.
- Hekwerken, afschermingen, rietmatten.
ARRS 9 september 1977; BR 1978, 115; ARRS 24 februari 1978; BR 1978, 406; ARRS 10 de-cember 1981; BR 1982, 314; ARRS 27 maart 1980, BR 1980, 704.
- Een carport van 240 x 450 cm, bestaande uit een op dwarsbalken rustende golfplaatbedekking, bevestigd op 4 palen die met een betonvoet in de vloer zijn bevestigd.
ARRS 13 januari 1981; BR 1981, 515.
- Speeltoestellen.
ARRS 11 juni 1985, RO 3.83.7004.
- Een in de tuin ingegraven (atoom)schuilgelegenheid, bestaande uit een tank van 7 m lengte en 2,2 m doorsnede, die thans in gebruik is als watertank.
ARRS 9 januari 1987; RO 3.85.0723.
- Een aanlegsteiger langs de wal in een gracht, mede gezien de aard en omvang van dit object.
Wnd. vz. ARRS 19 januari 1987; RO 3.86.7570/S 1779.
- Een (inklapbaar) terrasscherm bij een hotelcafé-restaurant, bedoeld om de terrasbezoekers te be-schermen tegen zon en regen.
ARRS 11 maart 1988, RO 3.86.5649.
Opmerking. Uit deze uitspraak valt impliciet af te leiden, dat een zonnescherm van een soortgelijke omvang voor een winkel eveneens een bouwwerk is.
- Een verrolpoort alsmede een afrastering.
ARRS 29 maart 1988, W/RvS/R.3.129/88.
- Een draagconstructie voor een lichtreclame, bestaande uit een in de stoep verankerde buis. De aan een pand aangebrachte lichtreclame steunt aan de ene zijde op de buis.
ARRS 22 april 1988, GS 6863.
- Antennes, horizontaal aangebracht op een reeds met bouwvergunning geplaatste antennemast met verticale antenne. De grootste horizontale antenne bestond onder meer uit twee sprieten van elk 7 meter lengte, die met een tussenruimte van ongeveer 5 meter evenwijdig aan elkaar waren aange-bracht en konden worden gedraaid met behulp van een elektromotor.
Vz ARRS 9 augustus 1988; KG 1988, 50.
- Een balkonhek op de uitbouw van een woning.
ARRS 20 oktober 1988.
- Een tijdelijke (zes maanden) portiersloge (porta-cabin, met een afmeting van 3x3x2,75) met een slagboom.
Vz ARRS 2 maart 1993; S03.93.0111 en S03.93.0112.
- Houten schotten met een hoogte van 1 à 2 meter en lichtmasten met een hoogte van zes meter. Dat de houten schotten eenvoudig verwijderd kunnen worden en dat deze niet aard en/of nagelvast met de grond verbonden zijn doet, in aanmerking genomen het plaatsgebonden karakter, daaraan niet af.
ARRS 11 januari 1993; Nr. R03.89.6929.
- De in de tuin aangebrachte keermuurtjes, beschoeiingen en vlonders worden, gezien hun constructie en afmetingen, aangemerkt als (bouwvergunningplichtige) bouwwerken.
ARRS 25 november 1993, R03.91.0529.
- Reclamebord op het dak, bestaande uit twee in V-vorm tegen elkaar geplaatste borden van 3 bij 6 m, is gelet op omvang, constructie en plaatsgebonden karakter een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk.
Vz. ABRS 14 maart 1994, AB 1994, nr. 431, RB actueel 1994/9, p.3
- Een mestzak, met daarin een roerstaaf die verankerd is in een in de grond geplaatste betonnen plaat van ongeveer 1 m², is gezien het plaatsgebonden karakter een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk.
Vz. ARRS 29 maart 1994, R03.93.4934; S03.93.3858.
- Reclamebanier, die qua lengte twee volledige bouwlagen van circa 4 meter hoog per laag bestrijkt en derhalve een lengte van circa 8 meter heeft, moet gelet op de omvang en constructie - waarbij mede in aanmerking is genomen de permanente aanwezigheid van de banier - worden aangemerkt als een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk. Indien het geacht wordt een verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen, kan deze verandering bezwaarlijk worden beschouwd als een verandering die uit esthetisch oogpunt van ondergeschikte betekenis is.
Rb 's-Gravenhage, 20 april 1994, KG 1994, nr.186.
- De in het geding zijnde reclame-installatie en de draagconstructie (omvang 7,50 bij 4,00 m) vormen één geheel. Gelet op de omvang moet dit worden beschouwd als een bouwwerk. Ook indien de reclame-installatie niet als een zelfstandig bouwwerk kan worden gezien, maar geacht zou moeten worden een verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen, dan kan deze verandering, gezien de omvang in verhouding tot het gebouw waarop het is aangebracht, bezwaarlijk als van ondergeschikte betekenis worden beschouwd.
ABRS 27 april 1995, R03.92.1653.
Niet als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt:
- Een waterleiding, bestaande uit een stelsel van met elkaar verbonden buizen die gewoon in de grond zijn gelegd op een diepte van circa 1,25 meter onder het maaiveld en die niet rusten op een fundering.
- Kg. Terneuzen 30 maart 1971; BR 1972, 416; NJ 1972, 258.
- Een olieleiding, bestaande uit stalen buizen met een diameter van 60 cm die zonder fundering wor-den ingegraven met een minimale gronddekking van circa 1,25 meter.
- KB 8 maart 1974; OB 1974, XI.8.5.1.1, nr. 34736; NG 1974, S 112; BR 1974, 602; KB 25 maart 1974; AB 1974, 510; Hof Den Haag 8 maart 1974; NJ 1974, 534; BR 1975, 141; OB 1974, III.3.1, nr. 34732; NG 1974, S 112; KB 3 september 1984; BR 1984, 896.1.
- Een oever en terreinverharding als trailerhelling.
- KB 25 april 1974, S 279; OB 1975, XI.8.5.1.1, nr. 36102; NG 1975, S 120.
- Damwanden als tijdelijke hulpwerken voor het bouwen.
- Rb. Rotterdam 6 mei 1981; BR 1981, 691.
- Een skibaan, bestaande uit een vlechtwerk van dunne kunststofmatten, die met een vilten onderlaag is uitgespreid over een enigszins door ophogingen en afgravingen aangepaste aarden helling. De skimat werd alleen 's winters neergelegd.
- ARRS 5 november 1981; BR 1982, 143.
- Een voertuig, waarmee alleen tijdens kantooruren standplaats wordt ingenomen en dat buiten deze uren wordt gestald in een elders gelegen garage. Daaraan doet niet af dat het voertuig gedurende de tijd dat het is geparkeerd op standplaats, aangesloten wordt op het telefoonnet en op het distributienet van de elektriciteitsmaatschappij.
- Rb. Utrecht 17 maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976, 246.
- Een halfronde tent van plastic doek, steunend op een licht frame (boogkas) met een hoogte van omstreeks 2 m en een breedte van ongeveer 4 m.
- ARRS 1 december 1980; A 3.2995 (1979).
- Zie echter anders ARRS 20 september 1986; RO 3.85.0135.
- Een caravan die niet voortdurend op hetzelfde terrein geplaatst is.
- Vz. ARRS 15 juli 1983, RO 3.83.3881/15.
- Een waterbassin voor een tuinbouwbedrijf.
- ARRS 18 november 1985, RO 3.85.6258/S 6709.
- Zo ook ARRS 26 januari 1987, RO 3.84.2394, W/RvS/R.3.110/88, met betrekking tot een water-bassin van plasticfolie en gebruikte autobanden.
- Drijvende objecten, zoals een botenloods en een woonschip.
- Hof Arnhem 6 juni 1972; BR 1972, 574; NJ 1973, 209; HR 10 april 1975; NJ 1975, 274.
- Twee keetwagens in gebruik als studie en opslagruimte door zoon van eigenaar perceel waarop de wagens staan, hebben geen bestemming met een plaatsgebonden karakter. Volgens appellant zullen deze wagens gebruikt gaan worden voor veldonderzoek door de zoon in verband met zijn studie.
- Door diverse omstandigheden zijn de wagens enkele jaren (november 1984 datum uitspraak) op het perceel gestald.
- ARRS 8 maart 1987; W/RvS/R.3.181/87; AB 1987, 373.
- NB: Een omstreden uitspraak! Een intentie, die thans niet door de feiten kan worden onderbouwd, wordt doorslaggevend geacht.
- Een drijvende villa, een zogenaamde marina, bestaande uit een als woning ingerichte en uitziende opbouw, geplaatst op een betonnen bak, een caisson.
- Vz ARRS 6 augustus 1992; S03.92.2319.
- Een mestbassin bestaande uit een open kuil in de grond (de uitgegraven grond wordt als dijk ge-bruikt), waarvan de bodem en wanden worden bekleed met kunststoffolie kan niet worden getypeerd als het oprichten of plaatsen van een bouwwerk. Het betreft het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, in de zin van artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
- Wnd. Vz. ARRS, 2 februari 1993, No. S03.93.0204.
- Afvalcontainers met een afmeting van circa 1,10 x 1,30 x 1,30 m kunnen gelet op de geringe om-vang niet als bouwwerken worden beschouwd waarvoor een bouwvergunning noodzakelijk is.
- Pres. Rb. Amsterdam 10 februari 1994, KG 94/353G.
- Een berg aarde is geen bouwwerk
- Wnd. Vz. ABRS 28 februari 1994, AB kort 1994, nr. 467.
- Een (mest)bassin met de afmetingen 41,40 x 31,00 x 3,20 m, bestaande uit aarden dijken, afgedekt met folie, is geen bouwwerk. De omstandigheid dat het bassin is voorzien van een zeildoek ter af-dekking en van de nodige technische installaties voor (onder andere) de aan- en afvoer van mest, noch het feit dat om het bassin een hekwerk is geplaatst, leidt tot een ander oordeel.
- Wnd. Vz. ABRS 30 juni 1994, R03.93.4962 en S03.94.0355.
- Naar het oordeel van het Hof zijn de geringe afmetingen van de container, bestemd voor het inza-melen van huishoudelijke afvalstoffen, en de wijze waarop hij los van de straat is geplaatst en verplaatsbaar is, redenen waarom de container naar gangbare opvattingen niet als een bouwwerk in de zin van de bouwverordening kan worden aangemerkt.
- Hof Amsterdam, 22 december 1994, 384/94 KG.
Als gebouw in de zin van de Woningwet zijn onder andere aangemerkt:
- Een bouwwerk dat niet alleen toegankelijk is, maar ook begaanbaar in die zin dat volwassenen er in kunnen staan en lopen.
- W/RvS/1982 A 3.4977.
- Zo ook ARRS 26 januari 1987, RO 3.84.2394, W/RvS/R. 3.110/88, met betrekking tot een water-bassin van plasticfolie en gebruikte autobanden.
- Een koof, zijnde een verplaatsbaar cilindervormig tuinhuisje van rondhout met een houten vloer en rieten puntdak, waarvan de hoogte 2,5 3 m en de doorsnee 1,5 2,5 m bedraagt, voorzien van een manshoge toegang en een klein venster.
- KB 26 november 1974; BR 1975, 598; OB 1975, XI.8.5.1.1, nr. 36078; NG 1975, S 111.
- Een bouwsel van enige tientallen meters lang dat aan de ene zijde omsloten wordt door een reeds bestaande schutting van beton van ongeveer twee meter hoog, terwijl aan beide zijden stijlen van rondhout tot een hoogte van respectievelijk 2 meter en 2,2 meter zijn opgetrokken en het geheel overdekt is door golfplaten van plaatijzer. Daaraan doet niet af dat tussen dit dak en de betonnen schutting voor ventilatie een kleine opening is gelaten.
- Hof Arnhem 5 maart 1968; BR 1968, 178; NJ 1968, 377; AB 1969, 9; OB 1969, XI.16.1, nr. 28693.
- Een carport die aan twee zijden door verticale wanden wordt omsloten.
- Wnd. Vz. ARRS 16 december 1983, RO 3.83.7266.
- Een afdak voor hooiberging dat is vastgebouwd aan een paardenstal en waarvan de wanden 2 m boven de grond ophouden.
- ARRS 15 november 1983, A 32.6022 (1982).
- Een elektrisch uitschuifbare overkapping aangebracht over een terras, hetwelk door wanden werd omsloten. Hierdoor was er naar het oordeel van de Voorzitter sprake van een gebouw. Dat het dak niet steeds dicht was deed daaraan niets af.
- Vz ARRS 14 december 1992; R03.92.4115/P90 en S03.92.3709.
- Een stalling die aan drie zijden is omsloten door stenen muren, is overdekt door middel van een constructie van latten en zeildoek en voor mensen toegankelijk is.
- Vz. ARRS, 18 maart 1993, Nos. R03.92.5995/P90 en S03.93.0177.
- Overkapping die fungeert als carport. Gelet op de constructie - de overkapping bestaat uit twee haaks op elkaar staande wanden en een dak - dient de overkapping te worden aangemerkt als ge-bouw.
- Wnd. Vz. ARRS 15 februari 1993, S03.92.4236.
- Gelet op de afmetingen en een tweetal gesloten wanden is de overkapping aan te merken als een gebouw in de zin van artikel 1, eerste lid van de Woningwet.
- ABRS 16 september 1994, R03.92.0176.
Niet als gebouw werden o.a. aangemerkt:
- Een afdak van golfplaten en houten palen dat geplaatst is tegen een muur van een stal en dat aan de drie overige zijden open is.
ARRS 29 juli 1983, A 31.0197 (1982). Vergelijk wnd. vz. ARRS 2 januari 1984, RO 3.83.7505/S 2023.
- Een carport die aan ten minste drie zijden open is, althans geen gesloten of nagenoeg gesloten wanden kent, en slechts aan één zijde een gesloten wand kent, i.c. de muur van de woning.
ARRS 10 januari 1985; RO 3.83.3768; ARRS 25 april 1986; GS 6833.
- Een (gas)tank, geplaatst op betonnen houders.
ARRS 17 januari 1983; BR 1983, 344.
- Een trafohuisje, dat een afmeting van 1,70 x 1,70 x 1,50 m heeft, dient uitsluitend voor het her-bergen van een installatie. Het is een bouwwerk, maar geen gebouw.
ABRS 7 november 1994, R03.91.4392.
Opmerking. Constructies of bouwsels die onder de definitie van de Woningwet vallen, zullen volgens het gewone taalgebruik niet altijd als gebouw worden aangemerkt. Te denken valt bij voorbeeld aan omvangrijke fabrieksschoorstenen, zendmasten, watertorens, kasten en dergelijke. Wellicht kan als nader criterium dienen dat het bouwwerk naar inrichting en gebruik bestemd moet zijn voor verblijf van mensen, wil het kunnen worden aangemerkt als gebouw.
Over vergunningsvrij bouwen
- Het plaatsen van een reclamebord. De Voorzitter is van mening dat hier geen sprake is van vergunningsvrij bouwen. Ook geen verandering van niet-ingrijpende aard.
Wnd. Vz. ARRS. 19 november 1992; S03.92.4122; BR 1993, 374 (Zie ook Vz. ARRS, 4 januari 1992; S03.92.4055).
- Terrasafscheiding bestaande uit drie gemetselde penanten alsmede hekwerken rond een terras op een uitbouw is geen verandering van niet-ingrijpende aard.
Wnd. Vz. ARRS, 1 december 1992; S03.92.3557; BR. 1993, 376.
- Oprichting erfafscheiding op grond met de bestemming voortuin. Overschrijding voorgevelrooilijn. Geen vergunningvrij bouwen in de zin van artikel 43 Woningwet.
Wnd. Vz. ARRS, 19 januari 1993; R03.92.5719/P90 en S03.92.4340; BR. 1993, 377.
- Carport met twee wanden is geen overkapping met open constructie als bedoeld in artikel 43 Woningwet.
Vz. ARRS. 8 januari 1993; R03.92.5264/P90 en S03.92.4017.
- Het is niet aanvaardbaar dat een dakkapel, voor de oprichting waarvan een bouwvergunning is vereist en waarbij toetsing aan de welstandscriteria plaatsvindt, vergunningvrij wijzigingen zou kunnen ondergaan, die - hoewel op zichzelf beschouwd van niet-ingrijpende aard - tot een resultaat leiden dat uit een oogpunt van welstand niet aanvaardbaar is.
De in het geding zijnde kapjes kunnen niet opzichzelfstaand worden beschouwd, maar vormen een onderdeel van de in het geding zijnde dakkapellen, die derhalve als één geheel dienen te worden bezien. Gelet hierop kan de aangebrachte verandering (de kapjes) bezwaarlijk als van niet-ingrijpende aard worden beschouwd.
Wnd. Vz. ARRS, 11 februari 1993, Nos. R03.92.5733/P90 en S03.
92.4345, BR 1993, p. 447, Dakkapellen Aarle-Rixtel.
- Er is alleen sprake van een "overkapping met een open constructie" (artikel 43, lid 1, sub d, Wo-ningwet), indien de overkapping geen enkele wand heeft. Wanneer er tussen de rand van de over-kapping en de muur van de woning slechts een kleine afstand is gelaten, is er visueel nog steeds sprake van een wand en is er derhalve geen sprake van een overkapping met open constructie.
Vrz. ARRS, 2 juni 1993, No. S03.93.1053, BR 1993, p. 814; Gst. 6976,9, Overkapping Soest. Zie ook Vz. ARRS, 7 juni 1993, Nos. R03.93.1844/P90 en S03.93.1397.
- Aanzegging bestuursdwang tot sloop van betonnen palen van 1.70 m à 1.80 m hoog, bedoeld voor het aanbrengen van een afrastering rond het 5 ha grote bosperceel. De bewoordingen en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 43, eerste lid, onder j, van de Woningwet bieden geen steun voor de opvatting van verweerders dat deze bepaling i.c. niet van toepassing is, omdat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op afscheidingen bij woningen vanwege het feit dat in bedoeld artikellid wordt gesproken van voorgevelrooilijnen. Verweerders waren niet bevoegd tot het doen uitgaan van de aanzegging.
- Wnd. Vz. ARRS, 28 oktober 1993, No. S03.93.3343, AB-kort, 1994, 127.
Overkapping met open constructie
- - Een overkapping op een perceel bos (ten behoeve van houtopslag) is geen overkapping in de zin van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet; immers, in genoemde bepaling is als vereiste opgenomen dat sprake moet zijn van het bouwen op een erf van een woning of een ander gebouw.
- Vz. ARRS 1 oktober 1993, R03.93.4398 en S03.93.3357.
- - De pergola is in de schutting gebouwd met als gevolg dat deze laatste daarvan een onlosmakelijk deel uitmaakt. De pergola kan niet worden aangemerkt als een overkapping met open constructie.
- Wnd. Vz. ABRS 29 maart 1994, R03.93.6695 en S03.93.5470.
- - Beide overkappingen rusten i.c. ieder voor 1/4 deel op dezelfde pilaster en op de garage. Deze overkapping moet zowel wat de constructie betreft als in visueel-ruimtelijk opzicht als één bouwwerk worden aangemerkt met een totale oppervlakte van 40 m2. Van een open constructie is slechts sprake als deze geen enkele wand heeft. Van een wand moet ook worden gesproken indien tussen de overkappingen en een direct aangrenzend bouwwerk slechts een geringe afstand (i.c. bijna 1 meter) is gelegen.
- Vz. ABRS 21 juli 1994, R03.94.0306 en S03.94.0399.
- - De Woningwet bevat geen regeling voor cumulatie van vergunningvrije bouwwerken. De enige wettelijke beperking is gelegen in het maximaal toegestane bebouwingspercentage van het aansluitende erf, zijnde 50%. Men zou zich ten hoogste kunnen beroepen op hetgeen de bedoeling van de wetgever op dit punt is geweest. Dienaangaande biedt de wetsgeschiedenis evenwel evenmin uitsluitsel.
- Pres. Rb. 's-Hertogenbosch, 15 september 1994, Awb 94/5685 VV.
Veranderingen van niet-ingrijpende aard
- - Een voorheen voor agrarische doeleinden gebruikte loods wordt verbouwd teneinde deze loods te gebruiken voor woondoeleinden. Ten gevolge van deze verbouwing wordt het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik van de loods voor agrarische doeleinden gewijzigd. Deze verbouwing gaat het karakter van niet-ingrijpende aard te boven. Voornoemde verbouwingen zijn derhalve bouwvergunningplichtig.
- Vz. ARRS. 29 juni 1993, S03.93.1214.
