Afdrukvoorbeeld van deze regeling

Voorkeuren

Verordening brandveiligheid en hulpverlening

Deze regeling is in werking getreden op 08-03-2006.

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie gemeente Pijnacker-Nootdorp
Officiële naam van de regeling Verordening brandveiligheid en hulpverlening
Citeertitel Verordening brandveiligheid en hulpverlening
Deze versie is geldig tot
(als de vervaldatum is vastgesteld)
Vastgesteld door college van burgemeester en wethouders
Onderwerp personeel en organisatie

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Deze verordening komt in de plaats van de gelijknamige verordening die op 02-01-2002 door de gemeenteraad is vastgesteld.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Brandweerwet 1985, art. 1, tweede lid externe site
  2. Brandweerwet 1985, art. 12 externe site
  3. Woningwet, art. 8 externe site, tweede lid
  4. Wet milieubeheer, art. 8.11 externe site, derde lid
  5. Wet milieubeheer, art. 8.40 externe site
  6. Gemeentewet, art. 149 externe site

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum
inwerkingtreding
Terugwerkende
kracht t/m
Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
08-03-2006 nieuwe regeling 07-03-2006
Telstar, 10-05-2006
2006.02610

nieuwe pagina (dit wordt niet afgedrukt)

Verordening brandveiligheid en hulpverlening

Deze regeling is in werking getreden op 08-03-2006.

Het college van Pijnacker-Nootdorp;

gelet op artikel 1, tweede lid en artikel 12 van de Brandweerwet 1985; artikel 8, tweede lid, van de Woningwet; artikel 8.11, derde lid, en 8.40 van de Wet milieubeheer; artikel 149 van de Gemeentewet;

overwegende dat:

  • 1. het college de zorg heeft voor:
    • a) het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt;
    • b) het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand;
    • c) de uitvoering van werkzaamheden ter zake van het beperken en bestrijden van rampen, als bedoeld in artikel 1 van de Wet rampen en zware ongevallen tot de taak van de brandweer behoort;
    • d) het college andere werkzaamheden, dan hierboven bedoeld, kan aanwijzen die de gemeentelijke brandweer verricht;
    • e) de Brandbeveiligingsverordening voorschriften bevat omtrent het gebruik van inrichtingen voor zover dit geen bouwwerken zijn als bedoeld in de Woningwet en de Bouwverordening;
    • f) de Bouwverordening voorschriften bevat omtrent het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, en standplaatsen, waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking tot onder meer brandveiligheid;
    • g) de Wet milieubeheer beoogt het milieu te beschermen, onder meer door de brandveiligheid te bevorderen;
  • 2. het wenselijk is de voorzieningen voor brandveiligheid en hulpverlening in samenhang te treffen;

besluit:

de Verordening brandveiligheid en hulpverlening vast te stellen.

Artikel 1 - Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. repressieve taken:
    • 1. het beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt;
    • 2. het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand;
    • 3. de uitvoering van werkzaamheden ter zake van het beperken en bestrijden van rampen, als bedoeld in artikel 1 van de Wet rampen en zware ongevallen;
  • b. proactieve en preventieve taken:
    • 1. het voorkomen en beperken van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt;
    • 2. de uitvoering van werkzaamheden ter zake van het beperken van rampen, als bedoeld in artikel 1 van de Wet rampen en zware ongevallen;
    • 3. het opstellen en handhaven van de voorschriften met betrekking tot het brandveilig gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, en standplaatsen;
    • 4. de uitvoering van de brandbeveiligingsverordening.

Artikel 2 - Gemeentelijke brandweer

Het college beschikt over een gemeentelijke brandweer.

Artikel 3 - Taken brandweer

De taken van de gemeentelijke brandweer bestaan, behoudens de in artikel 5 aan de regionale brandweer opgedragen taken, uit:

  • 1. de feitelijke uitvoering van de proactieve, preventieve en repressieve taken;
  • 2. andere dan de onder 1 genoemde werkzaamheden, voor zover deze niet te maken hebben met het wegnemen van onmiddellijk gevaar voor mens en dier, te weten:
    • a. het beperken en bestrijden van milieu-incidenten;
    • b. het reinigen van wegen en terreinen bij ongevallen;
    • c. het geven van cursussen in het kader van de bedrijfshulpverlening;
    • d. het stallen, bemensen en onderhouden van het door de Hulpverleningsregio Haaglanden verstrekte materieel op grond van haar materieel spreidingsplan.

