U bent hier: Regelingen » Verordening maatregelen Wet investeren in jongeren » 11-03-2010
Sla de hoofdinhoud over en ga naar de voetregel »Verordening maatregelen Wet investeren in jongeren
Deze regeling is in werking getreden op 11-03-2010.
Wetstechnische informatie
Gegevens van de regeling
| Overheidsorganisatie | gemeente Pijnacker-Nootdorp |
|---|---|
| Officiële naam van de regeling | Verordening maatregelen Wet investeren in jongeren |
| Citeertitel | Verordening maatregelen Wet investeren in jongeren |
| Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld) |
|
| Vastgesteld door | gemeenteraad |
| Onderwerp | maatschappelijke zorg en welzijn |
Opmerkingen m.b.t. de regeling
Geen
Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd
- Gemeentewet, art. 147, eerste lid

- Wet investeren in jongeren, art. 12, eerste lid, onderdeel b

- Wet investeren in jongeren, art. 41, eerste lid

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)
Geen
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
| Datum inwerkingtreding |
Terugwerkende kracht t/m |
Betreft | Datum ondertekening Bron bekendmaking |
Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
| 11-03-2010 | nieuwe regeling | 18-02-2010 Telstar, 10-03-2010 |
2010.00079 |
De raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp;
gezien het voorstel van het college van 12 januari 2010;
gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet
en de artikelen 12, eerste lid onderdeel b
, en 41, eerste lid van de Wet investeren in jongeren
;
overwegende dat het noodzakelijk is het verlagen van de bedragen van de inkomensvoorzieningen van jongeren bij wijze van sanctie bij verordening te regelen;
besluit:
vast te stellen de volgende Verordening maatregelen Wet investeren in jongeren.
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
Artikel 1 - Begripsomschrijvingen
- 1. In deze verordening wordt verstaan onder:
- a. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Pijnacker-Nootdorp;
- b. de wet: de Wet investeren in jongeren
; - c. maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid, van de wet
; - d. inkomensvoorziening: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet
van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het college vastgestelde verhoging of verlaging.
- 2. De begripsomschrijvingen in de wet zijn van toepassing op de begrippen die in deze verordening worden gebruikt.
Artikel 2 - Verlaging en afstemming
- 1. Onverminderd artikel 42 van de wet
, verlaagt het college, overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college zeer ernstig misdraagt. - 2. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen.
Artikel 3 - Dringende redenen
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college besluiten af te zien van een maatregel als bedoeld in deze verordening.
Artikel 4 - Ingangsdatum verlaging
De ingangsdatum van de verlaging is:
- a. bij lopende inkomensvoorzieningen de eerste dag van de maand volgende op de dag waarop aan de belanghebbende schriftelijk bij beschikking is meegedeeld dat een verlaging wordt opgelegd;
- b. bij nieuwe inkomensvoorzieningen de ingangsdatum van de inkomensvoorziening.
Hoofdstuk 2 - Normering van de verlaging
Artikel 5 - Categorieën gedragingen
De gedragingen die aanleiding kunnen zijn voor een verlaging worden onderscheiden in de volgende categorieën:
- 1. eerste categorie;
- a. het niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie die van belang is voor de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening of de voortzetting daarvan;
- b. het niet tijdig verstrekken van alle gevraagde gegevens en bewijsstukken die nodig zijn voor de beslissing op zijn aanvraag door het college aan de Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
- 2. tweede categorie:
- a. het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
- b. het niet voldoen aan een verplichting om, op advies van een arts, zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.
- 3. derde categorie:
- a. het stellen van onredelijke eisen in verband met door de jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;
- b. het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten.
- c. het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van de arbeidsbekwaamheid.
- d. het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling.
- 4. vierde categorie:
- a. het bij de aanvraag verstrekken van onjuiste gegevens of het verzwijgen van informatie die van belang is voor de beoordeling van het recht op een werkleeraanbod of op een inkomensvoorziening;
- b. het niet verstrekken van informatie die van belang is voor de voortzetting van het recht op een werkleeraanbod of inkomensvoorziening of het verstrekken van onjuiste of onvolledige mededelingen;
- c. het zich zeer ernstig misdragen, zoals het uiten van dreigementen of het plegen van geweld ten aanzien van de uitvoerders van de wet.