- - Een hekwerk op een reeds bestaand dakterras kan, gelet op de aard en omvang, worden aangemerkt als het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet.
- Vz. ARRS, 7 oktober 1993, S03.93.3151.
- - Het aanbrengen van twee lichtbakken op een school is een verandering van niet-ingrijpende aard. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat naamsaanduidingen op scholen een normaal verschijnsel zijn, de naamsaanduiding op het schoolgebouw in casu ook altijd aanwezig is geweest in de vorm van door een schijnwerper verlichte letters, de nieuwe lichtbakken niet afwijken van de normaal te achten techniek en afmetingen en deze alleen 's avonds verlicht zijn.
- Vz. ARRS 3 november 1993, S03.93.3155; AB-kort 26 maart 1994, p. 50.
- - Voor het met 5 m² vergroten van een slaapkamer door de aangrenzende loggia bij de slaapkamer te voegen is een bouwvergunning vereist. Het is geen verandering van niet-ingrijpende aard in de zin van artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet.
- Vz. ARRS 29 november 1993, R03.93.5342; S03.93.4001, JG 94.0106.
- - De bouw van een zwembad moet, gelet op de bouwkundige voorzieningen die daarvoor nodig zijn, worden aangemerkt als een ingrijpende verandering. Ook de verbouw van een paardenbox tot dou-che-toiletruimte is geen verandering van niet-ingrijpende aard in de zin van artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet. Wnd. Vz. ABRS 3 februari 1994, S03.93.5028.
- - Aanbrengen van afvoerbuizen met een hoogte van 70 cm over nagenoeg de gehele breedte van het pand op het dak. Deze afvoerbuizen zijn niet aan te merken als veranderingen van niet-ingrijpende aard in de zin van artikel 43, eerste lid onder e, van de Woningwet.
- Wnd. Vz. ABRS 7 februari 1994, S03.93.5311.
- - Omdat de verbouwing dient ter optimalisering van het bedrijfsmatig gebruik en het de bedoeling is om het gebruik voort te zetten is de plaatsing van scheidingswanden een verandering van niet-in-grijpende aard in de zin van artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet.
- Vz. ABRS 17 maart 1994, S03.94.0168.
- - Reclamebanier, die qua lengte twee volledige bouwlagen van circa 4 meter hoog per laag bestrijkt en derhalve een lengte van circa 8 meter heeft, moet gelet op de omvang en constructie - waarbij mede in aanmerking is genomen de permanente aanwezigheid van de banier - worden aangemerkt als een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk. Indien het geacht wordt een verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen, kan deze verandering bezwaarlijk worden beschouwd als een verandering, die uit esthetisch oogpunt van ondergeschikte betekenis is.
- Rb. 's-Gravenhage, 20 april 1994, KG 1994, nr. 186.
- - Wijziging raamindeling, waarbij de schuiframen met bovenlichten worden vervangen door ramen met onderlichten. Het wijzigen van de raamindeling in de voorgevel van het onderhavige pand kan in esthetisch opzicht niet worden aangemerkt als een verandering van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder e van de Woningwet.
- ABRS 6 oktober 1994, R03.92.3804.
- - Het aanbrengen van een dubbele deur tussen twee winkelpanden is geen verandering van niet-in-grijpende aard als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet. De afdeling over-weegt dat de bij de aanduiding van de vrije bouwwerken gebezigde criteria zowel bouwtechnisch als stedenbouwkundig van aard zijn. Bij het laatste aspect spelen zowel het planologische als het feitelijke effect, dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft, een rol. Van een strikte scheiding tussen de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening op dit vlak is geen sprake. Tegen de achtergrond van de historische binnenstad waarin het kleinschalig karakter wordt gehandhaafd en in het bestemmingsplan is vastgelegd, is het ontstaan van de grootschalige winkel niet van niet-ingrijpende aard.
- ABRS 15 december 1994, H01.94.0028, JB 1995, nr. 29, Gst. 7009/6
Nutsvoorzieningen en straatmeubilair
- - Blijkens de memorie van toelichting op de Woningwet 1991 moet bij de interpretatie van de term "straatmeubilair" worden gedacht aan zitbanken, plantenbakken en dergelijke. De onderhavige af-valcocons, blijkens de stukken 1,55 m hoog x 1,50 m breed x 1,32 m diep, kunnen daaronder wat hun grootte betreft niet worden gerangschikt. Mede in het belang van de rechtsbescherming van de burger dient een restrictieve uitleg te worden gegeven aan de in de Woningwet opgenomen uitzon-deringen van het vereiste van een bouwvergunning.
- Wnd. Vz. ABRS 9 februari 1994, BR 1994, p. 752.
- - Naar het oordeel van de Afdeling kunnen mupi's (reclameruit inclusief sokkel ruim 2 m hoog en ongeveer 1 m breed) slechts dan als straatmeubilair in de zin van artikel 21 Besluit ruimtelijke ordening (artikel 43, eerste lid, sub f) worden aangemerkt indien hun hoofdfunctie is gelegen in het bieden van informatie ten behoeve van het verkeer, althans in direct verband met het gebruik van de weg - te denken valt hierbij aan een stadsplattegrond - en indien zij van beperkte afmetingen zijn. Het doen van aankondigingen van manifestaties, evenementen en uitvoeringen kan niet als een verkeersfunctie worden gezien. In casu worden zij alle aan één kant bestemd en ook daadwerkelijk gebruikt voor commerciële reclamedoeleinden, terwijl de andere kant is bestemd voor gemeentelijke informatie. Gebleken is dat de andere kant in werkelijkheid wordt gebruikt voor ideële reclame. Deze mupi's zijn geen straatmeubilair.
- ABRS 21 juni 1994, BR 1995, p.35.
Tuinmeubilair
- - Een Engelse telefooncel valt niet onder de categorie tuinmeubilair als bedoeld in artikel 21 onder g Besluit ruimtelijke ordening (thans artikel 43, lid 1, onder h Woningwet). Het is ook geen bijgebouw omdat niet is gebleken dat deze cel in functioneel opzicht ten dienste staat van het hoofdgebouw.
- ABRS 25 oktober 1994, Gst. 7007/6.
Antennes
- - Schotelantennes vallen niet onder het bepaalde in artikel 43, eerste lid, onder i. van de Woningwet. Aan het bovenstaande kan de gevolgtrekking worden verbonden dat kleine schotelantennes ver-gunningplichtig zijn, terwijl de iets grotere vallen onder de meldingplicht. In casu zijn er alternatieve plaatsingsmogelijkheden voor de schotelantenne. Van schending van het bepaalde in artikel 10 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geen sprake.
- Pres.Rb. Den Haag 15 november 1994, KG 1994, p. 962, BR 1995, p. 129, Gst. 7009/5.
Erf- en terreinafscheiding
- - De erfafscheiding van 2 meter hoog is bij een hoekwoning gebouwd vóór de voorgevelrooilijn en is derhalve bouwvergunningplichtig.
- Vz. ARRS 29 juni 1993, R03.93.2895 en S03.93.2204.
- - Een erfafscheiding die op enige afstand van de carport is geplaatst, vormt geen achterwand van die carport. Beide bouwwerken zijn vergunningvrij.
- Vz. ARRS 26 augustus 1993, S03.93.2315.
- - Nu er voor wat betreft het meten van de hoogte van de erfafscheiding geen ander voorschrift geldt dan dat vanaf de voet moet worden gemeten, moet worden uitgegaan van het hoogste perceel. Daarbij wordt in acht genomen dat zulks in de bouwverordening expliciet was bepaald. Voorts ligt het voor de hand dat vanaf het niveau van het perceel waarop de erfafscheiding zich bevindt, wordt gemeten.
- Rb. Breda 27 september 1994, 94/711 GEMWT BR.
Woning
- - Het dagelijks taalgebruik en de in de bouwverordening voor tot bewoning bestemde gebouwen ge-stelde eisen brengen met zich mee dat in het algemeen niet van een woning kan worden gesproken, als het daarin voeren van een zelfstandige huishouding niet mogelijk is.
- Vz. ARRS 18 juli 1979, BR 1980, 29.
- - Gelet op het gebruik vat de ARRS in de onderhavige casus een serre op als een deel van de woning. Het bouwplan moet dan ook getoetst worden aan de bepalingen van het bestemmingsplan en de bouwverordening, die betrekking hebben op de tot bewoning bestemde gebouwen.
- ARRS 22 februari 1988, RO 3.85.2645.
- - Het gebruik van de etage als woning, hoewel als berghok bestemd, wordt gedoogd. Etage wordt als woning aangeschreven. Nu de Woningwet geen definitie van woning geeft, kan terecht worden uitgegaan van het feitelijk gebruik als woning.
- ABRS 4 november 1994, R03.91.2334.
Aan of uitbouw
- - Een balkon van 4,5 m breed langs de gehele achtergevel en 1,5 m uitstekend boven de grond met een tuin of erfbestemming is een aan of uitbouw als bedoeld onder b van artikel 21 BRO.
- Wnd. vz. ARRS 4 juni 1987; BR 1987, 829.
- - Interpretatie van artikel 21, onder b, Besluit ruimtelijke ordening. Bij de berekening van de opper-vlakte die ingevolge het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt, moet meegerekend worden de oppervlakte die is bebouwd op grond van ontheffingen of vrijstellingen die zijn verleend op grond van voorschriften behorende bij het desbetreffende bestemmingsplan, omdat de grondslag ligt in het bestemmingsplan dat het steunpunt vormt voor artikel 18a Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 21 Besluit ruimtelijke ordening (thans artikel 2, onder b, Besluit meldingplichtige bouwwerken).
- Vz. ARRS, 22 november 1988, AB 1989, nr.307.
- - Wijze van berekening van 50 m3 uit artikel 21 Besluit ruimtelijke ordening (thans artikel 2, onder b, Besluit meldingplichtige bouwwerken). Er is uitsluitend in aanmerking genomen de ruimte die uitgaat boven hetgeen op grond van de voorschriften maximaal is toegelaten. Deze opvatting wordt niet gedeeld. Gelet op de tekst van artikel 18a Wet op de Ruimtelijke Ordening komen slechts uitbouwen in aanmerking waarvan de inhoud niet meer bedraagt dan 50 m3. Vast staat dat zowel de totale uitbreiding als de uiteindelijk te realiseren uitbouw de voorgeschreven 50 m3 overschrijden.
- Vz. ARRS 12 april 1990, AB 1990, nr. 552.
- - Het begrip "breedte" uit artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken heeft geen planologische, maar uitsluitend een bouwtechnische betekenis. Als breedte moet i.c. worden aangemerkt de kleinste afmeting van de in het geding zijnde uitbouw in het horizontale vlak.
- Wnd. Vz. ABRS, 20 januari 1994, BR 1994, p. 499; AB 1994, nr.379.
- - Opmerking. Gelet op de begripsomschrijving van uitbouw in artikel 1 MBV 1965 was deze uitspraak van belang.
- - Een opbouw op de garage die zich op het kelderniveau bevindt (glooiend landschap), hetgeen tevens te kwalificeren is als een aanbouw aan het huis, is geen aan- of uitbouw in de zin van artikel 21 Bro (lees artikel 2 Besluit meldingplichtige bouwwerken).
- Vz. ARRS, 2 april 1993, No. S03.93.0496.
Bijgebouw
- - Het is een essentieel kenmerk van een bijgebouw dat dit ondergeschikt is aan en ten dienste staat van het hoofdgebouw. Van een bijgebouw kan geen sprake zijn, indien dit door de afwezigheid van scheidende binnenmuren als een uitbreiding van het hoofdgebouw moet worden aangemerkt.
- - Hoewel een bijgebouw aan een hoofdgebouw kan worden gebouwd, moet een zodanig gebouw als een afzonderlijk en van het hoofdgebouw te onderscheiden gebouw worden beschouwd. In het spraakgebruik wordt onder een serre verstaan een aanbouw aan een woning die met de woning een geheel vormt.
- ARRS 28 januari 1982; AB 1982, 253; ARRS 10 juni 1983, nr. A 31.4812 (1981); ARRS 8 mei 1979, A 3.2173 (1977).
- - Een garage die gedeeltelijk aan een zijde van een woning is gebouwd, moet worden aangemerkt als een aan de woning gebouwd bijgebouw.
- ARRS 28 juni 1983, A 32.6262 (1981).
- - Als bebouwing (bij voorbeeld een schuur) is gesitueerd op het bij een eengezinshuis behorend erf in de zin van artikel 50, lid 1, van de bouwverordening, zijn, gelet op het bepaalde in artikel 48, lid 1, van de Woningwet, de eigendomsverhoudingen voor het verlenen van de bouwvergunning niet van beslissende betekenis. Dit laat civielrechtelijke aspecten onverlet.
- ARRS 10 januari 1986, AB 1987, 147.
- - Een tuinhuisje bij een recreatiewoning is geen bijgebouw in de zin van artikel 21, lid 1, sub a, Bro.
- ARRS, 29 maart 1993, No. R03.90.2914.
- - Een opzichzelfstaand, aan drie zijden omsloten bouwwerk (luifel) van circa 8 m2 valt niet onder artikel 43, eerste lid, aanhef en onder e, Woningwet (verandering van niet-ingrijpende aard). Dit bouwwerk is een meldingplichtig bijgebouw als bedoeld in artikel 42 Woningwet/Besluit meldingplichtige bouwwerken.
- Wnd. Vz. ARRS, 27 april 1993, No. S03.93.0948, BR 1993, p. 810, Erfbebouwing Middelharnis.
- - Een blokhut behoort tot de categorie meldingplichtige bouwwerken.
- Vz. ARRS 1 juni 1993, S03.93.1293.
- - Een duivenhok is een gebouw ten dienste van een groter genot van het gebruik van een woning, en is derhalve meldingplichtig mits het voldoet aan de overige vereisten van artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken.
- Vz. ARRS, 15 juni 1993, S03.93.2409.
- - Artikel 2 van het Besluit meldingplichtige bouwwerken biedt de mogelijkheid om toepassing te geven aan artikel 18a Wet op de Ruimtelijke Ordening voor gebouwen op een zij- of achtererf van een ander gebouw. Onder "ander gebouw" kunnen ook recreatiewoningen worden begrepen.
- Wnd. Vz. ABRS 10 maart 1994, BR 1994, p. 753, AB kort 1994, nr. 468 en nr. 510.
Opmerking. De meeste aan- of uitbouwen en bijgebouwen vallen onder het Besluit meldingplichtige bouwwerken. Het Besluit meldingplichtige bouwwerken stelt wel een aantal maxima met betrekking tot onder meer de afmetingen en de inhoud. Is het bouwwerk groter, dan is het bouwvergunningplichtig. Of een bouwvergunningplichtig een aan- of uitbouw of een bijgebouw is, is van belang bij de toetsing van de aanvraag om bouwvergunning aan het bestemmingsplan.
Over meldingplichtig bouwen
- Burgemeester en wethouders accepteren, nadat de melding al eerder fictief was goedgekeurd, alsnog de melding (deze beschikking heeft echter geen gevolgen). Belanghebbende wordt hiervan op de hoogte gesteld onder vermelding van een bezwaartermijn van 30 dagen. Het bezwaar op fictief goedgekeurde melding komt hierdoor te laat binnen, daar belanghebbende uitgaat van de termijn genoemd bij de (irrelevante) beschikking. Gezien deze omstandigheden is er sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
- Vz. ARRS, 2 februari 1993, No. S03.93.0006.
- Strijd met de Leefmilieuverordening is geen weigeringsgrond voor een melding.
- Wnd. Vz. ARRS, 17 mei 1993, No. S03.93.1809, BR 1993, p. 812, Leefmilieuverordening Deventer.
- Vraag of de serre is gesitueerd aan de voor- of achtergevel van de woning. Artikel 21, aanhef en onder b, Bro-1985 (nu artikel 2, sub b, Besluit meldingplichtige bouwwerken). De te bebouwen grond heeft de bestemming "voortuin". De Afdeling vindt dat aan de opzet van het bestemmingsplan minder betekenis kan worden toegekend, als zich een bijzondere omstandigheid voordoet. In casu doet zich een dergelijke omstandigheid voor, daar de woning indertijd, uitgaande van de opzet van het bestemmingsplan, andersom (180° gedraaid) is gebouwd. Tevens heeft de openbare weg ter plaatse een gebogen en vertakt verloop. De feitelijke situatie, die ook tot uitdrukking komt in het systeem van huisnummering, is doorslaggevend.
- ARRS, 4 januari 1993, BR 1993, p. 289, Serre Rosmalen.
- Voor de berekening van de inhoud ingevolge artikel 21, aanhef en onder b, Bro, thans artikel 2, sub b, Besluit meldingplichtige bouwwerken (50 m3), geldt de afstand, gemeten tussen de bovenkant van de afgewerkte vloerconstructie en de bovenkant van de dakconstructie. De afstand tussen de boven- en onderkant van de vloerconstructie dient buiten beschouwing te worden gelaten.
- Vz. ARRS, 22 februari 1993, S03.92.4651.
- De mededeling dat een melding, als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Woningwet, niet kan worden geaccepteerd en dat een bouwvergunning voor het voorgenomen bouwwerk noodzakelijk is, is een beschikking in de zin van de Wet Arob.
Tevens brengt een redelijke uitleg van artikel 42, lid 10, Woningwet met zich mee dat de daarin genoemde termijn van drie maanden waarbinnen de bouw moet zijn begonnen, ingaat op het moment waarop door de rechter is geconstateerd dat er sprake is van een van rechtswege gedane mededeling als bedoeld in artikel 42, zesde lid, van de Woningwet.
- Uit de redactie van artikel 42 Woningwet en de plaatsing van het negende lid in deze bepaling, blijkt dat in het kader van de melding in de zin van dit artikel geen toetsing aan de in het negende lid genoemde voorschriften door burgemeester en wethouders mag plaatsvinden. Eventuele strijd met deze voorschriften kan derhalve niet aan het doen van een melding in de weg staan. Indien na de oprichting ervan mocht blijken dat een bouwwerk als bedoeld in artikel 42 van de Woningwet niet is gebouwd overeenkomstig het bepaalde in het Bouwbesluit, kan daartegen slechts op grond van het bepaalde in hoofdstuk III van de Woningwet worden opgetreden.
Ook volgt uit artikel 42 van de Woningwet, dat bouwwerken die onder de werkingssfeer van dit artikel vallen, niet kunnen worden getoetst aan de gemeentelijke bouwverordening.
- Wnd. Vz. ARRS, 14 juni 1993, BR 1993, p. 979, Tuinberging Amersfoort.
- Verweerders hebben niet binnen de termijn genoemd in artikel 42, eerste lid, van de Woningwet rechtsgeldig aan verzoeker meegedeeld dat voor de gemelde dakkapel een vergunning is vereist. In dat geval is er sprake van een van rechtswege gedane mededeling als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Woningwet. Voorts brengt een redelijke uitleg van de termijn uit artikel 42, tiende lid, met zich mee dat het moment waarop met de bouw moet zijn begonnen, ingaat op het moment waarop door Ons is geconstateerd dat sprake is van een van rechtswege gedane mededeling.
- Vz. ARRS, 19 maart 1993, Gst. 6979/9, AB 1993, p.563; BR 1993, p.602.
- Toetsing van meldingplichtige bouwwerken aan het Bouwbesluit. Uit de redactie van artikel 42 en de plaatsing van het negende lid in deze bepaling blijkt, dat in het kader van een melding in de zin van dit artikel geen toetsing aan de in het negende lid bedoelde voorschriften mag plaatsvinden. Na oprichting kan daartegen slechts op grond van het bepaalde in hoofdstuk III van de Woningwet worden opgetreden.
- Vz. ARRS, 14 juni 1993, AB 1994, nr. 397.
- Een verzoek om in afwijking van het bestemmingsplan ontheffing te verlenen voor het bouwen van een vergunningplichtig dan wel meldingplichtig bouwwerk moet door de gemeente ambtshalve worden aangemerkt als een melding, mits het te bouwen bouwwerk voldoet aan de criteria van het Besluit meldingplichtige bouwwerken.
- Vz. ARRS, 3 augustus 1993, R03.93.3456 en S03.93.2623, BR 1994, p.211.
- Melding van het voornemen om een bijkeuken te bouwen. Welstandstoetsing door gemeentelijk bouw- en woningtoezicht. Verweerders zijn niet verplicht tot het inwinnen van het advies van een onafhankelijke welstandscommissie. Voor het onderhavige bouwwerk konden verweerders in redelijkheid afzien van het inwinnen van advies.