Artikel 4 - Beleidsplan brandveiligheid en hulpverlening

Het college stelt eenmaal in de drie jaar een beleidsplan brandveiligheid en hulpverlening vast. Dit plan wordt ter kennis gebracht van de raad. Dit plan omvat in elk geval een omschrijving van de financiële, materiële en personele middelen die nodig zijn voor de uitvoering van de proactieve, preventieve en repressieve taken.

Dit plan vormt tevens de basis voor het jaarlijks door het directieteam vast te stellen afdelingsplan van de brandweer waarin is aangegeven op welke wijze inhoud wordt gegeven aan de uitvoering van de in artikel 3 omschreven taken .

Artikel 5 - Regionale taken

Naast de in de artikel 3, tweede lid, van de Brandweerwet 1985 opgedragen taken, zijn de volgende taken van de gemeentelijke brandweer aan de regionale brandweer overgedragen:

a. de alarmering van de gemeentelijke brandweer.

Artikel 6 - Personeel

Het personeel van de gemeentelijke brandweer dat proactieve, preventieve en/of repressieve taken uitoefent, bestaat uit:

  • a. één commandant;
  • b. één plaatsvervangend commandant;

en ten minste:

  • c. officieren;
  • d. onderofficieren;
  • e. brandwachten;

Artikel 7 - Opleiding en oefening

Het college draagt zorg voor de opleiding en oefening van het brandweerpersoneel, die voor de taakuitoefening noodzakelijk zijn.

Artikel 8 - Instructie commandant

De commandant heeft de algemene leiding en het bevel over de brandweer, overeenkomstig de voor hem door het college vastgestelde instructies.

Artikel 9 - Materieel

  • 1. Het materieel van de gemeentelijke brandweer bestaat ten minste uit:
    • a. 3 tankautospuiten groot vermogen;
    • b. 1 tankautospuit klein vermogen;
    • c. 1 motorspuitaanhangwagen (MSA);
    • d. 1 personeelmaterieelwagen;
    • e. 1 personenbus;
    • f. 1 auto voor de officier van dienst.
  • 2. Het college bepaalt de plaats waar en de wijze waarop het materieel en de overige goederen van de brandweer worden ondergebracht.

Artikel 10 - Bluswatervoorziening

Het college draagt zorg voor zodanige bluswatervoorzieningen en de bereikbaarheid daarvan, dat de brandbestrijding te allen tijde zoveel mogelijk is gewaarborgd.

Artikel 11 - Citeertitel en in werking treden

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 8 maart 2006.
  • 2. Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening brandveiligheid en hulpverlening”.

Vastgesteld in de vergadering 7 maart 2006.

De secretaris, De burgemeester,

Drs. J.P.R. Woudstra Drs. F.H. Buddenberg.

Toelichting verordening brandveiligheid en hulpverlening

A. Algemene toelichting

1. Leeswijzer

Hieronder komt eerst in algemene zin de taak van de gemeente aan de orde (2). Daarna worden de grenzen die bij brand(on)veiligheid bereikt worden, aangegeven (3). Vervolgens worden argumenten gegeven om thans naast de brandrepressie ook de zorg voor de brandpreventie in een door het college aad vastgesteld beleidsplan vast te leggen (4). De wettelijke regelingen op het gebied van de brandveiligheid komen daarna aan de orde (5 en 6).