Artikel 6 - Hoogte verlaging
- 1. De verlaging bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet
, wordt vastgesteld op:
- a. vijf procent van de inkomensvoorziening gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
- b. tien procent van de inkomensvoorziening gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;
- c. twintig procent van de inkomensvoorziening gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie;
- d. honderd procent van de inkomensvoorziening gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.
- 2. De periode van verlaging van de inkomensvoorziening, genoemd in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.
Artikel 7 - Cumulatie
Indien de belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan meer gedragingen zoals genoemd in artikel 5 wordt het percentage van de hoogste van toepassing zijnde categorie gehanteerd.
Artikel 8 - Waarschuwing
Indien het niet tijdig verstrekken van inlichtingen niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van inkomensvoorziening, kan het college afzien van het opleggen van een maatregel en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet nakomen van de verplichting, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
Hoofdstuk 3 - Slotbepalingen
Artikel 9 - Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na publicatie.
Artikel 10 - Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als Verordening maatregelen Wet investeren in jongeren.
Vastgesteld in de openbare vergadering van 18 februari 2010
de plv. griffier, de voorzitter,
drs. S.G.W.M. Heerdink, drs. F.H. Buddenberg
Algemene toelichting
Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking getreden. Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie van jongeren tot 27 jaar.
Het college is belast met de uitvoering van deze wet.
De gemeenteraad heeft de opdracht om bij verordening nadere regels te stellen met betrekking tot een aantal wettelijke bepalingen.
In deze verordening gaat het om de regels die betrekking hebben op het verlagen van de inkomensvoorziening bij wijze van sanctie.
De wettelijke basis daarvoor is artikel 41, eerste lid, van de wet. Die bepaling luidt als volgt:
‘Indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, dan wel de uit artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college zeer ernstig misdraagt, verlaagt het college het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b.’
De wetgever heeft bij het inrichten van de inkomensvoorziening zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de Wet werk en bijstand (Wwb).
Daarom is ervoor gekozen, om in deze verordening aansluiting te zoeken bij de reeds bestaande (overeenkomstige) Wwb-verordening, te weten de Verordening maatregelen 2004.
Overigens is de in de Wij vastgelegde reikwijdte voor de onderhavige verordening wel beperkter van aard dan die in de Wwb.
ARTIKELSGEWIJZE toelichting
Artikel 1 - Begripsbepalingen
Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 2 - Verlaging en afstemming
Eerste lid
Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel (artikel 41, eerste lid, van de wet). In de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving wordt dit afgeraden, niettemin is deze grondslag omwille van de leesbaarheid, duidelijkheid en consistentie, evenals in de het VNG-model van de Maatregelverordening WWB, hier herhaald. Verwezen wordt naar artikel 42 van de wet om aan te geven dat de imperatief voorgeschreven verlaging middels een maatregel niets afdoet aan intrekking van de inkomensvoorziening vanwege intrekking van het werkleeraanbod. Als daartoe wordt besloten, dan komt verlaging veelal niet meer aan de orde.
Tweede lid
In dit lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de jongere en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken jongere afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen en kan zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere. Waar verderop in de verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan dus worden afgeweken op de genoemde gronden.
Artikel 3 - Dringende redenen
Op basis van dit artikel kan zo nodig worden afgezien van een maatregel indien daar dringende redenen voor zijn. Er wordt geen nadere omschrijving gegeven wat onder dringende redenen kan worden verstaan. De uitvoerder wordt hiermee de mogelijkheid gegeven om maatwerk te leveren.
Wel dient sprake te zijn van omstandigheden van een zo uitzonderlijk karakter, dat daardoor het opleggen van die maatregel uit sociaal maatschappelijk oogpunt bezien, onaanvaardbare gevolgen heeft voor de persoon aan wie de maatregel is opgelegd.