- Wnd. Vz. ARRS, 19 november 1993, BR 1994, p. 587.
- Het feit dat de serre op het moment van de melding door verzoeker reeds was gerealiseerd, staat op zichzelf niet in de weg aan het afgeven van de mededeling als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet. De serre voldoet echter niet aan de redelijke eisen van welstand zodat dit bouwwerk niet voor toepassing van artikel 42, eerste lid, van de Woningwet in aanmerking komt. Dit brengt met zich mee dat een bouwvergunning is vereist. Verlening van een bouwvergunning is echter evenmin mogelijk op grond van artikel 44, aanhef en onder d, van de Woningwet. Ook de bouwvergunning zal dan geweigerd moeten worden.
- Vz. ARRS, 6 december 1993, S03.93.4326; AB-kort 1994, nr. 260.
- Bouwvergunning geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Het is echter niet uitgesloten dat het in het geding zijnde bouwwerk een meldingplichtig bouwwerk is. B en W hebben onvoldoende onderzocht of sprake is van een meldingplichtig bouwwerk, terwijl voorts niet uitgesloten is dat moet worden geoordeeld dat de mededeling van rechtswege is gedaan, zodat alsdan B en W niet meer bevoegd waren om een reële beslissing te nemen. (Nb. na deze uitspraak is er aan artikel 2.1.1 MBV een achtste lid toegevoegd).
- Vz. ARRS, 3 februari 1994, BR 1994, p. 675.
- Het uitbreiden van een duivenhok is geen meldingplichtig bouwwerk. Het is geen bouwwerk dat in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en geen op zichzelf staand bijgebouw.
- ABRS 23 september 1994, WRO 94/206.
- De president overweegt dat het verbod op gebruik van grond en opstallen in strijd met de bestem-ming niet tevens het bouwen omvat. Het bestemmingsplan kan i.c. niet tevens een bouwverbod in-houden. Toch bevat artikel 42, derde lid, van de Woningwet een impliciet bouwverbod. Het bouw-werk mag niet worden gebouwd zonder de vrijstelling.
- Pres. Rb Zutphen, 25 oktober 1994, BR 1995, p.38.
- Melding voor het plaatsen van een raam in de gevel van een berging aan de voorzijde van de wo-ning. Het onderhavige bouwwerk is geen meldingplichtig bouwwerk; van een fictieve akkoordverklaring is dan ook geen sprake. Een andersluidend oordeel zou kunnen leiden tot ongewenste planologische ontwikkelingen. Wanneer immers een bouwvergunningplichtig bouwwerk dat in strijd is met het geldende bestemmingsplan, wordt aangemerkt als meldingplichtig bouwwerk, kan aldus fictief een titel worden verkregen om te bouwen. Deze gang van zaken is niet in overeenstemming met de in de Woningwet gehanteerde systematiek, waar immers met artikel 46, derde lid, wordt voorkomen dat een vergunningplichtig bouwwerk zou kunnen worden gebouwd in strijd met het bestemmingsplan. Gezien het welstandsaspect is er geen sprake van een verandering van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet.
- Rb. Den Haag, 8 november 1994, BR 1995, p. 127.
Artikel 1.2: Termijnen
Artikel 145 Gemeentewet bepaalt dat op termijnen, gesteld in een gemeentelijke verordening, de artikelen 1 t/m 4 van de Algemene termijnenwet van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij in de verordening anders is bepaald. Artikel 1.2 is nu overbodig geworden, daar dit artikel ook de Algemene termijnenwet van toepassing verklaarde op de bouwverordening.
Artikel 1.3: Indeling van het gebied van de gemeente
Sinds 1965 is er hier te lande een Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht, die – na een intussen verstreken overgangsperiode – voor het gebied buiten de bebouwde kom een planologische regeling door middel van een of meer bestemmingsplannen verplicht stelt. De stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening zijn sindsdien enerzijds vooral van belang voor het gebied binnen de toenmalige bebouwde kom en anderzijds ter eventuele aanvulling op de voorschriften van het bestemmingsplan buitengebied. Binnen de toenmalige bebouwde kom kunnen overigens op vrijwillige basis of vanwege de aanwezigheid van een wettelijk beschermd monumentaal stads- of dorpsgezicht eveneens bestemmingsplannen vigeren, in welk geval de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening ook binnen de desbetreffende delen van de bebouwde kom slechts dienen ter eventuele aanvulling op de voorschriften van dergelijke bestemmingsplannen.
Gezien het voorgaande was het in 1965 veelal wenselijk om een indeling van de gemeente in zones te maken in de bouwverordening, waardoor een zinvol onderscheid kon worden gemaakt tussen de stedenbouwkundige voorschriften voor de toenmalige bebouwde kom en voor het destijds landelijke gebied. Het is praktisch om een dergelijke zone-indeling aan te geven op een bij de bouwverordening behorende kaart. Een verwijzing naar het begrip “bebouwde kom”, zoals dat voorkomt in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, lijkt niet gewenst, omdat daaruit geen voldoende nauwkeurige begrenzing kan worden afgeleid. De bedoelde, bij de bouwverordening behorende, kaart kan tevens worden gebruikt om op overzichtelijke wijze de eventuele gebieden aan te duiden die zijn vrijgesteld van welstandstoezicht.
In het algemeen bleek er in de loop der jaren behoefte te bestaan aan continuïteit in de stedenbouwkundige voorschriften, vooral in de voorschriften voor de ligging van de rooilijnen en die voor de maximum bouwhoogten. Daarom zijn in veel gemeenten de begrenzingen van de bebouwde kom en die van het buitengebied gelijk gehouden bij de overgang van de bouwverordening 1965 naar de bouwverordening 1992. Het spreekt vanzelf dat daardoor het begrip “bebouwde kom” in de zin van de bouwverordening meestal verschilt van het begrip “bebouwde kom” in de zin van de wegenverkeerswetgeving of in de zin van artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening, zoals dit per 3 april 2000 is gewijzigd.
Bij de herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 1985 zijn de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening overigens belangrijker geworden. Toen is de figuur van het globale bestemmingsplan zonder uitwerkingsplicht ingevoerd, waarin ter plaatse wordt uitgegaan van een vol-ledige aanvullende werking van de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening. Veel onduidelijkheden in de afbakening van de werkingssfeer van het bestemmingsplan en de bouwveror-dening zijn bovendien verdwenen bij de komst van (artikel 9 van) de Woningwet in 1992, met name ten aanzien van bestaande bestemmingsplannen die in het verleden onbewust onvolledig blijken te zijn vastgesteld. Tevens lijken de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening vanaf 2003 nog belangrijker te zijn geworden, omdat de vroegere meldingplichtige bouwwerken niet onder de werking van de (stedenbouwkundige voorschriften van de) bouwverordening vielen, maar de huidige licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken wel. Door dit alles kan een duidelijke afbakening van de bebouwde kom in de zin van de bouwverordening in relatie tot eventuele plangrenzen en grenzen van “welstandsvrije” gebieden van groter gewicht blijken dan in vroeger jaren.
In de ledenbrief d.d. 9 oktober 2002 van de VNG met betrekking tot de achtste serie wijzigingen van de MBV waren 4 alternatieven voor de redactie van het onderhavige artikel omschreven, verband houdend met de opname van artikel 9.9 in de bouwverordening voor wat betreft het uitsluiten van delen van de gemeente van welstandstoezicht.
Voor Pijnacker-Nootdorp is voorshands alternatief 1 relevant.
Dat alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen – al dan niet binnenstedelijke – zone is vastge-steld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.
Hoofdstuk 2 de aanvraag bouwvergunning
Algemeen
In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking hebben op de aanvraag om bouwvergunning. In de Woningwet is een nieuw artikel 40a opgenomen, waarin wordt bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gesteld omtrent de wijze van inrichting en indiening van een vergunningaanvraag, alsmede omtrent de daarbij over te leggen bescheiden. Dit is het Besluit indieningsvereisten geworden. De voorschriften van dit besluit zijn limitatief, waardoor de tot de achtste serie wijzigingen van de Modelbouwverordening in paragraaf 1 en enkele in paragraaf 2 opgenomen artikelen zijn komen te vervallen. Er is geen materiële wijziging beoogd ten opzichte van deze vervallen artikelen. De overige paragrafen van hoofdstuk 2 bevatten inhoudelijke criteria, waaraan de aanvraag om bouwvergunning wordt getoetst c.q. moet voldoen.
De wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180, zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, door B&W wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitsadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager – zowel natuurlijke als rechtspersonen – en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor B&W aanleiding zijn de bouwvergunning te weigeren. Bijlage 1 bij het standaard formulier voor het aanvragen van een bouwvergunning bevat een checklist. Op 15 september 2004 is de Aanpassingswet Bibob van 10 juni 2004 van kracht geworden, waarbij de artikelen 44a en 59 van de Woningwet zijn gewijzigd. Zie Stb. 2004, 320 en Stb. 2004, 452. Het bureau Bibob van het ministerie van Justitie verstrekt informatie over de uitvoering van de Wet Bibob in relatie tot de Woningwet (070-3704600 of www.justitie.nl/bibob).
Het vragen van een advies door B&W is facultatief. Indien een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om bouwvergunning met acht weken op. De Woningwet is voorzien van een nieuw artikel 44a. In een zogenaamde “Veegwet” worden nog enkele artikelen van de Woningwet herzien, onder meer die over het intrekken van een bouwvergunning en over de wijziging van de tenaamstelling van een bouwvergunning.
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is op 1 januari 1994 in werking getreden (Stb. 1994, nr.1).
Deze wet geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. Hiermee is tevens de Wet Arob komen te vervallen.
Een deel van de zaken die de bouwverordening regelde, worden nu ook geregeld door de Awb. Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet houden bepalingen van een gemeentelijke verordening, in wier onderwerp door een wet, een algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt voorzien, van rechtswege op te gelden.
De gefaseerde behandeling van de aanvraag om bouwvergunning
De gefaseerde vergunningverlening wordt in artikel 56a van de herziene Woningwet zelf uitdrukkelijk geregeld. Volgens de nieuwe regeling zijn burgemeester en wethouders verplicht een aanvraag om een reguliere bouwvergunning desgevraagd gefaseerd te behandelen. De aanvrager heeft derhalve de keuze om wel of geen gefaseerde vergunningverlening aan te vragen.
Daarnaast biedt artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten burgemeester en wethouders de facultatieve mogelijkheid van fasering van de bouwvergunningverlening (bouwvergunning op hoofdlijnen), zoals die tot de achtste serie wijzigingen in de Modelbouwverordening was opgenomen.
Een belangrijk verschil tussen de gefaseerde bouwvergunning op grond van artikel 56a van de Woningwet 2002 en de facultatieve mogelijkheid van fasering van de bouwvergunningverlening op grond van artikel 56 van de Woningwet (bouwvergunning onder voorwaarden) is dat in het eerste geval de aanvrager bepaalt of de procedure van de gefaseerde vergunning wordt gevolgd, waarbij burgemeester en wethouders verplicht zijn een aanvraag om een reguliere bouwvergunning gefaseerd te behandelen, terwijl in het laatste geval burgemeester en wethouders bevoegd zijn in te stemmen met de verlening van een bouwvergunning op hoofdlijnen.
Voorwaarden voor bouwafval in de bouwvergunning
Aan de bouwvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11.
Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke (chemische) stoffen niet bij el-kaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie
Voor een overzicht van de jurisprudentie met betrekking tot de indieningsvereisten van een aanvraag om bouwvergunning zoals die tot de achtste serie wijzigingen ook al was opgenomen in de Modelbouwverordening 1992, zie de losbladige uitgave “Standaardregelingen in de bouw” van de VNG Uitgeverij.
Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden
Artikel 2.1.1: Aanvraag bouwvergunning
De toelichting bij dit artikel is vervallen.
Artikel 2.1.2: In de aanvraag op te nemen gegevens
De toelichting bij dit artikel is vervallen.
Artikel 2.1.3: Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
De toelichting bij dit artikel is vervallen.
Artikel 2.1.4: Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen
De toelichting bij dit artikel is vervallen.
Artikel 2.1.5: Bodemonderzoek
Inleiding
De artikelen over het bodemonderzoek in de Model bouwverordening hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en het Besluit indieningsvereisten.
Artikel 2.1.5 is met de achtste serie wijzigingen van de VNG per 1 januari 2003 vervallen. Om die reden is toen in de toelichting bij artikel 2.4.1 alles beschreven over het bodemonderzoek wat nodig is voor de uitvoering van de bouwverordening.
In verband met de inwerkingtreding van het Besluit indieningsvereisten op 1 januari 2003 is bij genoemde achtste serie wijzigingen van de MBV een reeks artikelen vervallen, onder andere die over het bodemonderzoek. Onder meer uit vragen uit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat de afstemming tussen de MBV en genoemd Besluit op dat punt nog niet optimaal was, met name wat betreft de regeling inzake de wijze van onderzoeken en de daarop van toepassing zijnde normen en protocollen. In feite ontbrak de materie die voorheen was geregeld in het tweede tot en met het vierde lid van het vervallen artikel 2.1.5 uit de MBV.
In een overleg met het ministerie van VROM is uitgesproken dat op termijn de hele materie van het bodemonderzoek in landelijke regelgeving wordt neergelegd, doch dat dit nog enige tijd zal duren voordat het zover is. Omdat het onverantwoord wordt geacht deze periode over een gebrekkige regelgeving te beschikken, is tevens in dit overleg besloten dat als een tijdelijke oplossing de MBV wordt aangevuld met een nieuw herschreven artikel 2.1.5. Het blijkt dat een wijziging van de bouwverordening sneller te realiseren is dan een wijziging van landelijke regelgeving. Het deels doen herleven van het oude artikel 2.1.5 maakt het tevens noodzakelijk de toelichting op artikel 2.4.1 te herzien.
Met betrekking tot de voornemens voor rijksregelgeving verwijzen wij naar de MG circulaire van 15 juli 2003, nr. MG 2003 18.
De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4. 1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.
Lid 1
Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd ook wel historisch onderzoek genoemd ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders op basis van het derde lid besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek. In volgorde kunnen dus drie onderzoeken worden onderscheiden: vooronderzoek verkennend onderzoek en nader onderzoek.
Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.
Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend, bij voorbeeld bij de afgifte van het formulier voor het aanvragen van een reguliere bouwvergunning, dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed.
Lid 2
Tot de wijziging van de wettelijke categorie indeling van bouwwerken, die op 1 januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoeksverplichting niet voor het bouwen dat, hoewel bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk te stellen was met meldingplichtig bouwen. In het tweede lid van artikel 2.1.5 is thans een soortgelijke regeling opgenomen ten aanzien van het bouwen dat, hoewel regulier bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk te stellen is aan bouwvergunningsvrij c.q. licht bouwvergunningplichtig bouwen als genoemd in het Besluit bouwwerken. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen van een tuinschuurtje bij of een aanbouw aan een utiliteitsgebouw. Hoewel in deze gevallen dus geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend, kan de aanhoudingsregeling van artikel 52a van de Woningwet overigens wel van toepassing zijn op aanvragen om een reguliere of lichte bouwvergunning, namelijk in het geval dat bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige verontreiniging (zie de toelichting bij genoemd artikel 52a, eerste lid Woningwet).
De hoogte van een bouwwerk behoort bij de beoordeling of een bodemonderzoek is vereist, geen rol te spelen..
Lid 3
Het begrip 'bruikbare onderzoeksresultaten' houdt in dat in ieder geval een onderzoek heeft plaatsgevonden en dat dit recent is.
Lid 4
Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent geenszins dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend. Bij het verlenen van ontheffing zal de bodemnota van de gemeente richtinggevend zijn.
Lid 5
De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Of, zoals de toelichting bij de bijlage van het Besluit indieningsvereisten vermeldt, "Dit tijdstip kan in een voorwaarde bij de bouwvergunning worden vastgelegd op basis van het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet.
Artikel 2.1.6: Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning
De toelichting bij dit artikel is vervallen.
Artikel 2.1.7: Bouwregistratie
De toelichting bij dit artikel is vervallen.
Artikel 2.1.8: Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen
De toelichting bij dit artikel is vervallen.
Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning
Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 Procedurebepalingen
Artikel 2.2.1: Ontvangst van de aanvraag
De (vervallen) artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 waren tot 2003 in de MBV opgenomen teneinde discussies over termijnen uit te sluiten. Er werd van uitgegaan dat artikel 8, derde lid van de Woningwet (oud) ruimte liet voor het in de bouwverordening opnemen van deze artikelen. Tot 1 januari 2003 was in artikel 2.2.1 MBV opgenomen dat de aanvrager door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst wordt uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld. In het Besluit indieningsvereisten ontbrak sinds 1 januari 2003 een dergelijke bepaling, die in verband
met de fatale beslistermijnen in de bouwvergunningprocedure nodig is. Vanaf 1 april 2007 voorziet het nieuwe artikel 40b Woningwet in deze leemte, dat regelt dat burgemeester en wethouders de
ontvangstdatum op de bouwaanvraag aantekenen en een ontvangstbevestiging van de
bouwaanvraag verzenden.
Gelet op de sanctie van de fictieve bouwvergunningverlening die de Woningwet op termijnoverschrij-ding stelt, is het uitsluiten van onduidelijkheid over beslissingstermijnen nog steeds van belang. De beslistermijn voor de lichte bouwvergunning en de bouwvergunning eerste of tweede fase is zes weken en twaalf weken voor een reguliere bouwvergunning. Er zijn echter uitzonderingen.
Het is raadzaam om de aanvrager op de hoogte te stellen van het feit dat op een aanvraag om bouwvergunning, waarvoor tevens een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening nodig is, de termijn van zes weken (lichte bouwvergunning/bouwvergunning eerste of tweede fase) of twaalf weken (reguliere bouwvergunning) niet van toepassing is; zie artikel 46 en 49 van de Woningwet.
Andere uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken betreffen het opschorten van de termijn op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, het aanhouden van de aanvraag op grond van het bepaalde in de artikelen 50 tot en met 55 van de Woningwet, dan wel het verdagen van de beslissing daarop.
Ook de positie van de derden-belanghebbenden is bij de beslistermijn van belang. Ter bescherming van de positie van derden-belanghebbenden regelt artikel 41 van de Woningwet de openbare bekendmaking van de aanvraag om bouwvergunning. Om te vermijden dat derden-belanghebbenden te snel uitgaan van een fictief verleende bouwvergunning op basis waarvan zij bezwaar kunnen maken ingevolge de Algemene wet bestuursrecht, is het wenselijk dat de uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken voor hen kenbaar zijn.
Vanaf 2003 is het niet meer mogelijk de uitzonderingen op de beslistermijn van zes of twaalf weken te registreren in het openbaar bouwregister. Het is echter nog wel raadzaam om tot publicatie over te gaan van de aanhouding van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verdaging van de beslissing over een aanvraag om bouwvergunning.
Artikel 2.2.2: Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
Zie de toelichting bij artikel 2.2.1
Artikel 2.2.3: Bekendmaking van termijnen
Zie de toelichting bij artikel 2.2.1
Artikel 2.2.4: In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
De toelichting bij dit artikel is vervallen.
Artikel 2.2.5: In behandeling nemen en bodemonderzoek
De toelichting bij dit artikel is vervallen.
Artikel 2.2.6: Bekendmaking van rechtswege verleende bouwvergunning
Artikel 58 van de Woningwet regelt, dat de eigenaar of hoofdgebruiker van een naburig ander gebouw schriftelijk in kennis wordt gesteld van een fictief verleende bouwvergunning.
De termijn voor het geven van schriftelijk bericht is door de Woningwet gesteld op twee weken. De bouwverordening dient alleen de inhoud van het bericht te regelen. Zo nodig kan dit artikel worden aangepast aan plaatselijke omstandigheden en gebruiken.
Paragraaf 3 Welstandstoetsing
Artikel 2.3.1: Welstandscriteria
De toelichting bij dit artikel is vervallen.
Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
Artikel 2.4.1: Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
Algemeen
In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem.
In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord “uitsluitend” in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan.