2. Taken van de gemeente bij brandveiligheid

Het bevorderen van de veiligheid van de burgers is een van de oudste kerntaken van de gemeentelijke overheid. Vanouds rekenen de gemeenten het tot hun taak om binnen het kader van de openbare veiligheid de brandveiligheid te behartigen. De invulling daarvan is afhankelijk van politieke en bestuurlijke besluitvorming. De middelen die de gemeenten hiervoor beschikbaar stellen worden in hoge mate bepaald door de maatschappelijke beleving van brand(on)veiligheid. Er bestaat echter over het algemeen overeenstemming over de vraag wat er onder brandveiligheid wordt verstaan, namelijk dat het ongewenst is dat er slachtoffers vallen door brand (zowel bij de bevolking als bij de brandweer) en dat een brand onbeheersbaar wordt en niet meer valt te blussen.

Elke gemeente beschikt daarom bijvoorbeeld over een brandweerkorps dat in staat is zo nodig mensen te redden uit noodsituaties en branden te blussen. Ook stelt de overheid in diverse wetten vergunningen verplicht voor het brandveilig bouwen en gebruiken van bouwwerken.

3. Grenzen van brand(on)veiligheid

In absolute zin kunnen brand en ongevallen bij brand niet worden voorkomen. De overheid tracht wel zo weinig mogelijk brand en ongevallen bij brand te laten plaatsvinden. Uiteraard is elk slachtoffer dat valt bij een brand er één te veel en is elke schade die een brand aanricht kapitaalvernietiging. Een zeker (gering) aantal slachtoffers en een zekere brandschade worden evenwel door de maatschappij als onvermijdelijk beschouwd.

Een afwijking van een min of meer geaccepteerd niveau van brandveiligheid wordt niet aanvaard.

4. Beleidsplan: samenhang tussen brandpreventie en brandrepressie

De mate van brandveiligheid of het brandveiligheidsniveau in een gemeente wordt in hoofdzaak bepaald door de inzet van de brandweer en de wijze waarop een gemeente uitvoering geeft aan de regelgeving ten behoeve van de brandpreventie.

Brandpreventie en brandrepressie maken in samenhang deel uit van de zogenoemde veiligheidsketen, die bij de eerste integrale veiligheidsrapportage van het Ministerie van Binnenlandse Zaken in 1993 werd geïntroduceerd: pro-actie, preventie, preparatie, repressie en nazorg.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft zogenoemde brandbeveiligingsconcepten opgesteld om inzicht te krijgen in de vele krachten die invloed hebben op de brandveiligheid en om hun onderling verband aan te geven. Deze concepten zijn opgesteld langs de lijn van de hierboven beschreven veiligheidsketen.

Die relatie tussen brandpreventie (waaronder pro-actie) en de blus- en redkracht van de brandweer (waaronder preparatie) is ook het uitgangspunt van de brandbeveiligingsconcepten.

Uit door SGBO verrichte onderzoek is gebleken dat het belangrijk is dat gemeenten aangeven op welke wijze zij hun verantwoordelijkheid voor de brandveiligheid gestalte geven. Zij kunnen dat het beste doen in de vorm van een (jaarlijks bij te stellen) beleidsplan in relatie tot de organisatie, het beheer en de taak van de brandweer.

5. Wetgeving voor gemeenten

De wetgever heeft de taken en bevoegdheden van gemeenten neergelegd in een vijftal wetten, die - op het terrein van brandveiligheid en hulpverlening - elk hun eigen doelstelling hebben, te weten:

  • - de Gemeentewet, waarin naast de algemeen verordenende bevoegdheid voor onder meer het onderwerp brandveiligheid ook het opperbevel van de burgemeester is geregeld;
  • - de Brandweerwet, met het doel de brandveiligheid,in het bijzonder de organisatie van de brandweer, in algemene zin te regelen;
  • - de Woningwet, met het doel het brandveilig bouwen en gebruiken van brandveilige bouwwerken te bevorderen;
  • - de Wet milieubeheer, met het doel het milieu te beschermen, ook tegen de gevolgen van brand.
  • - De Wet rampen en zware ongevallen, houdende regels inzake de rampenbestrijding en de voorbereiding daarop. De wet beoogt –kort samengevat- aan te sluiten op hetgeen met betrekking tot de organisatie en het beheer van de bij de hulpverlening betrokken diensten (brandweer en politie) wettelijk is geregeld. De wet wil primair een oplossing bieden voor problemen die zich kunnen voordoen bij het gecoördineerd optreden van deze diensten. In die zin draagt de wet een aanvullend karakter.