Artikel 4 - Ingangsdatum verlaging
In dit artikel wordt de ingangsdatum van de maatregel geregeld. Er is, om de uitvoering van de regeling eenvoudig te houden, voor gekozen om geen maatregelen met terugwerkende kracht op te leggen.
Artikel 5 - Categorieën gedragingen
Er worden vier categorieën onderscheiden waarmee de gedragingen van de uitkeringsgerechtigde worden gerangschikt naar de ernst van het feit.
Bij de indeling in categorieën is ervan uitgegaan dat de ernst van het feit toeneemt naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor de arbeidsinschakeling, de kosten van de inkomensvoorziening of de rechtmatigheid.
Artikel 6 - Hoogte verlaging
Eerste lid
De hoogte van de maatregel wordt vastgesteld over de toegekende inkomensvoorziening. Onder inkomensvoorziening wordt verstaan de norm inclusief de gemeentelijke toeslag of verlaging. Hierdoor worden de consequenties van verwijtbaar gedrag over de hele toegekende inkomensvoorziening geëffectueerd.
Tweede lid
Indien het college besluit tot het opleggen van een maatregel dan wordt deze op de in het eerste lid van dit artikel aangegeven percentages en periodes vastgesteld. Indien er binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Onder eerste gedraging wordt in dit verband verstaan de eerste verwijtbare gedraging die voor het college aanleiding is geweest een maatregel toe te passen. Tot eerste gedraging wordt echter ook gerekend een verwijtbare gedraging ten aanzien waarvan op grond van omstandigheden van belanghebbende of wegens dringende redenen geen maatregel is opgelegd. Een goede registratie van de opgelegde maatregelen in de gemeentelijke administratie is dus vereist.
Het kan zich voordoen dat belanghebbende afkomstig is uit een andere gemeente en op het moment van het verwijtbaar gedrag nog geen 12 maanden in de huidige gemeente woonachtig is. Voor een goede uitvoering van deze verordening dient na te worden nagegaan of mogelijk sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag waarbij de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking moet worden gebracht in een verdubbeling van de periode van weigering. Bij het college van de gemeente van afkomst zal dan moeten worden opgevraagd of binnen een periode van 12 maanden gerekend vanaf de huidige gedraging eerder verwijtbaar gedrag heeft plaatsgevonden en welke maatregel men toen heeft getroffen.
In het geval dat ten aanzien van de vorige maatregel individualisering is toegepast dient, afhankelijk van de categorie, bij een herhaald verwijtbaar gedrag eerst de bij die categorie voorgeschreven maatregel te worden gehanteerd en wordt de standaardperiode van een maand verdubbeld. Vervolgens is op die maatregel individualisering van toepassing. Er vindt dus geen verdubbeling plaats van de geïndividualiseerde periode van de vorige maatregel.
Tevens dient er aandacht te zijn voor de uitvoering van artikel 41, derde lid, van de wet. Daarin wordt voorgeschreven dat het besluit tot verlaging uiterlijk binnen drie maanden wordt heroverwogen. Verondersteld mag worden dat deze bepaling ziet op beschikkingen waarbij een verlaging nog voortduurt op het moment van de herbeoordeling. Kortom: bij een verlaging die wordt toegepast voor de duur van drie of meer maanden.
Artikel 7 - Cumulatie
Het is mogelijk dat een belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan meer gedragingen. In die situatie wordt het percentage van de hoogste van toepassing zijnde categorie genomen. Indien er echter sprake is van zeer verwijtbaar gedrag dan dient de maatregel uiteraard individueel te worden bepaald.
Artikel 8 - Waarschuwing
Evenals in de Maatregelenverordening 2004 is de mogelijkheid van de waarschuwing opgenomen, indien het niet tijdig verstrekken van inlichtingen niet heeft geleid tot het teveel verstrekken van inkomensvoorziening. Bij recidive binnen 2 jaar geldt wel een maatregel.
Artikel 9 - Inwerkingtreding
Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 10 - Citeertitel
Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.