Artikel 8 derde lid van de Woningwet en het onderhavige artikel sluiten nauw aan bij de vroegere redactie waardoor inhoudelijk geen grote verschillen ontstaan. De verschillen die er zijn, betreffen de aanduiding van de categorie waarvoor het bodemonderzoek geldt, de bouwwerken waarvoor een reguliere bouwvergunning is vereist. De bouwwerken waarvoor een zogenoemde lichte bouwvergunning volgens artikel 44, derde juncto eerste lid van de Woningwet is vereist, vallen buiten deze onderzoeksplicht. Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, letter c, van het Besluit indieningsvereisten, waarin staat dat bij een aanvraag om een lichte bouwvergunning de gegevens en bescheiden bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.4 van hoofdstuk I van de bijlage bij dit besluit moeten worden ingediend. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport staat in artikel 1.2.5, letter e van hoofdstuk 1 van de bijlage bij genoemd besluit. Derhalve geldt de plicht tot het indienen van een bodemonderzoeksrapport niet voor een aanvraag om een lichte bouwvergunning. De laatstgenoemde categorie komt niet geheel overeen met de categorie meldingplichtige bouwwerken van voor de wetswijziging van 2003. Indien burgemeester en wethouders op andere wijze dan via bedoeld bodemonderzoek ermee bekend zijn dat de grond ernstig verontreinigd is (bijvoorbeeld op basis van eerder verricht bodemonderzoek of historisch onderzoek), kunnen zij ook in geval van een aanvraag om een lichte bouwvergunning van de aanvrager een bodemonderzoeksrapport verlangen.
In artikel 2.1.5 staat vermeld aan welke eisen het onderzoek naar de gesteldheid van de bodem moet voldoen. Ook is aangegeven dat geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend bij regulier bouwvergunningplichtig bouwen dat naar aard en omvang gelijk is aan bouwvergunningsvrij of licht-bouwvergunningplichtig bouwen. Voorts worden hieronder bij het vierde aandachtstreepje de omstandigheden omschreven waaronder burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk ontheffing kunnen verlenen van de plicht tot het (doen) verrichten van bodemonderzoek.
De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om bouwvergunning, waartoe het bodemonderzoek behoort, zijn vanaf 1 januari 2003 niet langer in de bouwverordening maar in het Besluit indieningsvereisten geregeld.
De structuur is als volgt:
- - De voorprocedure – voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om bouwvergunning – waarbij een gemeentelijke dienst, meestal de milieudienst, een oordeel geeft over de onder-zoeksopzet van het onderzoeksrapport is als verplicht onderdeel om te komen tot een aanvraag om bouwvergunning overbodig geworden nu de NEN 5740 deze materie nagenoeg geheel be-strijkt. Ingeval de aanvrager twijfel heeft over de keuze van de onderzoeksopzet staat het hem vrij hierover bij de desbetreffende dienst of afdeling van de gemeente informatie te vragen en een vooroverleg te voeren. In dit vooroverleg kan tevens aan de orde komen de vraag of en zo ja voor welke gegevens ontheffing wordt verleend van het onderzoek naar de bodemgesteldheid.
- - Bij de aanvraag om een bouwvergunning voor een bouwwerk waarvoor een reguliere bouwvergunning is vereist, moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus 1.2.5, letter e van de bijlage behorende bij artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten.
- - Het onderzoeksrapport bestaat volgens het eerste lid van artikel 2.1.5 uit de resultaten van een recent uitgevoerd verkennend onderzoek volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, inclusief correctieblad C1, uitgave 2000,en NEN 5707, uitgave 2003. Voordat een verkennend onderzoek wordt uitgevoerd moet een vooronderzoek volgens NVN 5725, uitgave 1999, worden uitgevoerd ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, verlenen burgemeester en wethouders op grond van het derde lid van artikel 2.1.5 geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 1.2.5 als hiervoor genoemd.
- Duidt het vooronderzoek op de aanwezigheid van diffuse of puntbronnen, dan dient daarnaast onderzoek plaats te vinden volgens het gecombineerde protocol uit de Sdu-uitgave Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (oktober 1993, ISBN 90-12-08118-1). Hiermee wordt op een verantwoorde wijze inzicht verkregen in de algemene bodemkwaliteit van het bouwkavel en de aanwezigheid van puntbron(nen) gebonden verontreiniging(en).
- Wanneer uit het verkennend onderzoek blijkt dat sprake is van bodemverontreiniging, is een nader onderzoek vereist. Hiervoor geldt het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1994, ISBN 90-12-09083) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1995, ISBN 90-12-08232-3).
- - Het beoordelingskader waarmee kan worden voorkomen dat de aanwezigheid van asbest in de bodem op een bouwlocatie over het hoofd wordt gezien is aangevuld met de onderzoeksnorm NEN 5707 (Bodem – Inspectie, Monsterneming en analyse van asbest in bodem). Indien voorafgaand aan een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd, kan de aanwezigheid van asbest in de bodem worden onderzocht door daaraan een onderzoek volgens NEN 5707 te koppelen. De norm is van toepassing op asbest in bodem en grond met minder dan 20% puin.
- Op de bepaling van asbest in bodem met meer dan 20% puin is NEN 5897, uitgave 2005 ‘Monsterneming van analyse van asbest in onbewerkt bouw- en sloopafval en puingranulaat’ van toepassing.
- - Het tijdstip waarop de ontheffing wordt verleend is niet vastgelegd. Dit kan zijn voor de indiening van een verzoek om bouwvergunning of nadat dit verzoek is ingediend.
- - De ontheffing van de onderzoeksplicht houdt niet in dat niet getoetst wordt aan het verbod tot bouwen op verontreinigde bodem. In het kader van de grondpolitiek, de planologie, het bodem- of milieubeleid beschikt de gemeente in voorkomende gevallen al over onderzoeksresultaten. Het criterium voor het verlenen van een ontheffing is dus een eerder onderzoek, dat kwalitatief aan het onderzoeksrapport gelijkwaardige informatie heeft opgeleverd. Is het terrein niet eerder onderzocht, dan vormt het feit dat in de gemeentelijke archieven bruikbare informatie voor een historisch onderzoek te vinden is, uiteraard geen grond voor een ontheffing. Het eerdere onderzoek kan door de gemeente in eigen beheer gebeurd zijn.
- De situatie waarin de gemeente een terrein bouwrijp heeft opgeleverd en verkocht, leent zich bijvoorbeeld goed voor een ontheffing. Verder kan de aanvrager of een eerdere rechthebbende in een ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning onderzoeksgegevens aan de gemeente hebben overgelegd. Voorwaarde bij dit alles is wel dat de bij de gemeente bekende informatie actueel genoeg is. De actualiteitswaarde van de onderzoeksresultaten bedraagt maximaal twee tot vijf jaar, afhankelijk van de aard en mate van de verontreiniging en het bodemgebruik na het uitvoeren van het onderzoek.
- Overwogen zou kunnen worden om, in verband met de krappe termijnen, deze ontheffingsbevoegdheid van burgemeester en wethouders te mandateren.
- De ontheffing dient in volgorde vooraf te gaan aan de beoordeling van de compleetheid van de stukken in verband met toepassing van artikel 4:5 juncto 4:15 Awb. In verband met de krappe termijn kan het lastig en wellicht niet goed realiseerbaar zijn om binnen die termijn ook de mogelijkheid van een ontheffing te beoordelen en bij een gunstige uitkomst te verlenen. Daarom is de mogelijkheid en wenselijkheid aangegeven in een vooroverleg de mogelijkheid van ontheffing te bezien en deze zo mogelijk te verlenen voordat de aanvraag wordt ingediend. Dit geeft de aanvrager de meeste zekerheid en behoedt de gemeente voor problemen met de fatale termijnen.
- - Indien met inachtneming van een verleende of nog te verlenen ontheffing blijkt dat de ingediende bescheiden onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 47 van de Woningwet in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
- - Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kunnen burgemeester en wethouders in een voorwaarde bij de bouwvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus het derde lid van artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten.
De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet. Nadrukkelijk wordt in de Memorie van toelichting bij de wetswijziging vermeld dat de schade voor het milieu, gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, geen motief kan zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, plant en dier centraal staat.
Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen
Wat verstaan moet worden onder "bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven" wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr.3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken, onderwijs te geven of te genieten. Bij "enige tijd" moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.
Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuin-bouwprodukten alsmede gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kortdurende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1996-1997, 24 809, nr.5, p.6) wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip "voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen" valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.
Bouwwerken die de grond niet raken
Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een ge-bouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwin-gen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouw-werkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden geëist.
Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging
De systematiek van de Woningwet gaat ervan uit dat burgemeester en wethouders het bevoegde gezag zijn voor de vraag of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.
Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de vier grote steden volgens de Wet bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen.
Afstemming met Wet bodembescherming
Met de wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond is voorzien in een afstemmingsregeling tussen de bouwvergunningsprocedure en de saneringsprocedure uit de Wet bodembescherming.
Op grond van artikel 52A uit de Woningwet geldt er een aanhoudingsverplichting voor aanvragen om bouwvergunning indien uit het overgelegde bodemonderzoek blijkt dat de grond ter plaatse in zodanige mate is verontreinigd dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Deze aanhoudingsplicht geldt ook als bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat de grond waarop gebouwd wordt in ernstige mate is verontreinigd. In deze gevallen zal het gaan om bouwaanvragen waarbij geen bodemonderzoek behoefde te worden overgelegd, bijvoorbeeld omdat het bouwwerk niet bestemd is voor het verblijf van mensen.
Deze aanhoudingsplicht duurt ingevolge het derde lid van artikel 52A totdat het krachtens de Wet bo-dembescherming bevoegde gezag het saneringsplan heeft goedgekeurd. Ook eindigt de aanhoudings-plicht indien het bevoegde gezag heeft vastgesteld dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging.
Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk
Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de bouwaanvraag geen aanhoudingsverplichting en moeten burgemeester en wethouders beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreinigingsgraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel burgemeester en wethouders de bouwvergunning in deze gevallen formeel kunnen weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden, namelijk dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van de Modelbouwverordening.
Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd.
Zodra het saneringsplan is goedgekeurd, dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991, vóór de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (Stb. 1998, 132), en de MBV 1992 bijgewerkt tot de zesde serie wijzigingen
- - Gelet op de functie van het in het geding zijnde bouwwerk (parkeerdak) is een toets aan de in artikel 2.4.1, eerste lid (Model-)bouwverordening neergelegde verbodsbepaling niet redelijk. Gelet hierop bestond de mogelijkheid om vrijstelling als bedoeld in artikel 2.4.1, tweede lid, (Model-) bouwverordening te verlenen. Nu in dit geval sprake is van een van rechtswege verleende bouwvergunning, en de Woningwet niet voorziet in de mogelijkheid dat een op grond van de (Model-) bouwverordening vereiste vrijstelling van rechtswege wordt verleend, is deze bouwvergunning in strijd met artikel 44, aanhef en onder b, van de Woningwet.
- Vz. ARRS 25 november 1993, S03.93.4868.
- - Artikel 2.4.1 van de (Model-)bouwverordening is niet in strijd met artikel 8 van de Woningwet. Bij een interne bouwvergunningplichtige verbouwing zijn b. en w. gehouden, zonodig onder het stellen van voorwaarden, een vrijstelling van het verbod tot bouwen op verontreinigde grond te verlenen.
- Pres. Rb. Zutphen 26 februari 1996, BR 1996, p.499.
- - Uit het verkennend bodemonderzoek, dat zich heeft beperkt tot enkele parameters, blijkt dat het desbetreffende gebied dermate is verontreinigd, dat de grond niet zondermeer geschikt is voor woningbouw. Met betrekking tot de specifieke verontreinigingsgraad van het perceel is nog onvoldoende bekend. B. en w. hebben op goede gronden geconcludeerd dat nader bodemonderzoek noodzakelijk is, om deze specifieke verontreinigingsgraad te bepalen. Wegens het ontbreken van bereidheid aan de zijde van eiser dit onderzoek te laten verrichten, hebben b. en w. de bouwvergunning geweigerd.
- ABRS. 2 september 1996, H01.95.0572.
- - Bij de bodemtoets gaat het in het bijzonder om de actuele risico’s voor de mens bij het gebruik van een bouwwerk. Ook een niet-urgent geval van ernstige bodemverontreiniging (volgens urgentiemethodiek Wet bodembescherming) kan desondanks met zich meebrengen dat bij het gebruik van het bouwwerk voor de mens een actueel risico bestaat, zodat de bouwvergunning geweigerd dient te worden.
- Pres. Rb. Leeuwarden 21 augustus 1996, BR 1996, p.1005.
Artikel 2.4.2: Voorwaarden bouwvergunning
Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van burgemeester en wet-houders toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreinigingsgraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingsprobleem kan worden ondervangen.
In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de bouwvergunning.
In de voorwaarden van de bouwvergunning kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en in relatie tot de bouw op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:
- - de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht;
- - de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;
- - de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.
Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om bouwvergunning is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om bouwvergunning voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden.
Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan. Nadat het op grond van de Wet bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan heeft goedgekeurd en de aanhoudingsplicht op grond van artikel 52A van de Woningwet is beëindigd, kan de bouwvergunning worden verleend onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991, vóór de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (Stb. 1998, 132), en de MBV 1992 bijgewerkt tot de zesde serie wijzigingen
- - De bodembepalingen uit de (Model-)bouwverordening bieden de mogelijkheid tot verlening van een bouwvergunning onder voorwaarde dat na afbraak van de bestaande opstallen en verwijdering van de olietanks een nader bodemonderzoek zal plaatsvinden, en dat niet met de beoogde bouw wordt begonnen voordat is gebleken dat het desbetreffende terrein daarvoor geschikt is.
- ABRS. 13 juni 1996, BR 1996, 820.
Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard
Algemeen
De voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn afgeleid van de stedenbouwkundige voorschriften van de oude MBV. Deze oude voorschriften zijn geactualiseerd, op onderdelen worden gemeenten alternatieven geboden.
Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan
Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze paragraaf van de MVB alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken.
Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de Modelbouwverordening. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): “…, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt”. Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige bepalingen (inclusief de ontheffingen hiervan) uit de bouwverordening het bestemmingsplan aan.
Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:
- a. bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld, of,
- b. het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit.
- luidt ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,
- c. de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen.
Het is niet mogelijk de eventuele strijdigheid met een bepaling uit een bestemmingsplan op te heffen met een ontheffing uit de bouwverordening. Deze laatste zien immers alleen op de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV.
Bewust is gekozen niet de termijn van tien jaar ex artikel 33 WRO te introduceren in de bouwverordening aangezien het hier slechts gaat om een minimale planologische regeling die niet aan tijdsveranderende beleidsinzichten onderhevig is. Tevens is het van belang dat er sprake blijft van continuïteit van de stedenbouwkundige eisen in de (model)bouwverordening sinds 1965.
- - Belangrijke aandachtspunten bij de stedenbouwkundige voorschriften zijn:
- - De voorrangsregel tussen bestemmingsplan en bouwverordening; zie artikel 9 van de Woningwet.
- Voor gebieden waarvoor een bestemmingsplan van kracht is, moet worden aangenomen, dat de stedenbouwkundige voorschriften slechts rechtskracht hebben, voor zover het bestemmingsplan daardoor niet geheel of ten dele van zijn kracht beroofd wordt.
- Het tweede lid van artikel 9 van de Woningwet heeft ten opzichte van het oude artikel 2 van de Woningwet 1962 wel een verduidelijking ondergaan.
- De voorschriften van de bouwverordening treden alleen terug, als het bestemmingsplan over het-zelfde onderwerp uitdrukkelijk voorschriften bevat of als het bestemmingsplan uitdrukkelijk be-paalt, dat de voorschriften van de bouwverordening terugtreden.
- Uit jurisprudentie blijkt dat onder bepaalde voorwaarden de conflictregel uit artikel 9 van de Woningwet zodanig kan worden toegepast dat ook een toekomstig bestemmingsplan de bepalingen van de bouwverordening opzij kan zetten. Indien met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geanticipeerd wordt op een nog niet van kracht geworden bestemmingsplan, waardoor dit toekomstige plan in de plaats treedt van het van kracht zijnde bestemmingsplan, dan kan in het verlengde daarvan het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan op de voorgrond treden bij de toepassing van de conflictregel. In deze hoedanigheid kan het toekomstige bestemmingsplan bepalingen uit de bouwverordening terzijde schuiven.
- Een eerste vereiste hiervoor is dat er sprake is van een ontwerp-bestemmingsplan dat reeds een voldoende concreet toetsingskader biedt en waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat het on-herroepelijk zal worden.
- Een tweede vereiste is dat met de toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Orde-ning op dit plan geanticipeerd wordt. Alvorens de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te kunnen starten dient beoordeeld te worden of het bouwplan past binnen het ontwerp-bestemmingsplan. Bij die toets moet ook bezien worden of het toekomstige bestemmingsplan strijdig is met de bouwverordening, waarbij de conflictregel wederom aan de orde komt. Als onder deze omstandigheden blijkt dat de bouwverordening voorschriften geeft die niet overeenstemmen met het toekomstige bestemmingsplan, dan blijven deze voorschriften bij de toetsing van het concrete bouwplan buiten toepassing.
- Voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt en waar dus een anticipatie op voet van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet aan de orde is, biedt artikel 2.5.29 van de MBV de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en achtergevelrooilijn en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de voor- en achtergevelrooilijn en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, mits het bouwplan past in het toekomstige bestemmingsplan. Ook hier geldt daarbij de eis dat dit bestemmingsplan het stadium van "intern praatstuk" is gepasseerd, hetgeen in het betreffende artikel nader is geconcretiseerd.
- (Zie ABRS, 11 mei 1995, BR 1995, blz. 671, Gst. 7022, 9, m.nt. De Gier. Zie tevens ARRS, 18 september 1986, AB 1987, 135).
- - De tweedeling in (licht-)bouwvergunningplichtig en vrij bouwen.
- De stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing op het bouwvergunningplichtig bouwen. Hierbij mag echter niet over het hoofd worden gezien dat bouwwerken aan, bij of op monumenten en in van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten altijd bouwvergunningplichtig zijn. De stedenbouwkundige voorschriften zijn aangepast aan artikel 43 van de Woningwet en het Besluit bouwwerken.
- - Het parkeren.
- Aan het slot van de stedenbouwkundige eisen bevat de MBV parkeerartikelen. Het in de bouw-verordening opnemen van parkeerartikelen is mede noodzakelijk omdat het Bouwbesluit voor-alsnog geen regeling ter zake zal bevatten.
Zoals hierboven is aangegeven, is het soms moeilijk om te bepalen of een bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de bouwverordening. Een toelichting van een bestemmingsplan bevat weliswaar veelal een artikelsgewijze toelichting, maar feitelijk is ondoenlijk om (de zin van en de bedoeling achter) al datgene wat in een artikel over een bepaalde bestemming is geregeld, volledig te verklaren.
Inmiddels is in een aantal rechtszaken rond verleende bouwvergunningen in deze gemeente de (mogelijke) aanvullende werking van de bouwverordening aan de orde geweest.
Bijzonder lastig is om in die situaties aan te geven in hoeverre het bestemmingsplan een uitputtende regeling heeft willen geven, aangezien – zoals aangegeven – de toelichting daar geen inzicht in geeft. In die zin verschaffen de bestemmingsplannen dan ook feitelijk slechts een “schijnzekerheid” omtrent de bouwmogelijkheden omdat van geval tot geval de situatie zich kan voordoen dat moet worden geoordeeld dat de bouwverordening toch nog aanvullend werkt.
Van de thans in deze gemeente vigerende bestemmingsplannen kan worden gezegd dat ze over het algemeen voldoende voorschriften van stedenbouwkundige aard bevatten, die in afdoende mate de bouwmogelijkheden aangeven.
Voor het in stand laten van stedenbouwkundige voorschriften in de gemeentelijke bouwverordening bestaat daarom geen aanleiding meer. Bovendien komt het de duidelijkheid bij de toetsing van bouwplannen ten goede indien toetsing aan de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening achterwege kan blijven.
Bij de eerste wijziging van de Bouwverordening Pijnacker-Nootdorp 2007 heeft de raad dan ook besloten om de meeste stedenbouwkundige voorschriften te laten vervallen.
Artikel 2.5.1: Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen
Van verschillende bepalingen uit de artikelenreeks 2.5.1 t/m 2.5.29 is ontheffing mogelijk, ten gevolge waarvan de belangen van omwonenden beïnvloed worden.
Tot en met de achtste serie wijzigingen MBV gaf artikel 2.5.1 een begrenzing van die ontheffingsbevoegdheden, ten einde het gevaar voor een onredelijke benadeling van belangen van de omwonenden tegen te gaan.
Deze bepaling hield in dat
- a. een bouwwerk niet zodanige afmetingen of een zodanige ligging mocht krijgen dat tot een bestaand deel ervan of een ander bouwwerk niet meer voldoende licht en lucht zou kunnen toe treden, dan wel dat de goede werking van schoorstenen en ventilatiekanalen zou worden belemmerd.