De Wet milieubeheer is van toepassing op zogenoemde inrichtingen waarmee zowel bouwwerken als ‘niet-bouwwerken’ (bijvoorbeeld aangemeerde hotelboten, feesttenten, open terreinen en dergelijke) worden bedoeld. Voor de brandveiligheid betekent dit dat voorzieningen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen van brand voor het milieu als gevolg van werkzaamheden en de opslag van stoffen te vermijden. Ten behoeve van een duidelijke organisatie met betrekking tot het stellen van eisen voor de brandveiligheid wordt ervan uitgegaan dat de gemeente op grond van deze wet alleen eisen zal stellen als dat niet mogelijk is op grond van de Woningwet. De Woningwet heeft immers de brandveiligheid in het bijzonder tot doel en de Wet milieubeheer heeft dit ‘slechts’ in relatie tot het milieu. Bovendien kan in preventieve zin het bestemmingsplan (Wet op de ruimtelijke ordening) een bijdrage leveren aan de brandpreventie bij het aanwijzen van bestemmingen.

6. Uitvoering wetgeving door het rijk

Een zesde wet waarin brandveiligheid een rol speelt is de Arbeidsomstandighedenwet. De uitvoering van de Arbeidsomstandighedenwet is evenwel niet opgedragen aan gemeenten. Deze wet wordt hier genoemd, omdat op grond van de Arbeidsomstandighedenwet de Inspectiedienst van het Ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid (Inspectiedienst SZW) brandpreventie-eisen kan stellen ten behoeve van werknemers en bezoekers. Daarnaast is deze wet van belang omdat op grond hiervan het Besluit bedrijfshulpverlening van kracht is. Dit besluit verplicht iedere werkgever, dus ook gemeenten, een bedrijfshulpverleningsorganisatie te hebben.

B. Artikelsgewijze toelichting op de modelverordening brandveiligheid en hulpverlening

Artikel 1 - Begripsomschrijvingen

De begripsomschrijvingen zijn opgenomen ten behoeve van het bepaalde in de artikelen 3 en 5.

Het beperken van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand kan met proactieve middelen, preventieve voorzieningen en/of met repressieve middelen worden bereikt. Vandaar dat het beperken van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand onder proactieve, preventieve en repressieve taken is vermeld.

Artikel 2 - Gemeentelijke brandweer

Artikel 1 van de Brandweerwet 1985 stelt dat er in elke gemeente een gemeentelijke brandweer is, behoudens indien ingevolge samenwerking met andere gemeenten een regeling ter zake totstandgekomen is.

Artikel 3 - Taken brandweer

Lid 1

Uit artikel 1, vierde lid, en artikel 12 van de Brandweerwet 1985 juncto het zesde lid van artikel 1 volgt dat de taken van de brandweer in elk geval bestaan uit de feitelijke uitvoering ter zake van werkzaamheden van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt.

Dat brandrepressie, voortvloeiend uit de zorgnormen tot de taak van de brandweer behoort, staat uiteraard buiten twijfel. Dit is niet zo zeker met de advisering over brandpreventieve voorzieningen.

Artikel 100, eerste lid, van de Woningwet stelt dat het gemeentebestuur voorziet in het bouw- en woningtoezicht, dat in elk geval onder meer tot taak heeft het binnen de gemeente uitoefenen van toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, zoals de Bouwverordening en het Bouwbesluit. Het tweede lid van artikel 100 geeft aan dat het college ambtenaren kan aanwijzen die belast zijn met (onderdelen van) dit toezicht.

De vraag dringt zich op of de hierboven bedoelde wetten en regelingen aangeven dat bepaalde gemeentelijke diensten het exclusieve recht kunnen doen gelden om met de uitvoering van de brandveiligheidsvoorwaarden uit de Bouwverordening en het Bouwbesluit belast te zijn.