- b. bij de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning moest worden aangenomen dat alle om het bouwterrein liggende terreinen zijn bebouwd tot de hoogte en de oppervlakte die ten hoogste zonder vrijstelling of ontheffing mogelijk zijn krachtens bestemmingsplan, de bouwverordening of enige andere verordening.
- c. bij overschrijding van een of meer van de onder b. bedoelde maxima door een bestaand bouwwerk in afwijking van het gestelde onder b. moest worden uitgegaan van de werkelijke afmetingen van dat bouwwerk.
- Dit hoefde er evenwel niet altijd toe te leiden dat nieuwbouw die de hier bedoelde hinder voor een naburig bestaand gebouw zou veroorzaken, niet gerealiseerd kon worden. De opdrachtgever van de nieuwbouw kan immers met de eigenaar van het bestaande gebouw overeenkomen dat op kosten van eerstgenoemde de nodige veranderingen aan het bestaande pand worden aangebracht (bijvoorbeeld grotere of andere ramen, mechanische gasafvoer e.d.).
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur heeft de gemeenteraad sinds 7 maart 2002 niet meer de bevoegdheid om op grond van artikel 148 Gemeentewet bij verordening beleidsregels (i.c. richtlijnen) vast te stellen, waarmee andere bestuursorganen van de gemeente (i.c. B&W) rekening dienen te houden bij de uitoefening van bij of krachtens de wet verleende bevoegdheden.
Het belang van begrenzing van ontheffingsbevoegdheden in de artikelenreeks 2.5.2 tot en met 2.5.29 MBV blijft echter ook na 7 maart 2002 onverkort aanwezig. Titel 4.3 Awb omvat een algemene bevoegdheid voor bestuursorganen om voor eigen bevoegdheden beleidsregels vast te stellen. De inhoud van het vervallen artikel 2.5.1 MBV kan aldus als beleidsregel bij besluit van burgemeester en wethouders opnieuw worden vastgesteld en bekendgemaakt. Een andere oplossing zou kunnen zijn dat de gemeenteraad bijvoorbeeld in een beleidsnota de kaders aangeeft, waarbinnen het college van B&W zijn bevoegdheid dient uit te oefenen. Zo'n beïnvloeding van het collegebeleid kan echter alleen in politieke zin gehandhaafd worden!.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie
- - De voorwaarde voor verlening van de bouwvergunning, inhoudende dat de bouwer voorzieningen treft ter voorkoming/opheffing van strijdigheid met de technische bepalingen van de Bouwverordening (nu Bouwbesluit) van de belendende panden is i.c. onvoldoende gezien de aard van de potentiële strijdigheden en het moeizame verloop van de onderhandelingen tussen appellanten en belanghebbenden over het opheffen van die strijdigheden.
- ARRS 26 april 1993, R03.89.7556.
- - Vergunning voor het plaatsen van een kap op een bungalow onder de voorwaarde dat, in overleg met de buren, bepaalde voorzieningen worden aangebracht aan woningen van die derden teneinde bestaande ventilatie- en rookafvoeren te verhogen (artikel 32 (Model-)bouwverordening 1965). De afdeling stelt vast dat B en W aan de ter zake relevante wetgeving niet de bevoegdheid kunnen ontlenen om te bepalen dat deze aan woningen van derden te treffen voorzieningen door appellant, ongeacht de bereidheid tot medewerking van die derden, dienen te worden aangebracht. B en W waren ermee bekend dat de buren dit niet toestaan. Nu vaststaat dat deze voorwaarde niet kan worden vervuld, kan niet worden gezegd dat deze strekt ter bescherming van de belangen van artikel 32 (Model-)bouwverordening 1965. Onder deze omstandigheden had het in de rede gelegen de bouwvergunning te weigeren.
- ABRS 21 juni 1994, AB 1995, p. 257.
Artikel 2.5.2: Anti-cumulatiebepaling
Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te hebben.
Artikel 2.5.3: Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer
Lid 1
Het onderhavige voorschrift spreekt over "een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd", omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet alleen gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals de tribunes van sportvelden.
Indien de maat in het eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt bepaald, dan correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan ingevolge het Postbesluit dat op de Postwet 1954 berust een brievenbus aan het tuinhek moet worden aangebracht in plaats van aan de voordeur, een zgn. buitenbus.
De maat van 10 meter verdient uit een oogpunt van brandbestrijding eveneens de voorkeur, omdat an-ders de lengte van de blusslangen te groot wordt.
Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening (MBV 1965):
- - Er kan met voldoende zekerheid van worden uitgegaan dat het bouwplan voldoet aan de betrokken bepaling van de bouwverordening, nu ter zake schriftelijk is overeengekomen dat een erf-dienstbaarheid zal worden gevestigd, zodat de noodzakelijke uitweg tot stand zal komen.
- Vz. ARRS, 24 februari 1992; S03.91.4091.
Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de zin van het eerste lid, moet de bouwvergunning worden geweigerd. Eventueel kan de bouwvergunning worden verleend met de voorwaarde dat met bouwen pas mag worden begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die aan de eisen voldoet, voldoende is gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat de aanvrager van de bouwvergunning eerst moet zorgen dat hij beschikt over een toestemming tot aanleg van de verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op het wegennet.
Een publiekrechtelijke regeling (met een vergunningplicht voor het aanleggen van wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke toestemming tot uitwegen is gelet op artikel 14 van de Wegenwet niet nodig voor het aansluiten, c.q. uitwegen op openbare wegen.
Lid 2
Ten gevolge van de wijziging van het onderhavige lid die in het kader van de achtste serie wijzigingen van de Modelbouwverordening 1992 (d.d. najaar 2002) is doorgevoerd, is de gepubliceerde jurisprudentie van voordien niet meer toepasselijk (ABRS 25 januari 2001, Bouwrecht 2001, 508; verbindingsweg Boxmeer).
De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik door gangbare vrachtauto’s, zoals verhuisauto’s, brandweerauto’s e.d., zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De eis voor het draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een sloot of iets dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde gangbare vrachtauto’s.
De onder a. genoemde tweede, onafhankelijke, route is bij een dergelijke afstand van een bouwwerk tot de openbare weg noodzakelijk, omdat niet kan worden gegarandeerd dat de eerste route altijd bruikbaar is (vanwege bijvoorbeeld wegwerkzaamheden, opstoppingen of fout parkeren).
Richtlijn hiervoor is de handleiding bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid, uitgegeven door de Nederlandse Vereniging voor brandweerzorg en Rampenbestrijding, eerste druk uitgave 2003.
Lid 4
Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik beschikt.
Lid 5
Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een:
- a. aansluiting op het distributienet van de drinkwaterleiding;
- b. aansluiting op een leidingnet voor water, geen drinkwater zijnde;
- c. speciaal gegraven blusvijver;
- d. ander oppervlaktewater;
- e. waterput of bron.
Lid 6
De onderhavige ontheffing kan worden verleend voor gebouwen die door hun aard, ligging of wijze van gebruik geen verbindingsweg en dus ook geen opstelplaats voor blusvoertuigen behoeven te hebben. Voorbeelden: recreatiewoonverblijven die aan het water liggen en over een aanlegsteiger beschikken, bergplaatsen voor materialen bij waterstaatwerken, vrijstaande boerenschuren, schuilhutten e.d.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie
- - Voor het aannemen van een verbindingsweg in de zin van artikel 37, lid 1, (Model-)bouwverordening 1965 is de feitelijke situatie beslissend. Geen beroep op de wegenlegger. Met aantekening dat met dit artikel niet is beoogd het voorkomen van verkeersgevaarlijke situaties.
- Vz. ABRS 25 april 1994, R03.93.555346P90 en S03.94.0222.
Artikel 2.5.3A: Brandweeringangen
Om een snelle inzet met een zo beperkt mogelijke schade te waarborgen, moet de brandweer een gebouw op een eenvoudige wijze kunnen betreden. Dit is vooral van belang als het gebouw is voorzien van een brandbeveiligingsinstallatie die is voorzien van automatische doormelding naar de alarmcentrale van de regionale brandweer.
Wanneer een gebouw meerdere toegangen heeft, dient in overleg met de brandweer de brandweeringang aangewezen te worden. Naast de primaire toegankelijkheid van het gebouw, is het noodzakelijk dat de brandweer kan beschikken over sleutels van ruimten in het gebouw die normaal zijn afgesloten.
De werking van de brandweeringang dient te allen tijde gegarandeerd te zijn. Hiervoor dient de brandweeringang te voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl .
Artikel 2.5.4: Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het Bouwbesluit die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen voor al dan niet gehandicapte mensen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld, wanneer de eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet beschikken.
Artikel 2.5.5: Ligging van de voorgevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.6: Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.7: Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.8: Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.9: Bouwen op de weg
Vervallen
Artikel 2.5.10: Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken
Vervallen
Artikel 2.5.11: Ligging van de achtergevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.12: Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.13: Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.14: Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.15: Erf bij woningen en woongebouwen
Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de 'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.
Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.
Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.
Lid 3 b, onder 1
Deze ontheffing is onder meer bedoeld voor patiowoningen.
Lid 3 b, onder 2
Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou ontheffing van de voorgeschreven erfgrootte kunnen worden verleend.
Lid 3 b, onder 3
Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbetering van de bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer.
Artikel 2.5.16: Erf bij overige gebouwen
Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.
Lid 2, onder a en b
Bij het verlenen van ontheffing zal onder meer rekening moeten worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen.
Bij het hanteren van de ontheffing dient bovendien onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen en een bouwblok waarin bijvoorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal de ontheffing minder ver mogen gaan dan in het andere geval.
Artikel 2.5.17: Ruimte tussen bouwwerken
Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. De ontheffing kan worden verleend, indien de smalle open ruimte voldoende, bijvoorbeeld door een opening in de zijgevel van het gebouw, voor onderhoud bereikbaar is.
Bij het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het tweede lid zal uiteraard ook gelet moeten worden op het bepaalde in artikel 2.5.1.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie
- - Artikel 52 MBV 1965 (nu artikel 2.5.17 MBV). Verweerders hebben een vrijstelling op grond van dit artikel verleend, daar de architect is uitgegaan van bouwtekeningen die nu niet meer stroken met de werkelijkheid. De ruimte tussen de woningen is nu niet meer 1.50 m maar 0,75 m.
- ARRS: Hoewel de - doodlopende - ruimte tussen de woningen smaller is geworden dan voorzien, kan niet worden gesteld dat deze tussenruimte - die 0,75 m bedraagt - onvoldoende bereikbaar is voor onderhoud.
- ARRS, 19 juli 1993, No. R03.91.2840.
Artikel 2.5.18: Erf en terreinafscheidingen
Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in principe een bouwvergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, onder e, van het Besluit bouwwerken, althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de bouwvergunningplicht en behoeven derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de bouwverordening. Eventueel kunnen burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid van laatstgenoemd artikel ontheffing verlenen voor het bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw is.
Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van beweegbare delen van erf- en terreinafscheidingen.
Artikel 2.5.19: Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
Het eerste lid strekt tot bescherming van het bouwvergunningplichtige bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d.
Het gehele artikel heeft alleen betrekking op hoogspanningslijnen en hoofdtransportleidingen die bij het aanvragen van een bouwvergunning aanwezig zijn. Het geldt ook voor het bouwen in het gebied van een bestemmingsplan, zolang de voorschriften van dat bestemmingsplan dit niet uitsluiten of een andere regeling ter zake bevatten; zie artikel 9 van de Woningwet 1991.
Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen, in hoeverre het bouwen nabij hoog-spanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke voor-waarden, is het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan eventueel ontheffing kan worden verleend. De aan een ontheffing te verbinden voorwaarden zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het bouwwerk.
Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de hoofdtransportleiding. Krachtens overeenkomst met de NV Nederlandse Gasunie zal de gemeente van derden in elk geval het plegen van dergelijk overleg verlangen, indien bij een hoofdtransportleiding voor aardgas wordt gebouwd.
Voor hoogspanningsleidingen zal het onderhavige voorschrift geen praktische betekenis hebben, indien op het betrokken perceel een recht van opstal is gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. In dat geval heeft het recht van opstal niet alleen betrekking op bouwvergunningplichtige bouwwerken, maar ook op bouwvergunningvrije. Meestal betreft het dan vrij te houden stroken van 2 x 30 meter, waarin echter onder voorwaarden wel de plaatsing van bepaalde bouwwerken, machines e.d. is toegestaan.
Artikel 2.5.20:Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.21: Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
Vervallen
In Pijnacker-Nootdorp is gekozen voor alternatief 1.
Artikel 2.5.22: Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn
Vervallen
Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor en achtergevelrooilijnen
Vervallen
Artikel 2.5.24: Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken
Vervallen
Artikel 2.5.25: Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen
Vervallen
Artikel 2.5.26: Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken
Vervallen
Artikel 2.5.27: Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte
Vervallen
Artikel 2.5.28: Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte
Vervallen
Artikel 2.5.29: Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van een bestemmingsplan
Vervallen
Artikel 2.5.30: Parkeergelegenheid en laad en losmogelijkheden bij of in gebouwen
In de 1e serie wijzigingen van de MBV van de VNG (circulaire 6 september 1993) waren 2 alterna-tieven uitgewerkt/omschreven bij dit artikel.
Alternatief 1 was bedoeld voor gemeenten waarin zich bepaalde locaties bevinden die uitstekend, res-pectievelijk goed per openbaar vervoer bereikbaar zijn of zullen worden (de zgn. A- en B-locaties).
Alternatief 2 was bedoeld voor gemeenten die niet over die locaties beschikken.
In Pijnacker-Nootdorp is gekozen voor alternatief 2.
In verband daarmee is alleen de toelichting op dat alternatief hieronder opgenomen.
Algemeen
Ging het Tweede structuurschema verkeer en vervoer (SVV II) nog uit van het A, B, C-locatiebeleid; de Nota Mobiliteit heeft dit beleid volledig losgelaten. De Nota Mobiliteit gaat uit van het adagium ‘centraal wat moet, decentraal wat kan’. Daarmee zijn de decentrale overheden verantwoordelijk voor een voldoende en gevarieerd op de vraag afgestemd aanbod van locaties voor bedrijven en voorzieningen en volgen hierbij de principes van het integrale locatiebeleid zoals vastgelegd in de Nota Ruimte. Parkeerbeleid is daarmee (nog meer dan in het verleden) een zaak van de decentrale overheden.
Lid 1 en 2:
Het minimum aantal parkeerplaatsen dat bij een gebouw moet worden gerealiseerd, wordt bepaald aan de hand van parkeernormen afhankelijk van de functie van het gebouw. De gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp heeft op 26 oktober 2006 de parkeernormen vastgesteld in het Integraal Parkeerbeleidsplan. De normen zijn gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW in publicatie 182 “Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering” (juni 2003). Deze kencijfers zijn opgesteld met een horizon tot circa 2014, waarin o.a. het groeiend autobezit is verdisconteerd. Naast een norm voor een minimaal aantal te realiseren parkeerplaatsen heeft de gemeente ook een maximum aantal plaatsen per functie vastgesteld. Hiermee wordt aangesloten bij het mobiliteitsbeleid om te voorkomen dat een overvloedig aantal parkeerplaatsen ongewenste groei van automobiliteit in de hand werkt.
Onder “voldoende mate ruimte” wordt tevens verstaan dat de parkeerplaatsen voldoende groot en toegankelijk zijn. Voor afmeting en toegankelijkheid wordt verwezen naar paragraaf 10.8 van Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004) van de stichting CROW te Ede. Specifieke eisen aan de afmetingen van parkeerplaatsen zijn opgenomen in lid 3 van artikel 2.5.30.
Voor bepaalde parkeervoorzieningen zoals garages gelden afwijkende berekeningsaantallen waarmee de parkeerplaatsen in het totale parkeeraanbod worden meegerekend. De berekeningsaantallen zijn gebaseerd op ervaringscijfers van het CROW voor wat betreft het gebruik en de uitwisselbaarheid van deze parkeerplaatsen.
De parkeernormen, maximum aantallen en berekeningsaantallen uit het Integraal Parkeerbeleidsplan Pijnacker-Nootdorp zijn weergegeven in bijlage 13 van de Bouwverordening
Hoofdlijnen van de jurisprudentie (oud)
Diverse uitspraken over artikel 258, lid 1, van de (Model )Bouwverordening 1965 kunnen relevant worden geacht voor de toepassing zowel van het derde lid van artikel 2.5.30 (alternatief 1) als van het eerste en tweede lid van artikel 2.5.30 (alternatief 2).
- 1. Algemeen
- - Artikel 258 geldt uitsluitend bij het nemen van een beslissing op een aanvraag om bouwvergunning. Het artikel is geen grondslag voor de toepassing van de aanschrijvingsbevoegdheden krachtens de Woningwet.
- ARRS 20 november 1981, BR 1982, 312; OB 1982, III.2.2.7, nr. 44033.
- - Wanneer niet wordt en ook niet kan worden voldaan aan artikel 258, lid 1, van de bouwveror-dening, dan voldoet het bouwwerk waarop de bouwaanvraag betrekking heeft, niet aan de bouwverordening en kan behoudens in het geval van vrijstelling geen bouwvergunning worden verleend. Artikel 258 van de bouwverordening strekt slechts ter bescherming van de belangen die worden bedreigd door het ontbreken van voldoende parkeergelegenheid op een bouwperceel zelf.
- ARRS 21 januari 1982; AB 1982, 164; GS 6717; BR 1982, 505.
- - De gemeente moet het stellen van parkeereisen motiveren.
- ARRS 1 juli 1981, RO3.3219/S859.
- - Bij het beantwoorden van de vraag of is voldaan aan artikel 258, lid 1, van de Bouwverorde-ning, kunnen niet in aanmerking worden genomen eventuele parkeermogelijkheden (i.c. een te bouwen parkeergarage) aan de overzijde van de weg waaraan men een verkeersaantrekkend gebouw wil oprichten. Een dergelijke parkeermogelijkheid kan wel een rol spelen bij het verlenen van de vrijstelling krachtens lid 3 (= MBV 1992, art. 2.5.30 (alternatief 1), lid 5, onder b, en artikel 2.5.30 (alternatief 2), lid 4).
- Vz. ARRS 30 juli 1985, RO3.85.4382/S1097.
- - Een huurovereenkomst met kettingbeding (voor het gebruik van andermans grond als parkeerterrein) acht de ARRS in beginsel geen voldoende waarborg.
- ARRS 23 augustus 1985; GS 6817.
- 2. Vrijstellingsbeleid en criteria
- N.B. MBV 1965, art. 258, lid 3 = MBV 1992, art. 2.5.30 (alternatief 1), lid 5, onder b, = MBV 1992, artikel 2.5.30 (alternatief 2), lid 4.
- - Wil de gemeente vrijstelling verlenen krachtens artikel 258, lid 3, dan moet zij aantonen dat het scheppen van voldoende parkeerruimte op het terrein bij het betrokken verkeersaantrekkende gebouw zodanige bezwaren oplevert, dat aan deze bezwaren doorslaggevende betekenis moet worden gegeven ten opzichte van de belangen van derden.
- ARRS 28 augustus 1981; BR 1982, 53.
- - Het weigeren van een vrijstelling op grond van motieven die niet in verband kunnen worden gebracht met genoemde belangen, is ongeoorloofd.
- Een beslissing omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 258, lid 3, van de bouwverordening moet zijn onderbouwd met onderzoek naar:
- a. de te verwachten parkeerdruk (aantallen en aard bezoekers, piektijden, soorten middelen van vervoer);
- b. de aanwezige parkeermogelijkheden (ook in een wijdere omgeving dan de straat waaraan het bouwperceel ligt).
- ARRS 21 januari 1982; AB 1982, 164; GS 6717; BR 1982, 505.
- - In het algemeen is het redelijk vrijstelling te verlenen krachtens artikel 258, lid 3, wanneer:
- a. een te bouwen gebouw zich niet leent voor het daarop of daaronder aanleggen van par-keerplaatsen, terwijl van een daarbij behorend terrein niet of nauwelijks sprake is;
- b. zonder vrijstelling het aan het gebouw geven van een functie die aan het bestemmingsplan beantwoordt, moeilijk denkbaar is.
- ARRS 9 oktober 1981, A 3.0132 (1980).