In de memorie van toelichting op de herziening van de Woningwet zeggen de betrokken bewindslieden dat in artikel 100 niet is bepaald dat er een gemeentelijke dienst of organisatie bouw- en woningtoezicht moet zijn, doch dat het gemeentebestuur in het bouw- en woningtoezicht voorziet. Dit betekent, dat het aan het college wordt overgelaten te bepalen op welke wijze daarin wordt voorzien. Als voorbeelden worden genoemd: een gemeentelijk bouw- en woningtoezicht of een bouwen woningtoezicht op basis van een gemeenschappelijke regeling dan wel anderszins, waarbij gedacht kan worden aan een geprivatiseerde vorm van toezicht. Als gevolg van deze ruime uitleg van het ‘voorzien in het bouw- en woningtoezicht’ kunnen ten aanzien van bijvoorbeeld de brandveiligheidsvoorschriften brandweerfunctionarissen worden aangewezen.

Vele gemeenten maken gebruik van de mogelijkheden die een regionale brandweer kan bieden bij de advisering over brandpreventievraagstukken. Als gevolg hiervan ontstaat in die gemeenten min of meer dezelfde technische uitvoering van het beleid. Het verdient dan ook aanbeveling het handhavingsbeleid op elkaar af te stemmen. Het ligt in de rede dat het college hiervoor brandweerfunctionarissen aanwijst, uiteraard voor zover de interne gemeentelijke organisatie dat toestaat.

Lid 2

Onder a en b kan de gemeente opnemen welke taken de brandweer verricht anders dan de wettelijke taken. Deze betreffen over het algemeen de (betaalde) dienstverlening door de brandweer. Het bepaalde onder a en b kan worden aangevuld met andere taken (onder c, d enz.), zoals het verzorgen van het ambulancevervoer, garagewerkzaamheden en andere niet-wettelijke taken.

Terzijde wordt opgemerkt dat kosten die de brandweer heeft gemaakt voor de hier opgenomen niet wettelijke taken, kunnen worden verhaald als deze werkzaamheden zijn opgenomen in de retributieverordening van de gemeente. De kosten voor het reinigen van wegen en terreinen bij ongevallen en bij milieu-incidenten, voor zover deze niet te maken hebben met het wegnemen van onmiddellijk gevaar voor mens en dier, kunnen dan worden verhaald.

Artikel 4 - Beleidsplan brandveiligheid en hulpverlening

De aan het college toevertrouwde zorg voor de brandveiligheid, zoals deze in wetgeving is omschreven (zie paragraaf 5 van de algemene toelichting), betreft in hoofdzaak de zorg voor een redelijke brandpreventie en een redelijke brandrepressie, alsmede de voorbereiding daarop: de proactie en de preparatie. In paragraaf 4 van de algemene toelichting is de noodzaak aangegeven de brandpreventie en de brandrepressie in samenhang te beoordelen.

Een beleidsplan brandveiligheid en hulpverlening geeft aan op welke wijze de gemeente voor een bepaalde periode uitvoering geeft aan de zorgplicht voor de brandveiligheid, de hulpverlening anders dan bij brand en het gemeentelijk aandeel in de rampenbestrijding.

In een plan dat het college periodiek (eenmaal in de drie jaar) opstelt en ter kennis brengt van de raad, wordt onder meer het gewenste brandveiligheidniveau beschreven. Het brandveiligheidniveau van een gemeente wordt enerzijds bepaald door de gekozen repressieve sterkte van de gemeentelijke brandweer (in samenwerking met de regionale brandweer) en anderzijds het brandpreventieniveau van die gemeente.

Het brandpreventieniveau in de gemeente wordt deels bepaald door de keuze van het (vooral bouwkundige) brandpreventieniveau die de gemeenteraad maakt binnen de bandbreedte die het Bouwbesluit toestaat voor bestaande bouwwerken en deels door de handhaving van die keuze.

Nadere beschouwing van deze wat abstracte formulering laat zien dat het nodig is een oordeel te hebben over de repressieve sterkte van de brandweer met het oog op de brandbestrijding, de hulpverlening anders dan bij brand en het gemeentelijk aandeel in de rampenbestrijding. Vervolgens zal het college ook een oordeel moeten vormen over het gewenste brandpreventieniveau, de handhaving daarvan en de daarmee samenhangende financiële en personele consequenties.

Met behulp van de analyse van brandonveiligheid kan inzicht worden verkregen in de gebeurtenissen die van invloed zijn op het verloop van een brand en de acties die daarop moeten volgen om de negatieve gevolgen van een brand zo gering mogelijk te doen zijn, zoals de inzet van de brandweer en een interne ontruimingsorganisatie.

In het beleidsplan brandveiligheid en hulpverlening geeft het college tevens aan welke van de gemeentelijke taken zijn uitbesteed aan de regionale brandweer en welke taken de gemeentelijke brandweer eventueel voor de regio uitvoert. Ook bevat het beleidsplan een omschrijving van de organisatiestructuur van de brandweer, waarin in ieder geval de verdeling van de werkzaamheden tussen de vrijwilligers en de beroepsbrandweer is aangegeven.

Artikel 5 - Regionale taken

Het niveau van veiligheid in een regio op het gebied van de brandweerzorg en hulpverlening, alsmede dat van de rampenbestrijding is de uitkomst van de optelsom van de verschillende niveaus van de gemeenten in zo’n regio. In regionaal verband maken gemeenten afspraken over deze niveaus, opdat een balans ontstaat tussen de gemeenten onderling en tussen de gemeenten en de regio.

In artikel 5 gaat het om op regionale schaal op te pakken gemeentelijke taken. Deze kunnen worden onderscheiden in taken die kunnen worden uitgevoerd door een regionale brandweerorganisatie en/of door een of meer gemeenten. Gemeenten moeten daarvoor met de regio afspraken maken.

Het is bijvoorbeeld niet nodig dat alle gemeenten op alle gebieden, de brandweerzorg en hulpverlening en de rampenbestrijding betreffende, specialist zijn.

Als gevolg van het bovenstaande valt er onderscheid te maken tussen verschillende taken. Namelijk de taken die een regionale brandweer verplicht, op grond van de wet, moet uitvoeren, zoals in artikel 3, tweede lid, van de Brandweerwet 1985 is omschreven, en de regionale werkzaamheden die een gemeente op verzoek van de regio uitvoert. Deze werkzaamheden kunnen het beste in een overeenkomst worden vastgelegd.

Gemeentelijke taken die door de regionale brandweer worden uitgevoerd, worden in artikel 5a aangegeven, zodat vastligt dat de gemeente aan de wettelijke verplichting voldoet.

In de Brandweerwet 1985 is aangegeven dat gemeenten en (regionale) brandweren taken hebben. De uitvoering van die taken kan flexibel geschieden. Aan de ene kant kan een regionale brandweer met de verschillende gemeenten overeenkomen alle taken uit te voeren, anderzijds kunnen gemeenten in regionaal verband afspreken dat zij alle taken zelf uitvoeren. Alle variaties daartussen zijn ook mogelijk. Van belang is dát de taken worden uitgevoerd én dat vastligt wie dat doet.

Het college draagt overigens bij de uitvoering van deze verordening en overige regelingen, met betrekking tot de in artikel 3 genoemde taken van de gemeentelijke brandweer, zorg voor de goede coördinatie met de gemeenschappelijke regeling voor de regionale brandweer waar de gemeente aan deelneemt.

Artikel 6 - Personeel

In de Verordening brandveiligheid en hulpverlening legt het college vast welke personeelsleden ter behartiging van de veiligheid zijn belast met proactieve, preventieve en/of repressieve taken.

Het is mogelijk dat personeelsleden met beide taken zijn belast. In het beleidsplan brandveiligheid wordt dit nader aangegeven in aantallen. De personeelsformatie voor preventieve taken volgt uit de keuze voor het te handhaven brandveiligheidniveau in de gemeente. De gemaakte keuze ligt vast in het in artikel 4 bedoelde beleidsplan brandveiligheid en hulpverlening.