- - Parkeerbehoeften kunnen niet op alle tijden en plaatsen en onder alle omstandigheden gelijkelijk worden beoordeeld. Daarom wordt van gemiddelden uitgegaan. Aan de overheid is voor het vaststellen van deze gemiddelden grote vrijheid gelaten. Afwijking van de gekozen gemiddelden is redelijkerwijs alleen geboden, als de noodzaak daartoe uit de feiten blijkt. De problematiek van het parkeren in stadscentra pleegt te worden aangepakt in het geheel van voor stadscentra in te voeren verkeersreguleringen en andere maatregelen. Daarbij behoeft niet voorop te staan dat voor alle bezoekers van de stadscentra op koopavonden en zaterdagen te allen tijde en zonder dat enige wachttijd in acht genomen moet worden, parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn.
- ARRS 16 mei 1986, RO3.83.6416.
- Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en de bouwverordening (MBV 1992)
- - De behoefte aan parkeergelegenheid vloeit voort uit de aard en oppervlakte alsmede het aantal zitplaatsen van een inrichting. Pas bij de vrijstelling speelt de reeds aanwezige parkeergelegenheid in de omgeving een rol.
- - ABRS 21 maart 1994, R03.90.6357.
- - Het kan niet worden ontkend dat het regelen van parkeergelegenheid uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening van belang is. Dit houdt echter niet in dat het bestemmingsplan uit dien hoofde op gedetailleerde wijze de parkeermogelijkheden zou dienen vast te leggen. De wegenverkeerswetgeving is het meest geëigende instrument om het verkeer naar de minst bezwarende parkeergelegenheid te verwijzen.
- - Kroon 4 januari 1995, AB 1995, 337 m.nt. AWK.
- - Voor een reeds bestaand bedrijf moet bij de uitbreiding aansluiting worden gezocht bij de nieuwe parkeernormen, deze zijn niet zonder meer van toepassing. Het tekort aan parkeerplaatsen in de oude situatie mag niet meegerekend worden. Van de uitbreiding kan wel de extra verkoopruimte, maar niet de magazijnruimte meegerekend worden.
- - ABRS 17 januari 1995, R03.91.1986.
- 3. Financiële voorwaarden
- Een vrijstelling van de hoofdregel dat op eigen terrein in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien, leidt tot de vraag hoe de kosten van de op openbaar terrein aangelegde parkeer-plaatsen kunnen worden verhaald.
- De ARRS stelt in een uitspraak van 30 augustus 1985 (AB 1986, nr. 243, BR 1985, p. 911) dat in het algemeen moet worden aangenomen dat een bestuursorgaan de mogelijkheid heeft door middel van een financiële voorwaarde tot betaling van een tegemoetkoming of compensatie te verplichten, zij het onder een aantal voorwaarden:
- a. de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning berust;
- b. de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van een geldbedrag;
- c. de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet ook hieruit blijken dat niet een andere, uit hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie te verlangen.
De Afdeling overwoog voorts dat bij de besluitvorming omtrent de financiële compensatie moet worden afgewogen of bestaande wettelijke voorzieningen de gemeente ten dienste staan, die voor de betrokkene meer waarborgen bieden of die anderszins gunstiger zijn dan de onderhavige financiële voorwaarde. In verband met de onderhavige zaak wees de Afdeling op de parkeermetervoorziening en de baatbelasting.
De Afdeling lijkt te twijfelen aan het recht van de gemeente op vergoeding voor de aanleg van een parkeerplaats door middel van een financiële voorwaarde aan de vrijstelling op grond van art. 2.5.30.
Algemene (en ook recentere) jurisprudentie ten aanzien van kostenverhaal van openbare voorzie-ningen doet vermoeden dat de twijfels van de Afdeling niet snel zullen verdwijnen (Zie ook: "Kostenverhaal bij particuliere grondexploitatie; verhaal van kosten en voorzieningen van openbaar nut via de exploitatieverordening en via de verordening baatbelasting", VNG, 1994. Overigens is deze publicatie mede verschenen naar aanleiding van de wijziging van de baatbelasting per 1 januari 1995; deze wijziging houdt in dat de bouwgrondbelasting opgaat in de baatbelasting-nieuwe-stijl, waarmee 100% van de kosten van openbare voorzieningen kunnen worden verhaald.)
Lid 3
Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te brengen zou immers kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over "parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening.
Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.
Lid 4
De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het fa-brieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).
Lid 5
Ad a. De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van vol-doende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor bouwver-gunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kan laatstgenoemde ontheffing worden verleend onder financiële voorwaarden. Zie hiervoor onder "Hoofdlijnen van de juris-prudentie", punt 3.
Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
Artikel 2.6.1: Beginsel inzake brandmeldinstallaties
Opbouw van de voorschriften
Vanaf het Bouwbesluit 1992 wordt het stellen van voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties overgelaten aan de gemeentelijke wetgever. Dergelijke voorschriften zijn dan ook sinds 1992 in paragraaf 6 van hoofdstuk 2 van de Model-bouwverordening opgenomen en sinds het Bouwbesluit 2003 kennen de desbetreffende voorschriften een vergelijkbare opbouw als het Bouwbesluit.
Dit betekent dat er evenals in het Bouwbesluit functionele eisen, prestatie-eisen en waar nodig aanwezigheidseisen worden gesteld.
In de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit lezen we:
“Het eerste artikel van elke paragraaf van een afdeling (beoordelingsaspect) geeft het kader aan voor de andere voorschriften van deze paragraaf. Het eerste lid bevat een functionele eis. In het tweede lid staat dat aan het eerste lid (de functionele eis) is voldaan indien er aan de (prestatie)eisen wordt voldaan die voor de betrokken gebruiksfuncties zijn aangewezen in de aansturingstabellen. In enkele gevallen is er een derde lid waarin bepaald is dat de functionele eis niet geldt voor die gebruiksfuncties waarvoor in de tabel geen voorschrift is aangewezen. Ingeval het eerste artikel geen derde lid heeft, geldt de functionele eis uit het eerste lid dus wel voor die gebruiksfuncties waarvoor geen voorschriften in de tabel zijn aangewezen. In dit laatste geval geldt dat ten genoegen van burgemeester en wethouders moet worden aangetoond, dat voldaan is aan de functionele eis”.
Meer toelichting staat in de paragrafen 2.4 tot en met 2.6 van de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit.
Meerdere functies in een gebouw
Indien een gebouw meerdere functies bevat is voor de beoordeling van de grenswaarden van belang of de functies zowel functioneel als technisch volledig gescheiden zijn dan wel met gemeenschappelijke voorzieningen invloed op elkaar uitoefenen. In het laatste geval moet het totale gebouw (alle functies tezamen) worden beschouwd om te bepalen of een grenswaarde wordt overschreden. Indien in een functie een brandmeldinstallatie is vereist, dient in de andere functie die invloed kan uitoefenen, een beveiliging van hetzelfde niveau aanwezig te zijn. Is echter voor de ene functie volledige bewaking vereist, kan in de andere functie, die invloed kan uitoefenen, volstaan worden met gedeeltelijke bewaking als in die functie geen eis tot een brandmeldinstallatie geldt. Indien functies geheel met elkaar zijn verweven geldt het beveiligingsniveau voor het gehele gebouw.
Ontheffing
Het Bouwbesluit bevat in artikel 1.11 een algemene bevoegdheid voor burgemeester en wethouders om bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing te verlenen van een bij of krachtens het Bouwbesluit vastgesteld voorschrift. Bij verschillende voorschriften is in het Bouwbesluit expliciet vermeld dat de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing tot een bepaalde grens is beperkt, of dat van het desbetreffende voorschrift in het geheel geen ontheffing mag worden verleend. De bouwverordening bevat geen algemene ontheffingsbepaling.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om van een voorschrift van de bouwverordening ontheffing te verlenen, indien dat expliciet bij dat voorschrift is vermeld. In de onderhavige paragraaf zijn burgemeester en wethouders daartoe bevoegd op grond van artikel 2.6.1., derde lid (ontruimingsalarminstallaties). Zie verder de toelichting op laatstgenoemd voorschrift.
Aanroepen en doormelden
Een brandmeldinstallatie kan onder andere benodigd zijn als door de grootte of complexiteit van het bouwwerk, of de zelfredzaamheid van de gebruikers, de aanwezige personen niet door aanroepen tijdig op de hoogte kunnen worden gesteld van een brand in het bouwwerk. Zonder brandmeldinstallatie zouden zij te laat geïnformeerd worden en niet snel genoeg een aanvang kunnen maken met de ontvluchting van het bouwwerk. Een belangrijke doelstelling van een brandmeldinstallatie is dan ook de aansturing van de ontruimingsalarminstallatie die zorg draagt voor een ontruimingssignaal. De grenswaarden in bijlage 10 geven onder andere aan wanneer geacht is dat het bouwwerk een zodanig omvang heeft dat door middel van aanroepen de aanwezige personen niet tijdig gewaarschuwd kunnen worden en er een brandmeldinstallatie noodzakelijk is.
Daarnaast kan de brandmeldinstallatie automatisch een brandmelding doorgeven naar een externe alarmcentrale die voor alarmopvolging kan zorgdragen. Brandmeldinstallaties die volgens artikel 2.6.3 lid 2 verplicht zijn door te melden, doen dat naar de Regionale Alarm Centrale (RAC) van de Brandweer. Door een dergelijke automatische alarmering wordt de brandweer sneller gealarmeerd waardoor zij ook sneller ter plaatse kan zijn. Hierdoor wordt de brandweer in staat gesteld om vroegtijdig repressief op te treden en eventueel te assisteren bij de ontruiming van het bouwwerk. De noodzaak van die snelle alarmering is afhankelijk van de grootte of complexiteit van het bouwwerk en de mate waarin de aanwezigen op eigen gelegenheid in staat zijn het bouwwerk te verlaten.
Artikel 2.6.2: Aanwezigheid van brandmeldinstallaties
Lid 1
Onder het in lid 1, onder a, genoemde meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit wordt verstaan de hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van een gebouw of bouwwerk.
Onder de in lid 1, onder c, genoemde verblijfsruimte voor bezoekers worden verstaan zalen e.d. in een bijeenkomstfunctie (In de verordeningtekst wordt zoveel mogelijk aangesloten op het woordgebruik van het Bouwbesluit).
Het in lid 1d genoemde aantal bouwlagen is bepalend voor de noodzaak van een brandmeldinstallatie. Deze installatie, waarvan de omvang in artikel 2.6.3, lid 1a wordt aangegeven, is met name noodzakelijk om een ontruimingsalarminstallatie in werking te stellen, in overeenstemming met het gestelde in artikel 2.6.6 lid 1. Gezien het gegeven van meerdere bouwlagen wordt geacht dat het ontruimingsgebied niet door middel van het aanroepen van personen gewaarschuwd kan worden.
In artikel 2.6.2, eerste lid, worden vier criteria genoemd voor de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie, namelijk de hoogte van de vloer van een verblijfsruimte ten opzichte van het meetniveau, de totale gebruiksoppervlakte en het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers (zalen) en het aantal bouwlagen. Uit tabel 2.6.1 blijkt dat indien bij sommige gebruiksfuncties wordt voldaan aan één criterium, er reeds de aan-wezigheid van een brandmeldinstallatie is voorgeschreven. Indien bij andere gebruiksfuncties wordt voldaan aan twee criteria, is pas de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie vereist. Soms is geen van de drie criteria van toepassing. Immers wanneer er in de tabel een plat streepje staat is dat desbetreffende onderdeel niet van toepassing en is een brandmeldinstallatie dus niet verplicht.
Indien in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in verschillende regels worden gegeven, moet een installatie worden aangebracht, indien slechts aan één van de criteria is voldaan. Indien in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in dezelfde regel worden gegeven, moet een installatie worden aangebracht, indien aan al deze criteria is voldaan.
De bezettingsgraden uit het Bouwbesluit zijn thans niet verwerkt in de tabellen. Dit vindt zijn grondslag in de filosofie dat een brandmeldinstallatie niet alleen bedoeld is voor de veiligheid van de aanwezigen, maar ook voor beheersbaarheid van een brand en daarmee een snelle inzet van de brandweer. Bij de in de tabellen genoemde grenswaarden voor gebruiksoppervlakte is uitgegaan van de volgens het Bouwbesluit minimaal vereiste bezettingsgraadklasse.
Woonfunctie
Uit tabel 2.6.1 blijkt dat een woonfunctie niet gelegen in een woongebouw en niet van een woonwagen, met een gebruiksoppervlakte groter dan 500 m2, moet zijn voorzien van een brandmeldinstallatie. Een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte, groter dan 500 m2, werd in het Bouwbesluit 1992 megawoning genoemd. De benaming megawoning komt in het Bouwbesluit 2003 niet meer voor, maar het criterium “groter dan 500 m2 gebruiksoppervlakte” speelt bij verschillende voorschriften wel een rol. Het gaat hierbij derhalve om de woonfunctie waarin niet in gezinsverband wordt geleefd. Nadrukkelijk wordt de eengezinswoning met een gebruiksoppervlakte, groter dan 500 m2, niet onder deze omschrijving bedoeld.
Bijeenkomstfunctie
Uit tabel 2.6.1 blijkt dat onder meer een bijeenkomstfunctie, niet zijnde een bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport, met een gebruiksoppervlakte groter dan 1000 m2 met meer dan 1 zaal, moet zijn voorzien van een brandmeldinstallatie. De achterliggende motivering is dat bij meer dan één zaal er één niet in gebruik kan zijn, waarin een beginnende brand kan ontstaan. Als dat niet tijdig wordt opgemerkt en rook en warmte invloed hebben op de vluchtroutes van de in gebruik zijnde zaal, is detectie nodig voor de veiligheid van de aanwezige personen. In een bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar is een automatische brandmeldinstallatie noodzakelijk vanwege de verminderde zelfredzaamheid van kinderen. Hierbij kan een vergelijk met bijvoorbeeld gezondheidszorgfuncties worden gemaakt.
Er wordt een grenswaarde aan het gebruiksoppervlak gesteld van 200 m2. Ook wanneer de gebruiksoppervlakte kleiner is dan 200 m2, maar de vloer van de bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar is gelegen op een hoogte van meer dan 2,4 meter boven meetniveau, dan is een automatische brandmeldinstallatie noodzakelijk.
Wanneer de bijeenkomstfunctie in overeenstemming met het Bouwbesluit voldoende brandwerend is gescheiden van de overige functies in het gebouw, kunnen de installatietechnische voorzieningen beperkt blijven tot de bijeenkomstfunctie. Wanneer dit niet mogelijk is, dient de voorziening voor het totale brandcompartiment waarin de bijeenkomstfunctie gelegen is, te worden doorgevoerd.
Voor tribunes voor het aanschouwen van sport wordt een brandmeldinstallatie niet voorgeschreven. Dit vanuit de gedachte dat het risico van het ontstaan van brand in zo’n ruimte uiterst klein is en bovendien direct zou worden opgemerkt.
Overigens wordt onderkend dat het risicobeeld bij de verschillende verschijningsvormen van de bijeenkomstfunctie zeer divers is. Het is te verwachten dat na praktische ervaring met de prestatie-eisen een verdere onderverdeling in subfuncties nodig kan zijn.
Gezondheidszorgfunctie
In de tabel worden aan de subgebruiksfuncties “gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden pa-tiënten” en een “andere gezondheidszorgfunctie voor niet aan bed gebonden patiënten eisen gesteld. Met deze subgebruiksfuncties worden tevens bedoeld de ruimten voor dagbehandeling, dialyse, operatiekamers, enz.
Industriefunctie
Tot en met de 9e serie wijzigingen waren in tabel 2.6.1 geen grenswaarden gegeven met betrekking tot de brandmeldinstallatie voor de industriefunctie. In de praktijk is gebleken dat dergelijke grenswaarden noodzakelijk zijn. Ter bevordering van duidelijkheid op landelijke schaal zijn nu de grenswaarden in de tabel vermeld.
Tabel 10 is sinds de invoering van de 10e serie wijzigingen (december 2004) uitgebreid met een handbrandmeldinstallatie zonder doormelding. Deze was voorheen bekend als ontruimingsalarminstallatie type C. Met de nieuwe NEN 2575, uitgave 2004 is de type C installatie vervallen. Naar analogie van de grenswaarden van vergelijkbare gebruiksfuncties is gesteld dat wanneer er een vloer van een verblijfsruimte is gelegen op een hoogte van meer dan 20 meter, een niet-automatische brandmeldinstallatie met doormelding noodzakelijk is.
Logiesfunctie
De term logiesgebouw en de grenswaarde van 250 m2 gebruiksoppervlakte zijn geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig zomerhuisje op een bungalowpark geen automatische brandmeldinstallatie noodzakelijk is.
Winkelfunctie
Tabel 10 is sinds de invoering van de 10e serie wijzigingen (december 2004) uitgebreid met een handbrandmeldinstallatie zonder doormelding. Deze was voorheen bekend als ontruimingsalarminstallatie type C. Met de nieuwe NEN 2575,uitgave 2004 is de type C installatie vervallen.
Overige gebruiksfunctie
De eisen in tabel 10 voor de overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen zijn in overeenstemming gebracht met de meest recente ontwikkelingen terzake. In besloten parkeergarages groter dan 1000 m2 en kleiner dan 2500 m2 is een brandmeldinstallatie zonder doormelding aanwezig om de brandweer te ondersteunen bij de repressieve inzet. Het gaat daarbij om een juiste plaatsbepaling van de brand en de daarbij behorende aanvalsroute. Dit geldt met name voor parkeergarages met meerdere bouwlagen. Bij een oppervlakte groter dan 2500 m2 is doormelding naar de brandweer vereist om tijdige inzet ten opzichte van de zich voortschrijdende brand te garanderen.
Doodlopende gangen
Lid 2
In artikel 2.6.2, tweede lid, is – kort samengevat – geregeld dat bij doodlopende gangen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking aanwezig moet zijn. Ook indien het rookcompartiment beschikt over twee toegangen, kan binnen het rookcompartiment sprake zijn van doodlopende gangen. Om te voorkomen dat in een kort doodlopend eind of in een doodlopend eind waarop weinig of kleine ruimten uitkomen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking noodzakelijk zou zijn, zijn er beperkende grenswaarden beschreven.
Doordat in het onderhavige artikel de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie verplicht is gesteld, volgt uit de werking van artikel 2.6.6 dat tevens wordt voorzien in de alarmering van de gebruikers van de verblijfsruimten die op de bedoelde doodlopende gang zijn aangewezen.
Het artikel is eveneens van toepassing indien een verblijfsruimte via een andere verblijfsruimte moet worden verlaten.
Artikel 2.6.3: Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
Omvang van de bewaking
In de regel gaat het bij niet-automatische bewaking om handbrandmelders; bij gedeeltelijke bewaking om automatische brandmelders alleen in verkeersruimten en risicoruimten; bij volledige bewaking om automatische brandmelders in alle ruimten, met uitzondering van ruimten waarin geen brand kan ontstaan zoals toiletruimten en badruimten; bij ruimtebewaking gaat het om automatische brandmelders in specifieke ruimten in een gebouw zoals in geval van doodlopende einden.
Woonfunctie in een woongebouw bestemd voor minder zelfredzame personen
Het lijkt een tegenstelling dat de woonfunctie, gelegen in een woongebouw bestemd voor minder zelfredzame personen in combinatie met permanent toezicht, een volledige bewaking nodig maakt en dat bij dezelfde categorie, maar dan zonder permanent toezicht, kan worden volstaan met gedeeltelijke bewaking. In het laatstgenoemde geval gaat het om een categorie bewoners die zonder permanent toezicht kunnen wonen, zoals bijvoorbeeld het geval is in een gezinsvervangend tehuis, een sociowoning of bij begeleid groepswonen.
Het doormelden van een brandmelding rechtstreeks naar de alarmcentrale van de brandweer is noodzakelijk omdat vanuit deze organisatie op ieder moment de noodzakelijke brandbestrijdings- en beveiligingsmaatregelen in gang kunnen worden gezet. Een tussenkomst van een particuliere alarmcentrale is hierbij ongewenst.
Artikel 2.6.4: Kwaliteit van brandmeldinstallaties
Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van toepassing voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt toegepast.
Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.
Lid 2
Het programma van eisen legt de uitgangspunten vast van brandveiligheid met behulp van een brandmeldinstallatie. Tevens worden stuurfuncties van het systeem beschreven. Het document is bovendien een referentie bij de instandhouding van de kwaliteit van het systeem.