De personeelsformatie voor de repressieve taken is afhankelijk van het materieel dat volgt uit het dekkingsplan voor brandrisico en het (dekkings)plan voor hulpverlening anders dan bij brand.

Artikel 7 - Opleiding en oefening

Het college draagt zorg voor de opleiding en oefening van het brandweerpersoneel door onder meer het vaststellen van een meerjaren opleidings- en oefenplan.

Artikel 8 - Instructie commandant

Het bepaalde in artikel 8 legt de grondslag voor de eenhoofdige leiding en de gezagsverhouding, die voor een goed functioneren van de brandweer onmisbaar zijn. De instructie voor de commandant zal naast de aan een juiste taakvervulling verbonden verplichtingen en bevoegdheden de regeling voor de vervanging van de commandant bevatten. In dit verband valt bovendien te denken aan het in goede staat doen verkeren van het materieel, de gebouwen, de installaties, de materialen en de overige goederen van de brandweer, alsmede de kleding en uitrusting van het personeel. Daartoe zullen periodieke inspecties, controles en beproevingen noodzakelijk zijn, waarvan de uitvoering bij instructie aan de commandant wordt opgedragen.

Ten slotte is het goed in de instructie de commandant als gemachtigde van de burgemeester tot het aanvragen en verlenen van bijstand aan te wijzen.

Volledigheidshalve zij hier nog vermeld dat de verdere gang van zaken bij intra- en interregionale bijstandsverlening is geregeld in of op grond van de desbetreffende gemeenschappelijke regeling inzake de regionale brandweer.

Artikel 173 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester het opperbevel heeft bij brand, alsmede bij ongevallen anders dan brand voor zover de brandweer daarbij een taak heeft. Om te voorkomen dat daarbij getreden wordt op het terrein van anderen, is de beperking aangebracht dat de brandweer bij bedoelde ongevallen een taak moet hebben.

Het hier bedoelde opperbevel houdt in de bevoegdheid van de burgemeester, als politie-autoriteit en hoogste burgerlijke overheid ter plaatse, tot het (bij brand e.d.) nemen van maatregelen ter handhaving van de openbare orde en van buitengewone, in het eigendomsrecht ingrijpende, maatregelen (onverwijlde inbezitneming in verband met de openbare veiligheid).

Daarnaast brengt de term opperbevel tot uitdrukking dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid en de bestuurlijke coördinatie bij de brandbestrijding e.d. in handen van de burgemeester liggen.

Artikel 9 - Materieel

Uit het dekkingsplan voor het brandrisico en het (dekkings)plan voor de hulpverlening anders dan bij brand volgt de vereiste repressieve capaciteit van de brandweer. Deze bepaalt de hoeveelheid materieel die ingezet moet kunnen worden. In dit artikel legt het college de minimale hoeveelheid en het soort materieel vast. Het hier vastgelegde en in te zetten materieel kan van de gemeente zelf zijn, door de regio worden ingezet en/of door particulieren door middel van waakvlamovereenkomsten worden geleverd. De uitkomst van dit beleidsplan bestaat voor het deel brandbestrijding, hulpverlening en rampenbestrijding uit een opsomming van het benodigde materieel.

Artikel 10 - Bluswatervoorziening

Het blussen van branden is een belangrijke taak van de brandweer. Het blusmiddel water wordt naast andere blusmiddelen het meest gebruikt. De zorg voor de brandveiligheid, zoals bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Brandweerwet 1985, geeft aan dat het college tevens verantwoordelijk is zijn voor een adequate bluswatervoorziening.

Bluswater kan worden verkregen uit het drinkwaternet, een apart bluswaterleidingnet, open water, speciale blusvijvers en geboorde putten.

Aan elk van deze ‘bluswaterbronnen’ zijn nadelen verbonden.

  • - Het drinkwater is een kostbare zaak en een goede kwaliteit drinkwater is van levensbelang.