De Regeling Brandmeldinstallaties 2002 is een kwaliteitszorg- en certificatiesysteem, opgesteld door de bij de brandbeveiliging betrokken gezaghebbende partijen zoals het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, deskundigen van de brandweer en van de brancheorganisaties van brandbeveiligingsbedrijven. De regeling geeft aan wat van de brandmeldinstallatie en van de diverse (markt-)par-tijen wordt verwacht en hoe handhaving en controle plaatsvindt. Het beheer van de regeling en de met name genoemde kwaliteitszorg is opgedragen aan het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CVV) in Den Haag.
Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt met zich mee dat certificaten van instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede uit Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in Nederland worden afgegeven.
Artikel 2.6.5: Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties
Zie voor de toelichting op de opbouw van de voorschriften, de relatie met de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit, de toelichting op artikel 2.6.1. Indien een gebruiksfunctie weinig bouwlagen bevat en de personen in het ontruimingsgebied dus gemakkelijk door middel van aanroepen kunnen worden gewaarschuwd, kan ontheffing worden verleend van de eis tot het aanbrengen van een ontruimingsalarminstallatie en –gezien de samenhang- dan tevens van de eis tot het aanbrengen van een brandmeldinstallatie. Zie voor een toelichting op het begrip ‘aanroepen’ de toelichting op artikel 2.6.1.
Artikel 2.6.6: Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties
Lid 1
Aanwezigheid
Wanneer de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie op grond van artikel 2.6.2 vereist is, is altijd een ontruimingsalarminstallatie voorgeschreven.
NEN 2575 is verbeterd ten aanzien van het volgende:
Bij ontruimingsalarminstallaties kennen we tot voor kort 3 typen, namelijk:
- A- installatie
- Een speciaal voor dit doel ontwikkeld systeem, waarbij sprake is van een eigen centrale waarop luidsprekers zijn aangesloten. Hierdoor is het mogelijk een ontruiming plaats te laten vinden met behulp van een gesproken mededeling. De installatie wordt hierbij aangestuurd door een brandmeldcentrale. De A-installatie beschikt dus over een eigen centrale met eigen energievoorziening.
- B- installatie
- Bij dit type zijn er ontruimingssignaalgevers (slow whoop) direct aangesloten op de brandmeldcentrale en beschikt dus niet zoals bij een A-installatie over een eigen centrale. De energievoorziening voor de ontruimingsignaalgevers wordt dus ook door de brandmeldcentrale verzorgd.
- C- installatie
- Tot voor kort was het een eis om een brandmeldinstallatie door te melden naar de alarmcentrale van de brandweer. Voor kleinere objecten was deze eis te zwaar. In die gevallen waarbij het object niet “beroepbaar” was, bleek toch een vorm van een installatie noodzakelijk. Omdat doormelding naar de brandweer niet noodzakelijk was, werd deze installatie geen brandmeldinstallatie genoemd maar een C-ontruimingsalarminstallatie.
De verschillen tussen een B en een C-installatie waren:
- a. Geen doormelding naar de brandweer
- b. Blauwe i.p.v. rode handbrandmelders
- c. Minder eisen aan de uitvoering van de centrale
Met de komst van NEN 2575 zijn de verschillen genoemd bij b en c verdwenen. Bleef dus alleen over de doormelding. Intussen zijn er ook andere vormen van brandmeldinstallaties ontstaan waarbij er geen eis met betrekking tot doormelding naar de brandweer werd gesteld.
Deze zijn:
- • Automatische brandmeldinstallaties in parkeergarages tot 2500 m2.
- • Handbandmeldinstallaties bij opslag vuurwerk tot 10 000 kg
- • Automatische brandmeldinstallaties in geval van samenvallende vluchtroutes.
Een automatische ontruimingsinstallatie houdt in dat directe aansturing van de signaalgevers plaatsvindt als gevolg van de activering van een automatische brandmelder.
Het niet doormelden van brand kan geen criterium zijn om de installatie wel of geen brandmeldinstallatie te noemen. Daarom is besloten de oude “C-ontruimingsalarminstallatie” een “handbrandmeldinstallatie” zonder doormelding te noemen.
Dit heeft diverse voordelen, te weten:
- • Het schept voor een ieder een grotere duidelijkheid
- • De betreffende normen kunnen worden vereenvoudigd
- • Het betreffende deel van de bouwverordening wordt duidelijker
- • De toekomstige certificeringregeling voor ontruimingsalarminstallaties wordt overzichtelijker.
Logiesfunctie
De term logiesgebouw en de grenswaarde van 250 m2 gebruiksoppervlakte zijn geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig zomerhuisje op een bungalowpark geen ontruimingsalarminstallatie noodzakelijk is.
Lid 2
Doodlopende gangen
In artikel 2.6.2, tweede lid, is geregeld wanneer bij doodlopende gangen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking aanwezig moet zijn. Doordat in het onderhavige artikel de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie verplicht is gesteld, volgt uit de werking van artikel 2.6.6 dat tevens wordt voorzien in de alarmering van de gebruikers van de verblijfsruimten die op de bedoelde doodlopende gang zijn aangewezen.
Een automatische ontruimingsinstallatie houdt in dat directe aansluiting van de signaalgevers plaatsvindt als gevolg van de activering van een automatische brandmelder.
Artikel 2.6.7: Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties
Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van toepassing voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast.
Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.
Lid 2
Het programma van eisen als bedoeld in NEN 2575 “Brandveiligheid van gebouwen – Ontruimingsinstallaties – Systeem- en kwaliteitseisen en projecteringsrichtlijnen” legt de uitgangspunten vast van brandbeveiliging met behulp van een ontruimingsinstallatie. Tevens worden stuurfuncties van het systeem beschreven. Het document is bovendien een referentie bij de instandhouding van de kwaliteit van het systeem.
Artikel 2.6.8: Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
Zie voor de toelichting op de opbouw van de voorschriften, de relatie met de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit en de bevoegdheid voor burgemeester en wethouders tot het verlenen van ontheffing, de toelichting op artikel 2.6.1
Artikel 2.6.9: Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen
Teneinde te bewerkstelligen dat personen die in een bouwwerk verblijven en die niet bekend zijn met de inrichting van het bouwwerk, dan wel in geval van brand een ongebruikelijke vluchtroute moeten kiezen, op eenvoudige wijze het aansluitende terrein kunnen vinden, bepaalt artikel 2.6.9 wanneer vluchtrouteaanduidingen aanwezig moeten zijn. Omdat de herkenbaarheid van vluchtroutes voor iedere persoon in gelijke mate van belang is, is de aanwezigheid niet gekoppeld aan een grenswaarde voor gebruiksoppervlakte of hoogte van een gebouw. De aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen geldt in principe voor verkeersruimten. Tevens dienen in alle ruimten waarin op grond van het Bouwbesluit een tweede of meerdere uitgangen nodig zijn, deze uitgangen te worden voorzien van vluchtrouteaanduidingen.
De aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen wordt in tabel 12 voorgeschreven voor een woongebouw, celgebouw en een logiesgebouw. Het gaat om vluchtrouteaanduiding in gemeenschappelijke verkeersroutes als de woning, de cel of het logiesverblijf al verlaten is. Dan is de term “woonfunctie enz.” niet bruikbaar, want dat zou betekenen dat men signalering in de woning, de cel of het logiesverblijf moet aanbrengen. Dat is niet de bedoeling.
Logiesfunctie
De term logiesgebouw is geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig zomerhuisje op een bungalowpark geen vluchtrouteaanduiding noodzakelijk is.
Voor de aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen kunnen brandveiligheidseisen krachtens de Arbo- en de milieuwetgeving eveneens van belang zijn.
Artikel 2.6.10: Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen
Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van toepassing voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een vluchtrouteaanduiding wordt toegepast.
Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn Burgemeester en Wethouders bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.
Lid 1
De norm NEN 6088 Brandveiligheid van gebouwen – Vluchtwegaanduiding – Eigenschappen en bepalingsmethoden, uitgave 2002, geeft aan dat de vluchtrouteaanduiding gekenmerkt moet zijn door bepaalde symbolen en kleuren.
Lid 2
De vluchtrouteaanduiding moet herkenbaar zijn en goed zichtbaar zijn aangebracht. Dit betekent dat de vluchtrouteaanduiding zodanig moet zijn opgehangen dat je het goed ziet. Vluchtrouteaanduiding mag dus niet achter een gordijn hangen of in een hoge ruimte nabij het plafond aangebracht zijn.
Lid 3
De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 1838 ‘Toegepaste verlichtingskunde – Noodverlichting’ is opgesteld met als doel internationaal eenheid binnen gebouwen te creëren ten aanzien van vluchtrouteaanduiding. In de richtlijn wordt een voorkeur uitgesproken over de te hanteren pictogrammen. De getoonde pictogrammen zijn voorbeelden. In de tekst wordt niet expliciet gesteld dat uitsluitend de getoonde pictogrammen toegestaan zijn. Er is dus enige vrijheid.
Het belangrijkste is dat er sprake is van eenduidigheid en duidelijkheid binnen gebouwen.
Voor de kleuren, luminantie, de luminantieverhoudingen en de maximale kijkafstand gelden de eisen uit NEN-EN 1838.
De luminantie van elk deel van de veiligheidskleur van de vluchtrouteaanduiding moet minimaal 2 cd/m2 bedragen in alle relevante kijkrichtingen. Dit dient te geschieden door in- of externe verlichting en / of noodverlichting. Dit kan dus gevolgen hebben voor de locatie van normale en / of noodverlichtingsarmaturen indien er geen intern verlichte vluchtrouteaanduiding wordt toegepast.
In geval van een energiestoring is het acceptabel dat niet meer aan de luminantie-eis wordt voldaan, indien er geen eisen ten aanzien van noodverlichting zijn gesteld.
Er wordt op deze wijze uitgegaan van een prestatie-eis in de vorm van een luminantie-eis in NEN-EN 1838. Op welke wijze wordt voldaan kan men zelf invullen en zal leiden tot verschillende oplossingen, bijvoorbeeld:
Bouwkundige aanduidingen die door de normale en / of noodverlichting worden aangelicht.
Inwendig verlichte vluchtrouteaanduidingen, die op de normale en / of noodverlichting zijn aangesloten.
Foto-luminiserende vluchtrouteaanduiding.
De luminantie-eis in NEN-EN 1838, waarnaar in dit lid wordt verwezen, dient dan ook goed te worden onderscheiden van eisen aan de verlichtingssterkte van de vluchtrouteaanduiding zelf. Artikel 2.6.10 bevat geen eisen over de verlichtingssterkte van de vluchtrouteaanduiding zelf. Vluchtrouteaanduidingen hoeven dan ook niet per sé inwendig verlichte armaturen te zijn. Veelal kan worden volstaan met het aanbrengen van pictogramstickers die zo nodig door externe verlichting moeten worden aangelicht om aan de luminantie-eis te kunnen voldoen. In ruimten waarin op grond van het Bouwbesluit een eis voor noodverlichting geldt en waarin het gebruikelijk is de normale verlichting te reduceren of uit te schakelen (theaters, bioscopen e.d.) zal het, vanwege de gestelde eisen, wel noodzakelijk zijn om de vluchtrouteaanduidingen als intern verlichte aanduidingen uit te voeren.
Lid 4
In delen van een gebouw waar op grond van het Bouwbesluit geen noodverlichting vereist is, is het gestelde in lid 3 niet van toepassing aangezien in die gebouwdelen bij spanningsonderbreking immers nimmer aan de luminantie-eisen van het derde lid kan worden voldaan.
Artikel 2.6.11: Gelijkwaardigheid
Met deze voorschriften wordt beoogd dat ook bij toepassing van de gelijkwaardigheid ingevolge het Bouwbesluit aangebrachte brandmeldinstallaties, ontruimingsalarminstallaties en vluchtrouteaanduidingen dezelfde duurzame kwaliteit en dus veiligheid bezitten als die welke in de bouwverordening zijn voorgeschreven.
Artikel 2.6.12: Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
C-2000 is het landelijk dekkend digitale radionetwerk ten behoeve van de mobiele communicatie voor de Nederlandse hulpverleningsdiensten. Adequate communicatie tussen hulpverleners is essentieel voor het goed kunnen functioneren van hen bij een calamiteit in een bouwwerk. C2000 garandeert buitenshuis een dekking van 95%, naar tijd en plaats gemeten vanaf een op de heup gedragen portofoon. In de praktijk betekent dit dat de hulpverlener in Nederland altijd en overal buitenshuis een verbinding tot stand kan brengen met collega’s of met de meldkamer of alarmcentrale. Door de wijze waarop het C2000-radionetwerk is ontworpen en gebouwd, zal in veel gevallen ook sprake zijn van binnenhuisdekking. Dit is echter sterk afhankelijk van de aard en ligging van het bouwwerk en de situatie ter plaatse.
In overleg met het ministerie van BZK en VROM wordt een nieuw artikel in de MBV opgenomen dat de mogelijkheid biedt om voorzieningen te eisen ten behoeve van binnenhuisdekking van het C2000-communicatiesysteem. Dit ten behoeve van het goed kunnen functioneren van de hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in een voor publiek toegankelijke bouwwerk.
In de dagelijkse praktijk kan het ontbreken van binnenhuisdekking soms leiden tot bezwaarlijke situaties vanuit openbare orde en veiligheid. Dit is met name het geval in voor het grote publiek toegankelijke bouwwerken, zoals voetbalstadions, grote overdekte winkelcentra, luchthavengebouwen, stations en ondergrondse bouwwerken zoals auto-, trein- of metrotunnels. Dit soort locaties wordt in C2000-jargon aangeduid als Special Coverage Locations (SCL’s). In dat geval kan soms vanuit de operationele werkwijze van de diensten volstaan worden met plaatselijke en tijdelijke dekkingsmaatregelen zoals Direct Mode of Operation (DMO) of met een zogenoemde DMO-TMO-gateway. Mochten deze maatregelen voor de betreffende locatie niet voldoen, moet worden gezocht naar een meer structurele oplossing voor adequate binnenhuisdekking. Uitgangspunt daarbij is dat de eigenaar van de SCL voor die structurele oplossing zorgdraagt en dat de kosten van aanschaf en bouw van de technische installatie en van het testen, aansluiten en beheer ervan voor zijn rekening komen. Artikel 2.6.12 verplicht de SCL-eigenaar tot het aanbrengen van de betreffende technische voorziening indien dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het goed kunnen functioneren van hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is. Of die voorziening in een concreet geval noodzakelijk is, is van meerdere factoren afhankelijk. In de eerste plaats dient de vraag beantwoord te worden of er binnenhuisdekking moet zijn. Dit zal het geval zijn indien het bouwwerk voor het grote publiek toegankelijk is en binnenhuisdekking vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid noodzakelijk is voor het goed kunnen functioneren van de hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat bouwwerk. Vervolgens dient vastgesteld te worden of er automatisch al binnenhuisdekking is. Is die dekking er niet (of niet in het gehele bouwwerk), dient te worden bepaald of DMO of DMO-TMO een voldoende oplossing biedt. Pas wanneer dat laatste niet het geval is, kan toepassing van artikel 2.6.12 aan de orde zijn.
Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen
Artikel 2.7.1: Eis tot aansluiting aan de waterleiding
De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt niet in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is en evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van drinkwater. De plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts de verplichting in tot het doen treffen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is afhankelijk van een met het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De voorwaarden waaronder dit contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een afzonderlijke verordening op de levering van drinkwater. In feite zal de aansluiting ook veelal door het waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen de aansluiting van de binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de levering van drinkwater vaak in hetzelfde contract zijn geregeld.
Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen aansluiting op het waterlei-dingnet verplicht stelt in geval een binnenhuisinstallatie voor drinkwater als bedoeld in het genoemde artikelnummer van het Bouwbesluit ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater wordt toegestaan.
Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het openbare distributie-net, zie artikel 2.7.7.
Artikel 2.7.2: Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid.
Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.
Artikel 2.7.3: Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
Lid 1
De niet-vantoepassingverklaring voor bejaardenwoningen houdt verband met de kans op ongevallen.
Lid 2, onder b
Het verlenen van ontheffing is denkbaar voor koopwoningen, indien de eigenaar bewoner geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad geschiktheid van de woning voor het stoken en koken op de meest economische brandstof noodzakelijk acht.
Lid 2, onder c
Een ontheffing voor woningen die worden aangesloten op de stads-, wijk-, of blokverwarming, kan door burgemeester en wethouders worden geweigerd, indien een gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op aardgas.
Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.
Artikel 2.7.3A (facultatief) : Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming
Kostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject kunnen botsen met de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is een titel gewenst om de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te kunnen afdwingen, ook al is er reeds voorzien in een aansluiting op het aardgasnet.
Artikel 2.7.4: Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
Alternatief 1
Algemeen
De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is neergelegd in artikel 10.15 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, het Lozingenbesluit bodembescherming en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren richten zich op de lozers van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van deze regelgeving. Voor een uitgebreidere uiteenzetting verwijzen wij naar de Leidraad riolering, module aanpak verspreide afvalwaterlozingen, Samson H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den Rijn (losbladig).
Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel 2.7.4 van de MBV. Voor be-staande bouw is deze aansluitplicht geregeld in artikel 5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 40 van de Woningwet gegeven bouwvergunningplicht en het herziene artikel 13 van de Woningwet gegeven aanschrijvingsbevoegdheden, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te verplichten om aan te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de openbare riolering en het dichtsbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of minder bedraagt.
Het Lozingenbesluit bodembescherming stelt regels voor het lozen van afvalwater in de bodem. Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de hoeveelheid afvalwater) staat het Lozingenbesluit bodembescherming een individueel zuiveringssysteem toe. De eisen voor het lozen vanuit individuele zuiveringssystemen in de bodem staan vermeld in de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Deze eisen zijn nader uitgewerkt in de publicatie van het Ministerie van VROM: Individuele behandeling van afvalwater bij verspreide bebouwing; onderzoeksfase 4B: IBA-richtlijn (november 1991).
Het lozen op oppervlaktewater wordt door de waterkwaliteitsbeheerder gereguleerd op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater is op 1 maart 1997 het WVO-Lozingenbesluit huishoudelijk afvalwater in werking getreden (Stb. 1997, 27). De systematiek van dit lozingenbesluit is vergelijkbaar met het Lozingenbesluit bodembescherming.
Lid 1
In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dienen de afvoerleidingen voor hemelwater op het desbetreffende, afzonderlijke riool te worden aangesloten. Het is ook zeer wel denkbaar om het hemelwater, afkomstig van de daken van zeer grote gebouwen en/of afkomstig van zeer grote terreinen, niet op het openbare riool te lozen, maar op oppervlaktewater e.d. Voor lozing op oppervlaktewater is echter een vergunning vereist op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
De aanvrager van de bouwvergunning kan de onder b genoemde uitzondering op de aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien (laten) gebruiken om het hemelwater op te slaan en in het kader van het duurzaam bouwen te consumeren, waar drinkwater niet noodzakelijk is, zoals voor de toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie bijvoorbeeld in de losbladige uitgaven van het Nationaal pakket Duurzaam bouwen, uitgegeven en regelmatig herzien door de Stichting Bouwresearch (SBR) te Rotterdam, specificatieblad S 445.
Lid 2, onder a
Naast het geven van aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn van de te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift bevoegd:
- a. om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of vacuümriolering wordt aangesloten;
- b. om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd voor enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de vuil-waterafvoer, indien in het desbetreffende deel van de gemeente een gescheiden gemeentelijk rioolstelsel aanwezig is.
Lid 2, onder b
Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan tevens voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden getroffen, waarbij moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van aangroeiing meestal een onvoldoende voorziening is.
In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is bepaald wat het bevoegd gezag is ten aanzien van de geldende of te stellen lozingsvoorschriften. In het algemeen zijn dit voor de complexe categorieën bedrijven niet langer burgemeester en wethouders, zoals tot 1 maart 1996 het geval was onder de werking van de toenmalige gemeentelijke lozingsverordeningen riolering.
Ingevolge de Wet milieubeheer, laatst gewijzigd per 1 maart 1996, geldt als hoofdregel dat het verboden is om afvalwater op een openbaar riool te lozen. Uitzonderingen gelden voor:
- a. afvloeiend hemelwater;
- b. huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van normaal huishoudelijk gebruik;
- c. bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk afvalwater en dat afkomstig is van normaal huishoudelijk gebruik.
Voor lozingen die niet onder deze uitzonderingen vallen, gelden standaardvoorschriften krachtens de Wet milieubeheer of een vergunningsvereiste op grond van die wet.
Indien zelfs afscheiding, verdunning, voorzuivering, koeling of dergelijke niet tot het gewenste resultaat leiden, of de af te voeren hoeveelheden zo groot zijn dat verstoring van de goede werking van de openbare riolering of de zuiveringsinstallatie te verwachten is, kan worden geëist dat op andere wijze wordt geloosd dan op het openbaar riool.
Lid 4, onder a
Voor lozing op oppervlaktewater is een vergunning of melding vereist op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
Lid 4, onder b
Indien bij een agrarisch bedrijf waar men de afvalstoffen voor bedrijfsdoeleinden kan gebruiken, een voldoende ruime gier of beerput wordt gemaakt, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing van de verplichting tot aansluiting aan het openbare riool verlenen.
Alternatief 2
Lid 1
Voor de voorzieningen ter lozing van het hemelwater van het bouwwerk en het terrein, zie artikel 2.7.5, alternatief 2.
Leden 2 tot en met 4
Zie in alternatief 1 dezelfde lidnummers.
In Pijnacker-Nootdorp is gekozen voor alternatief 2.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening (MBV 1965)
- - Een eventuele verplichting voor de gemeente op grond van artikel 240, eerste lid, van de bouw-verordening (= artikel 2.7.4 in de MBV 1992) laat onverlet dat de wetgever blijkens artikel 274 van de gemeentewet en artikel 42, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in beginsel aanvaardbaar heeft geacht dat een gemeente privaatrechtelijke middelen hanteert ter verkrijging van een bijdrage in de kosten van voorzieningen van openbaar nut, zoals de aanleg van riolering. Pres. Rb. Utrecht 13 augustus 1985.
- - Beslissingen ten aanzien van het beheer en onderhoud van openbare riolering hebben een publiekrechtelijk karakter en worden derhalve door de Afdeling rechtspraak als beschikkingen getoetst. De gemeente is niet verplicht om in geval van wateroverlast voorzieningen te treffen die het terugstromen van rioolwater in lager gelegen woningen voorkomen, nu die woningen van latere datum zijn dan het riool.
- ARRS 2 maart 1988, RO3.86.2877.
Artikel 2.7.5: Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
Alternatief 1
Lid 1, onder c
Het verdient aanbeveling om de aanvrager van de bouwvergunning erop te wijzen dat voor lozing op oppervlaktewater een vergunning vereist is ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
Lid 1, onder d
In het belang van de goede werking van een rottingput (septic tank) dienen daarop geen afvoerleidingen voor afvalwater zonder fecaliën, respectievelijk hemelwater te worden aangesloten. Indien geen lozing op een waterloop met behoorlijke doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een zo goed mogelijke andere oplossing moeten worden gezocht.
Lid 2
Advies over de mogelijkheid van ontheffing kan worden gevraagd aan de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid voor de hygiëne van het milieu.
Zie voorts de toelichting op lid 1, onder c.
Alternatief 2
Lid 2, onder b
De voorgeschreven verplichting om het hemelwater niet op traditionele wijze af te voeren naar het gemeenteriool of naar oppervlaktewater, maar naar een op het eigen erf of terrein aan te leggen opvang- en bezinkingsvoorziening, berust op milieuhygiënische overwegingen (“duurzaam bouwen”). Hiermee wordt beoogd om het hemelwater aan de bodem toe te voegen om op deze wijze zoveel mogelijk bij te dragen aan de instandhouding van het grondwaterpeil en het tegengaan van verdroging van het milieu.
Afhankelijk van de grootte van het erf en de bodemgesteldheid ter plaatse kan bedoelde infiltratievoorziening bestaan uit een in de grond aangebrachte infiltratieput, een drainage, een grindbak, een bezinkingsvijver of een daarmee gelijk te stellen voorziening. Richtlijnen voor dergelijke voorzieningen kunnen worden ontleend aan ISSO-publicatie nr. 70-1, Hemelwater binnen de perceelsgrens – Ontwerp en uitvoering van voorzieningen ten behoeve van opvang, gebruik en infiltratie van hemelwater binnen de perceelsgrens, uitgave Stichting Bouwresearch (SBR), Rotterdam, september 2002 (telefoon 010-2065959).
De aanvrager van de bouwvergunning dient van tevoren te (laten) onderzoeken welke van de genoemde infiltratievoorzieningen, gelet op de ter plaatse aanwezige bodemgesteldheid en grondwaterstand, voor zijn bouwplan geschikt is. Bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan of grootschalig bouwproject zal een dergelijk onderzoek in de praktijk reeds in het kader van het vooronderzoek door de projectontwikkelaar zijn verricht en/of kunnen de uitkomsten van gemeentewege beschikbaar worden gesteld.
Lid 3, onder b
Om verzakking van de te stichten of reeds aanwezige bouwwerken, alsmede wateroverlast voor de belendende percelen te voorkomen moet de infiltratievoorziening voor hemelwater zodanig op het eigen erf kunnen worden gesitueerd dat voldoende afstand tot genoemde bouwwerken en de perceelsgrenzen in acht wordt genomen. Die afstand is geen vast gegeven, maar hangt af van de hoeveelheid te lozen hemelwater in relatie tot de aard van de infiltratievoorziening en de bodemgesteldheid ter plaatse. Op grond van de terzake overgelegde of bij de gemeente aanwezige gegevens kunnen burgemeester en wethouders dan ook ontheffing verlenen van de verplichting tot het aanbrengen van een infiltratievoorziening, indien de bodemgesteldheid, de grondwaterafvoer en/of de geringe afmetingen van het erf daartoe aanleiding geven.
Bij de keuze van een meer traditionele wijze van hemelwaterafvoer is overigens van belang dat ter wille van een goede werking van een rottingsput (septic tank) daarop geen afvoerleidingen voor hemelwater mogen worden aangesloten.
In Pijnacker-Nootdorp is gekozen voor alternatief 2.
Artikel 2.7.6: Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen
Lid 3
In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een gemeentelijk rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, moet er met het oog op het in goede staat houden van dat rioolstelsel en de goede werking van de zuiveringsinstallatie op worden toegezien dat er in de huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d. voorkomen.
Lid 4
Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval Aanleg en onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatieinstituut (NNI) is verschenen.
Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 1997, 'Binnenriolering in woningen en woongebou-wen Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts toepasbaar is op binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat de dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en anderzijds de daarop aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de 'huis' aansluitleidingen van niet tot bewoning bestemde gebouwen.
Lid 5
De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is voorgeschreven.
Lid 6
Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde NEN normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO keurmerk met overlegging van een KOMO certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband daarmee vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.
Hoofdstuk 3 de melding
vervallen
Artikel 3.1: De wijze van melden
vervallen
Artikel 3.2: Welstandscriteria
vervallen
Hoofdstuk 4 plichten tijdens en bij voltooiing van de bouwen bij ingebruikneming van een bouwwerk
Algemeen
Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling tot de voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de vergunning(procedure), maar uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en in gebruik nemen van een bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13 en 4.15 hebben betrekking op alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als vergunningplichtig.
Vanaf 1 april 2007 is artikel 7b Woningwet van kracht, waarin verplichtingen in de vorm van algemene verbodsbepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de voorschriften uit de bouwverordening die van toepassing zijn op onder meer het bouwen en het gebruik van een bouwwerk, standplaats of een open erf of terrein. Bovendien verbiedt het herziene artikel 40, eerste lid Woningwet zowel het bouwen zonder of in afwijking van een verleende bouwvergunning (sub a), als het in stand laten van een bouwwerk of deel daarvan dat gebouwd is zonder of in afwijking van een verleende bouwvergunning (sub b). Als gevolg van de gewijzigde systematiek van de Woningwet is een verbod tot ingebruikneming zoals tot en met de 11e serie wijzigingen opgenomen was in artikel 4.14 van de Model-bouwverordening niet langer noodzakelijk. Op grond van artikel 7b juncto artikel 40, eerste lid Woningwet kunnen burgemeester en wethouders indien nodig het gebruik van het voltooide bouwwerk beletten. Het verbod leidt in geval van niet-naleving van de voorschriften van de bouwverordening tot een overtreding waartegen direct handhavend kan worden opgetreden. Overtreding van een verbod van artikel 7b Woningwet is per 1 april 2007 strafbaar gesteld in artikel 1a, onder 2, van de Wet op de economische delicten (WED).
Structuur van de voorschriften
Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door het bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1 tot en met 4.6 en 4.13.
Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van nadelige effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid, grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7 tot en met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het bouwafval.
Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt sinds 1 april 2007 geregeld in artikel 7b Woningwet.
Handhaving van de voorschriften
De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn per 1 april 2007 op grond van artikel 7b van de Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene toelichting bij Hoofdstuk 11.
De bepalingen uit dit hoofdstuk aangaande het stilleggen van de bouw kunnen door burgemeester en wethouders worden gehandhaafd door toepassing van bestuursdwang of de oplegging van een dwangsom op grond van de Gemeentewet.
Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in artikel 4.6 kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang.
Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze bepalingen hebben geen be-trekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor gelden andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie belast.
Artikel 4.1: intrekking bouwvergunning bij niet tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden
De gronden waarop een bouwvergunning kan worden ingetrokken staan limitatief in artikel 59 van de Woningwet. De intrekkingsgronden zijn vanaf 1 januari 2003 in de Woningwet uitgebreid. In verband met het Besluit indieningsvereisten en het gewijzigde artikel 59 van de Woningwet kan een bouwvergunning tevens worden ingetrokken indien voorgeschreven gegevens niet tijdig zijn overgelegd nadat de bouwvergunning is verleend. Voorts kan een bouwvergunning gedeeltelijk worden ingetrokken. Indien bijvoorbeeld onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het zo zijn dat slechts een gedeeltelijke intrekking van de bouwvergunning op haar plaats is. Bovendien is toegevoegd dat de bouwvergunning kan worden ingetrokken op verzoek van de vergunninghouder, iets wat trouwens in de praktijk al gebruikelijk was (bijvoorbeeld ten behoeve van eventuele gedeeltelijke restitutie van leges).
Van belang is voorts dat in het zesde lid onder b van het nieuwe artikel 56a van de Woningwet een aanvullende intrekkingsgrond is opgenomen.
Binnen afzienbare tijd wordt artikel 59 van de Woningwet gewijzigd teneinde het mogelijk te maken de bouwvergunning in te trekken naar aanleiding van een integriteitsbeoordeling Wet BIBOB.
Artikel 4.1 is een uitwerking van de letters c en d van het eerste lid van genoemd wetsartikel. De termijn van 26 weken is gelijk aan die van de MBV 1965. De uit jurisprudentie voortkomende plicht om de vergunninghouder te horen alvorens wordt besloten tot intrekking van een vergunning is nu als voorschrift vastgelegd in artikel 4:8 Awb. Het intrekken van een begunstigende beschikking dient omgeven te zijn met de nodige waarborgen ter bescherming van de rechtszekerheid van de houder der vergunning.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie
- - Intrekking van een niet gebruikte vergunning na 14 jaar. Ten tijde van de intrekking zou de bouwvergunning niet meer kunnen worden verleend. Voldoende grond voor intrekking nu geen sprake meer is van verbouw maar algehele nieuwbouw van een ingestorte woning.
- ABRS 26 mei 1994, R03.92.4852.
- - B en W hebben de bouwvergunning ingetrokken omdat niet binnen de aangegeven termijn met de bouwwerkzaamheden was begonnen. Ten tijde van de verlening van de bouwvergunning was voor het desbetreffende gebied een bestemmingsplan in voorbereiding. Daarmee was het bouwplan in strijd. B en W konden de gevraagde vergunning destijds evenwel niet weigeren. Aan het besluit tot intrekking van de bouwvergunning kan thans een redelijk motief niet worden ontzegd. Er kan voorts niet aan worden voorbij gegaan, gezien het feit dat belanghebbenden noch op de gehouden hoorzitting, noch daarna, B en W definitief uitsluitsel heeft kunnen geven of het bouwplan daadwerkelijk gerealiseerd zou worden.
- ABRS 28 november 1994, R03.92.0637.
- - Een bouwwerk met bouwstop ligt zes maanden stil. B en W trekken de bouwvergunning in op grond van artikel 52, lid 1, onder c, van de Woningwet 1962 en artikel 30 (Model-)bouwverordening 1965. Een overschrijding van de termijn van zes maanden die uitsluitend vanwege deze bouwstop heeft plaatsgevonden, kan aan appellant in redelijkheid niet worden tegengeworpen. De stelling dat appellant het aan zichzelf te wijten heeft dat de bouwstop niet is opgeheven door de geconstateerde afwijkingen en tekortkomingen niet te herstellen, doet daaraan niet af. B en W hadden met het oog op hetgeen in afwijking van de bouwvergunning reeds was gebouwd een aanschrijving op grond van artikel 25 Woningwet 1962 uit kunnen doen gaan.
- ABRS 30 december 1994, R03.91.1120.
Artikel 4.2: Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen en ontheffingen, op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is toch de plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te hebben en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht aanwezig zijn van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die bescheiden is voorgeschreven - de tekst is immers voorhanden - en voorkomt dat de uitvoerder op het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te kennen.
Sub a. Onder het begrip 'bouwvergunning' in de zin van dit artikel vallen tevens de bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen e.d., die niet strijdig zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten worden gehanteerd bij de bouwwerkzaamheden.
Sub b. Deze vergunningen en ontheffingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze bouwkundige consequenties hebben. Deze vergunningen en ontheffingen kunnen betrekking hebben op bijvoorbeeld een aanlegvergunning of op beschikkingen van de rijks of provinciale overheid.
Sub d. Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom is nodig, omdat voor bouwen op grond van voornoemde besluiten geen bouwvergunning is vereist krachtens artikel 43, eerste lid, letter a van de Woningwet.
Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel 8.3.2 ook de sloopvergunning op het bouw en sloopterrein aanwezig zijn.
Artikel 4.3: Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
De toelichting bij dit artikel is vervallen.
Artikel 4.4: Het uitzetten van de bouw
De woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen voorkomen, waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen, bij voorbeeld bij een verbouwing.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening (MBV 1965)
- - Bouw en woningtoezicht heeft ingestemd met een onjuist uitgezet bouwpeil. Gemeente aansprakelijk voor de vertragingsschade en de schade als gevolg van een gewijzigde opzet van de bouw.
- Rb Roermond, 23 december 1982, BR 1983, 533.
Artikel 4.5: Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwerkzaamheden
De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot tijdige controle.
Lid 1, sub a
Indien ontgravingswerkzaamheden worden aangekondigd verdient het aanbeveling het regionale Kabels en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter voorkoming van schade aan leidingen.
Lid 3
In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt geadviseerd terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door vergunninghouder en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te ontvangen.
Artikel 4.6: Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het bouwtoezicht vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het oog zijn onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de kosten van de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te verrichten of te doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die bouwt heeft het immers zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde werkzaamheden tijdig het bouwtoezicht te informeren en overigens conform de vergunning, het Bouwbesluit en de bouwverordening te werken. Specifieke controlewerkzaamheden buiten dit artikel om komen voor rekening van de controlerende instantie, c.q. de gemeente.
Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt dit artikel van de bouwverordening toegepast.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie
- - Artikel 375 MBV 1965 (nu artikel 4.6 MBV) ziet op een correcte uitvoering van de bouwvergunning, de door appellant gewenste (controle op de aanleg van) groenvoorzieningen maken hier nu juist geen deel van uit.
- - ARRS, 26 juli 1993, No. R03.91.0376.
Artikel 4.7: Bemalen van bouwputten
Het belang dat hier wordt gediend is de veiligheid van bouwwerken. Dit is een publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in privaatrechtelijke zin. De redactie van dit artikel is in vergelijking met de MBV 1965 enigszins aangepast, doch dit betreft geen verandering in de bedoeling van dit artikel, noch een trendbreuk in het beleid.
De hoeveelheid aan de bodem te onttrekken water is hier doorslaggevend. Indien de onttrekking zodanige vormen aanneemt, dat ook andere belangen dan de in dit artikel genoemde kunnen worden geschaad, zal daarop met behulp van andere, niet in deze verordening neergelegde bepalingen moeten worden toegezien. Gedacht kan worden aan een waterwingebied.
Onder de hierboven bedoelde andere bepalingen kan met name worden verstaan: zowel voor het mogen bemalen van een bouwput als voor het mogen lozen van het aldus opgepompte grondwater is een vergunning vereist. De grondslag voor de vergunning voor het bemalen van een bouwput c.q. het onttrekken van grondwater staat in de Grondwaterwet en de provinciale grondwaterverordeningen. Laatstgenoemde verordeningen bevatten overigens in het algemeen een uitzondering op het vergunningvereiste voor het kortstondig drooghouden van een bouwput, mits nader in die verordeningen omschreven beperkte hoeveelheden grondwater worden onttrokken. De lozing van het opgepompte water kan aan een vergunningsvereiste of standaardvoorschriften zijn gebonden ingevolge de Wet milieubeheer of de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie
- - Legalisering van een illegaal gebouwde verblijfsruimte. Schade aan naastgelegen woning als gevolg van bronbemaling. Artikel 383, lid 3, (Model-)bouwverordening 1965 ziet slechts op het bouwproces en bevat geen eis waaraan het op te richten bouwwerk zelf dient te voldoen. De gemeente heeft niet zorgvuldig gehandeld, nu zij direct na het ontstaan van de schade alle noodzakelijk te nemen maatregelen (retour-bemaling) hebben doen toepassen. Naar algemene ervaringsregels was niet te verwachten dat de bronbemaling nadelige gevolgen zou hebben.
- - ABRS 25 juli 1994, R03.92.2217.
Artikel 4.8: Veiligheid op het bouwterrein
Het onderhavige voorschrift betreft niet de veiligheid van de werknemers op de bouwplaats, want deze valt onder de Arbowet (Arbeidsinspectie), maar de veiligheid van voorbijgangers en belendingen.
Lid 1
De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen, die bijvoorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft de veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010. De controle op de naleving van laatstgenoemde eisen berust bij de Arbeidsinspectie en bij het elektriciteitsbedrijf.
Tot de achtste serie wijzigingen waren de indieningsvereisten behorende bij een aanvraag om bouwvergunning, waaronder een bouwveiligheidsplan, opgenomen in artikel 2.1.6, eerste lid, MBV. Sinds 1 januari 2003 bevat artikel 1.2.5 van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten regels over het indienen van een bouwveiligheidsplan. Of er bij een bouwvergunning een bouwveiligheidsplan moet zijn en aan welke eisen dat plan moet voldoen, is geregeld in het onderhavige artikel van de MBV. Voorzover de te nemen maatregelen in het bouwveiligheidsplan afwijken van de voorschriften in dit artikel, gaan de bepalingen van het bouwveiligheidsplan voor.
Leden 2 en 3
Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de schakelapparatuur zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die) gedurende de bedoelde tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.
Artikel 4.9: Afscheiding van het bouwterrein
Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein te weren en te voorkomen dat mensen op een bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het derde lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking: permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist het bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer.
De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn gewaarborgd.
Artikel 4.10: Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder voor de omgeving te voorkomen. Zie onder 'handhaving van de voorschriften', in het algemene gedeelte van de toelichting op dit hoofdstuk, hetgeen is gesteld ten aanzien van de arbeidsomstandigheden.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening (MBV 1965)
- - Een bouwaanvraag kan niet worden getoetst aan de artikelen 382 en 383 van de bouwverordening: deze bepalingen bevatten namelijk geen eisen waaraan een bouwwerk moet voldoen, maar betreffen de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
- ARRS 18 augustus 1978, BR 1978, 837; ARRS 29 januari 1982, BR 1982, 506; ARRS 10 december 1981, BR 1982, 313.
- - Het veroorzaken van ernstige geluidsoverlast bij bouw en sloopwerkzaamheden hoeft niet altijd onrechtmatig te zijn.
- Rb 's Gravenhage, 1 november 1985, rolnr. 85/923.
- Vergelijk Hof Leeuwarden 29 januari 1986, BR 1986, 443.
Artikel 4.11: Bouwafval
Algemeen
Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de bouwverordening dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval.
Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden van afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering bij de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met ander afval.
- a. Gevaarlijke afvalstoffen
- Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden gehouden. Een anti-meng-clausule in het derde lid van artikel 4 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9), verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met ander afval (zgn. verdunnen). Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en gescheiden houden die is gebaseerd op de Wet milieubeheer.
- De doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden gevaarlijk (chemisch) afval thuis in de chemobox doen en op deze wijze gescheiden afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling van klein chemisch afval van huishoudens.
- b. en c. Glaswol en steenwol
- Glaswol en steenwol (minerale wol) worden doo