Waterleidingbedrijven kunnen niet altijd gezond drinkwater garanderen als de brandweer door het blussen van branden voor verlaging van de druk in het leidingnet zorgt. Daarenboven is het aanhouden van een grotere doorsnede van een leiding om drukverlaging te voorkomen uit een oogpunt van volksgezondheid niet altijd gewenst, omdat het water onder normale omstandigheden dan te weinig doorstroomt.

  • - Open water en speciale blusvijvers hebben het nadeel dat deze dichtgevroren kunnen zijn.
  • - Geboorde putten vereisen een regelmatige controle en onttrekken bij gebruik (te) veel grondwater.
  • - Een speciaal bluswaterleidingnet is kostbaar en komt alleen in beeld bij industrieterreinen en dergelijke.

Bluswater kan het beste uit zoveel mogelijk verschillende ‘waterbronnen’ worden verkregen. Voor de eerste inzet van de brandweer zijn de tankautospuit waarin standaard 1500 of 1600 liter water voor onmiddellijk gebruik is opgeslagen en het drinkwaterleidingnet de meest geëigende middelen om voor bluswater te zorgen, omdat dan nog het minste bluswater nodig is. Branden op plaatsen waar geen drinkwaterleiding aanwezig is of waar dat leidingnet te weinig capaciteit heeft, moeten met water uit een tankwagen of op andere wijze worden geblust. Voor het vervolg van de brandbestrijding kan - zo nodig van een grotere afstand en na enige tijd - water worden gehaald uit een blusvijver of ander open water.

Onderstaand is aangegeven hoeveel bluswater in bepaalde situaties minimaal nodig is voor de eerste inzet.

  • 1. Voor woningen die zijn uitgevoerd als brandcompartiment met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) van ten minste 60 minuten: 30 kubieke meter per uur. Over het algemeen is hiervan sprake bij woningen die na 1945 zijn gebouwd.
  • 2. Voor woningen die niet zijn uitgevoerd als brandcompartiment met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) van ten minste 60 minuten: 60 kubieke meter per uur.
  • Over het algemeen is hiervan sprake bij woningen die voor 1945 zijn gebouwd.
  • 3. Voor overige gebouwen die zijn uitgevoerd als brandcompartiment met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) van ten minste 60 minuten en waarbij door bouwkundige voorzieningen geen branduitbreiding naar buiten te verwachten valt: 30 kubieke meter per uur.
  • 4. Voor overige gebouwen die zijn uitgevoerd als brandcompartiment met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) overeenkomstig het bepaalde in het brandbeveiligingsconcept Beheersbaarheid van brand en waarbij door bouwkundige voorzieningen geen branduitbreiding naar buiten te verwachten valt: 30 kubieke meter per uur.
  • 5. Voor overige gebouwen die zijn uitgevoerd als brandcompartiment als onder 3 of 4 vermeld waarbij ter voorkoming van branduitbreiding bovendien wordt uitgegaan van een inzet van de brandweer voor het koelen en blussen van gevels: 60 kubieke meter per uur.
  • 6. Voor overige gebouwen die niet afdoende zijn uitgevoerd als brandcompartiment met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) is de behoefte aan water afhankelijk van de bij de planbeoordeling noodzakelijk geachte repressieve inzet.
  • Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening kan een gemeente op grond van de bouwverordening een niet-openbare bluswatervoorziening eisen als voorwaarde voor het verlenen van een bouwvergunning. Dit komt voor bij ver van de bebouwde kom gelegen bouwwerken of indien een grote hoeveelheid bluswater ineens nodig is, bijvoorbeeld bij een sprinklerinstallatie. De gemeente bepaalt waar de grens ligt tussen de publieke plicht om voor voldoende bluswater te zorgen en de noodzaak voor anderen dat te doen. Van belang is het hier nogmaals te vermelden dat brandbestrijding een publieke taak is.

Artikel 11 - Citeertitel en in werking treden

De Verordening brandveiligheid en hulpverlening moet op grond van artikel 2 van de Brandweerwet 1985 binnen een week na vaststelling aan gedeputeerde staten worden gezonden.

Terug naar boven Terug naar boven